Montesquieu Institute: from science to society

Affaire-Duthler is opgewarmde prak

De VVD stelt een integritietsonderzoek in naar Eerste Kamerlid Anne-Wil Duthler. Dit naar aanleiding van een artikel op Quotenet over de betrokkenheid van haar bedrijf bij wetgeving waarover zijzelf sprak en stemde.

Even dacht ik: er zijn opmerkelijke nieuwe zaken aan het licht gekomen en er speelt blijkbaar veel meer dan eerder door Follow the Money werd bericht. Het bedrijf van Duthler bracht een deeladvies uit over het wetsvoorstel Wet maatschappelijke ondersteuning en zij stemde later vóór dat voorstel. Het wetsvoorstel werd met één stem verschil aangenomen.

Had zij daarmee de doorslag gegeven en kwam dat door die advisering? Natuurlijk niet. De VVD-fractie was sowieso vóór het belangrijke wetsvoorstel en zijzelf was niet direct betrokken bij de meningsvorming in de fractie. Zij was geen woordvoerder over het voorstel. Dit alles nog los van de vraag of zij binnen haar bedrijf wel betrokken was bij de advisering. Iets wat zijzelf ontkent.

Gemeld wordt nu dat zij als Kamerlid gepleit heeft voor zaken waar haar bedrijf belang blj zou kunnen hebben. Vraag is dan natuurlijk of ze dat op persoonlijke titel deed of dat dit - zoals gebruikelijk - in de fractie was besproken. Vraag is ook of het waarschuwen tegen datalekken niet gewoon in lijn is met een algemene opvatting.

Je kunt je afvragen of de schijn van belangenvermenging niet beter voorkomen had kunnen worden, maar misschien was het ook wel zo onbetekend dat niet eens gedacht is aan de mogelijkheid dat dit het beeld zou zijn.

Het is niettemin goed dat de integriteitscommissie van de VVD dit alles nog eens uitzoekt. Maar dat er nu wéér een integiteitskwestie opduikt rond een VVD-Kamerlid is onzin. Het lijkt eerder een verkrampte poging om met een affaire die deze naam niet mag hebben alsnog publiciteit voor een onderzoek te genereren. Het tijdstip om dat te doen, roept terecht vragen op.

Bert van den Braak is hoogleraar parlementaire geschiedenis en parlementair stelsel aan de Universiteit van Maastricht. Tevens is hij als onderzoeker verbonden aan het Parlementair Documentatiecentrum (PDC).

1.

Deze bijdrage stond in