Montesquieu Institute: from science to society

Het ongrijpbare CDA

Voor buitenstaanders blijft het CDA een enigma. Zelfs de meest doorgewinterde politieke analist had een jaar geleden niet voorspeld dat de christendemocraten in Noord-Brabant een coalitie zouden aangaan met Forum voor Democratie. Het flirten met radicaal en polariserend gedachtegoed door FvD-leider Thierry Baudet zou voor het CDA genoeg reden zijn om afstand te bewaren, zo was de veronderstelling. En anders zouden de ervaringen met de gedoogconstructie in het kabinet-Rutte I (2010-2012) het geheugen moeten opfrissen. De formatie van dat kabinet, waarin VVD en CDA gedoogsteun kregen van de PVV, zorgde voor hoog oplopende tegenstellingen in het CDA.

Nog wel eens wordt over het hoofd gezien dat de discussie over de gedoogconstructie ondanks hoog oplopende emoties op geen enkel moment leidde tot initiatieven de partij te scheuren. De partij bezit ook een sterke ‘clubgeest’. Op het befaamde partijcongres van 2 oktober 2010 in Arnhem, waar de kabinetsdeelname voorlag aan de leden, werd die het best verwoord door Hannie van Leeuwen. De ‘moeder van het CDA’ verklaarde het principieel oneens te zijn met de verbintenis met de PVV, maar ze riep tegelijk haar partijgenoten op bijeen te blijven. De ‘mastodonten’ Van Agt en Aantjes, ook al fel tegen samenwerking met de partij van Geert Wilders, stemden vanuit hun kritiek op de partijkoers soms ondeugend op andere partijen, maar hebben hun lidmaatschap nooit opgezegd.

Een ding is zeker: het CDA blijft verrassen. Iedere keer als men meent enige zekerheid te hebben over de koers, maken de christendemocraten een manoeuvre dat het beeld doet kantelen. Onder leiding van Sybrand Buma was de partij na 2012 ogenschijnlijk in patriottisch-conservatief vaarwater geraakt. Dat paste geheel in de geest van de christelijk-historische bloedgroep waartoe Buma gerekend kan worden. In 2019, toen Buma naar Leeuwarden vertrok, leek het erop dat het CDA weer afstand nam van die lijn. Onder druk van de religieuze achterban wijzigde het CDA begin van dat jaar zijn standpunt inzake het kinderpardon en in november verscheen het discussiestuk Zij aan zij – Toekomstperspectief voor Nederland in 2030 van het Wetenschappelijk Instituut, dat een progressieve geest ademde.

En dan kort erna, naar aanleiding van de boerenrevolte in Brabant, de flirt met FvD, die overduidelijk is bedoeld om de agrarische achterban te bedienen. De wijze waarop de christendemocraten in Brabant (samen met de VVD, overigens) tussentijds overstapten van een coalitie met VVD, GroenLinks, PvdA en D66 doet enigszins denken aan de coalitiewisseling op landelijk niveau in het voorjaar van 1965. Toen strandde de tot dan tamelijk succesvolle samenwerking van de christendemocraten met de VVD op een principieel en levensbeschouwelijk punt (de publieke omroep), waarna KVP en ARP zonder tussentijdse verkiezingen – en met achterlating van de CHU – overschakelden op een kabinet met de PvdA. Het was de meest opvallende illustratie van de ‘lood om oud ijzer’-politiek waarvan de confessionelen door hun politieke tegenstanders (meestal: voormalige coalitiepartners) werden beschuldigd.

Die verwijten van principeloosheid en opportunisme gingen (en gaan) echter voorbij aan de geschiedenis en het karakter van het CDA als brede volkspartij. Het CDA is daarbij in belangrijke mate de erfopvolger van de Katholieke Volkspartij, dat het politieke tehuis was voor zowel de roomse arbeider als zijn katholieke werkgever. De katholieke sociale leer, dat het fundament vormde onder de politieke uitgangspunten van de KVP, was weinig politiek-concreet en daardoor nogal multi-interpretabel. Die katholieke eenheidspartij bestaat uiteraard allang niet meer, evenmin het electoraat dat daarbij hoorde. Het volkspartij-DNA is echter nog steeds aanwezig in het CDA. De door Piet Steenkamp begin jaren zeventig uitgedachte ‘antwoordfilosofie’ en de later geformuleerde vier grondbeginselen rentmeesterschap, gespreide verantwoordelijkheid, publieke gerechtigheid en solidariteit maken de christendemocratie tot een huis met vele kamers. Christendemocratische politici van zowel progressieve als conservatievere snit kunnen zich hierin ‘thuis’ voelen. Het maakt het CDA vaak ongrijpbaar voor andere partijen.

Het is de vraag of de aanwijzing van een nieuwe politiek leider daarin structureel verandering gaat brengen, al zal deze zeker zijn of haar stempel drukken. Pieter Heerma is nadrukkelijk slechts voorzitter van de Tweede Kamerfractie, zijn afzijdigheid in de Brabantse kwestie onderstreept zijn beperkte politieke ambitie. Als opvolgers lopen zich de ministers Wopke Hoekstra en Hugo de Jonge warm. Over de uitkomst van de leidersverkiezing valt nog weinig te zeggen; de coronacrisis kan beiden nog maken of breken. Geen van beiden heeft nog een scherp inhoudelijk profiel. De partij heeft ook nog even de tijd: de volgende Kamerverkiezingen zijn pas op 17 maart 2021. In 2012 had PvdA-lijsttrekker Diederik Samsom slechts enkele weken en een paar geslaagde tv-debatten nodig om een onverwacht sterke verkiezingsuitslag te realiseren. Hoe dan ook: het CDA zal een pluriforme partij blijven. Toekomstige politieke verrassingen zijn daarbij uiteraard niet uit te sluiten.

 

Alexander van Kessel is senior onderzoeker aan de Radboud Universiteit Nijmegen op het terrein van de parlementaire geschiedenis.