Montesquieu Institute: from science to society

Alle inlichtingen? Geheime notulen?

Door de uitgelekte informatie over besprekingen in de ministerraad over beantwoording van Kamervragen staat het inlichtingenrecht (of beter: inlichtingenplicht) volop in de belangstelling. Dat (individuele) inlichtingenrecht van het parlement staat sinds 1987 in de Grondwet. Artikel 68 bepaalt:

"De ministers en de staatssecretarissen geven de Kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat."

De discussie over de reikwijdte van het inlichtingenrecht is eigenlijk nog altijd gaande1), maar het primaire debat over het artikel vond plaats in het kader van de algehele grondwetsherziening tijdens het eerste kabinet-Van Agt. Toen vond behandeling plaats van wetsvoorstel 14.225. Vanwege bezwaren tegen het minderheidsrecht op enquête sneuvelde dat ontwerp, maar dat betrof dus niet het onderdeel 'inlichtingenrecht'.

In de Memorie van Antwoord van wetsvoorstel 14.225 stond:

"Artikel 104 (nu 68) sluit de verplichting tot het verstrekken van gevraagde inlichtingen alleen dan uit, wanneer die verstrekking in strijd zou zijn met het belang van de staat. In het voorgestelde artikel wordt deze verschoningsgrond gehandhaafd. Het criterium "belang van de staat" heeft onvermijdelijk een zekere vaagheid. Enerzijds is het ruimer dan alleen de veiligheid van de staat. Ook andere staatsbelangen kunnen in het geding zijn. Het weigeren van inlichtingen over personen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer kan er mede onder begrepen zijn."

Er is in die zin dus geen absoluut recht op inlichtingen, maar die kunnen ook weer niet lichtzinnig (ongemotiveerd) worden geweigerd.

Wel werd in de memorie opgetekend: In welke gevallen sprake zal zijn van belangen die zo zwaarwegend zijn, dat zij als belang van de staat aangemerkt kunnen worden, is in abstracto niet aan te geven. Van geval tot geval zal de Regering moeten beoordelen of de argumenten die pleiten tegen het verstrekken van gevraagde inlichtingen zwaarwegend genoeg zijn om een beroep op het belang van de staat te rechtvaardigen. Dat er discussie over die vraag in de ministerraad was, is op zich goed voorstelbaar

Op 23 oktober 1985 stemde de ministerraad bovendien in met volgende aanwijzing: "De minister of de staatssecretaris die het voornemen heeft een beroep te doen op het verschoningsrecht ex artikel 68 van de Grondwet, stelt dit aan de orde in de ministerraad."

In de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer werd gesteld, dat een (aanvankelijke) weigering gemotiveerd dient te worden, Of terecht een beroep op het belang staat wordt gedaan, is aan politieke oordeelsvorming onderhevig. Het kan tot het opzeggen van vertrouwen leiden.

In diezelfde memorie werd nog nader aangegeven dat indien om vertrouwelijke, zeer persoonlijke gegevens van medische of psychologische aard gevraagd zou worden, zulks zo nodig geweigerd moeten kunnen worden met een beroep op het belang van de staat.

De uitgelekte informatie over het kabinetsberaad in 2019 roept ten aanzien van de inlichtingenverplichting dus zeer veel vragen op. Dat het om gegevens uit de geheime ministerraadsnotulen gaat, geeft daaraan een extra dimensie. Over die notulen nog het volgende:

De geheimhouding is geregeld in artikel 26 van het reglement van orde van de ministerraad:

  • 1. 
    Ten aanzien van hetgeen ter vergadering besproken wordt of geschiedt, bestaat een geheimhoudingsplicht.
  • 2. 
    De geheimhoudingsplicht bestaat niet:
  • a. 
    voor zover de raad of de minister-president namens de raad ontheffing van de geheimhouding verleent;
  • b. 
    voor zover uitvoering van besluiten dit nodig maakt, dan wel de aard en omstandigheden van een besluit bekendmaking daarvan vorderen.

De notulen van de ministerraad worden na 20 jaar openbaar (Rijksoverheid.nl)

 

Prof. dr. Bert van den Braak is onderzoeker bij PDC en hoogleraar parlementaire geschiedenis aan de Universiteit van Maastricht.