Montesquieu Institute: from science to society

Het laatste woord over wetgeving ligt toch echt bij de regering

De dreiging van de minister van Economische Zaken en Klimaat om enkele artikelen van de gewijzigde Tijdelijke Wet Groningen nog niet in werking te laten treden, wekt ontstemming bij een deel van de Tweede Kamer. De minister wees er in zijn memorie van antwoord aan de Eerste Kamer op dat onbedoeld twee door het kabinet ongewenste amendementen het wetsvoorstel hebben gewijzigd; een wetsvoorstel waarover de Eerste Kamer nog moet beslissen.

Wat was het geval? De Tweede Kamer nam in maart dit jaar twee amendementen-Beckerman (SP) aan, op een wetsvoorstel over versterking van gebouwen in het aardgasgebied1). Beide amendementen werden door een vergissing bij de stemmingen aangenomen; bij nr. 38 door een vergissing van D66 en bij nr. 68 door een vergissing van het CDA.

Vraag is nu: mag de minister de wens van de Tweede Kamer nog ter zijde schuiven? Het Bureau Wetgeving van de Tweede Kamer oordeelt dat mogelijk uitstel van de invoering op gespannen voet met de Grondwet staat. Medewetgever Tweede Kamer heeft de wijziging immers gewild en wil die ook uitgevoerd zien.

Nu zijn de Kamers zeker medewetgever, maar het is uiteindelijk de regering die de wet moet bekrachtigen en in werking moet laten treden. Meestal gebeurt dat laatste bij afzonderlijk besluit (soms zelfs via een aparte wet) en artikelen treden ook niet altijd allemaal tegelijkertijd in werking. Een kabinet kan bovendien tot de stemming in de Eerste Kamer besluiten een wetsvoorstel in te trekken (artikel 86 GW). Juist aanneming van een ongewenst amendement was daar vaak de reden voor.2) Ook intrekking van wetsvoorstelen die al bij de Eerste Kamer liggen, komt voor.

Een bekend door beide Kamers aangenomen wet(svoorstel) dat zelfs geheel niet in werking trad, was de Wet herstructurering wetenschappelijk onderwijs van Van Kemenade en Klein uit 1975. Opvolger Pais kwam een paar jaar later met een nieuw wetsvoorstel en de wet uit 1975 verdween onuitgevoerd in een la.

Handelde minister Pais (kabinet-Van Agt I) daarmee inconstitutioneel? Geenszins.

Het is verder meer dan eens voorgekomen dat na het tot stand komen van de wet amendering weer ongedaan werd gemaakt; soms zelfs op aandrang van de Eerste Kamer.

Een goed voorbeeld is de reparatie van een belastingwetje in 1971. In december 1970 nam de Tweede Kamer in verwarring een ongedekt amendement aan (het was het debat dat freule Wttewaall van Stoetwegen betitelde als 'gekkenwerk'). Het kabinet repareerde dat enige maanden later.

Maar ook recent zijn er gevallen. In 2015 maakte een novelle eerdere amendering in de Wet algemeen pensioenfonds ongedaan. In 2018 gebeurde hetzelfde met een aangenomen PVV-amendement op een wetsvoorstel over het implantatenregister. Dat amendement bleek achteraf in strijd met het Europees recht.

Nu is de ene fout die wordt hersteld de andere niet, maar ten principale doet dat er niet toe. Een parlementaire beslissing kan wel degelijk door het kabinet onuitgevoerd blijven of zelfs teruggedraaid worden. Een wetsvoorstel kan worden ingetrokken, niet worden bekrachtigd of (deels) niet worden ingevoerd en latere reparatie is eveneens mogelijk. In al die gevallen worden eerdere parlementaire besluiten ongedaan gemaakt.

Uiteraard mag over zo'n besluit van het kabinet een politiek oordeel worden geveld. Met een demissionair kabinet is dat qua praktische betekenis alleen wel lastiger.

Het is nu allereerst de vraag wat de Eerste Kamer van de 'dreiging' van de minister vindt. En of hij het dreigement uitvoert. Daarna kan de Tweede Kamer reageren en oordelen.


  • 1) 
    Wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband met de versterking van gebouwen in de provincie Groningen (kamerdossier 35603)
  • 2) 
    Een recent voorbeeld is de Wet organisatie hoogste bestuursrechtspraak. Ingetrokken in 2016, na aanneming van ontraden amendementen van VVD en PvdA.