Montesquieu Institute: from science to society

Enquêtes sinds jaren '70 zwaar middel geworden

Prof. mr. Erik Jurgens (1935) was tot 1999 hoogleraar staats- en bestuursrecht. Van 1972 tot 1975 en van 1990 tot 1994 was hij lid van de Tweede Kamer, achtereenvolgens voor de PPR en voor de PvdA. Van 1995 tot 2007 was Jurgens lid van de Eerste Kamer voor de PvdA.

De Tweede Kamer verwierp in 1971 het voorstel-Aarden (groep-Aarden, PPR) tot het houden van een enquête naar “Concentratie van economische macht door fusies”. Ik had aan de voorbereiding van dit voorstel meegedaan als lid van de ondersteuning van de fractie, en had gezien dat de oude, toen nog geldende, Enquêtewet 1855 veel tekortkomingen had. Dat had niemand meer gemerkt, want het middel was sinds het einde van de 19e eeuw in onbruik geraakt. Het voorstel-Aarden was de eerste na 1945 (op de Oorlogsenquête na).

Eenmaal zelf PPR-Kamerlid geworden in 1972, heb ik mij beijverd om steun te vinden onder collega’s om de Enquêtewet te wijzigen, en dit parlementair machtsmiddel nieuw leven in te blazen. Toen ik vertrok uit de Kamer in 1975 lag het ontwerp klaar van wat het initiatiefvoorstel-De Vries c.s. is geworden. Daarna hebben vele wijzigingen plaatsgevonden op grond van gebleken problemen bij het houden van enquêtes, het laatst in 2008.

Ik vertel deze voorgeschiedenis, omdat sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw de enquête gelukkig een vaste plek heeft gekregen in het arsenaal van de Kamer. Daarmee ging echter gepaard een voortdurende uitdijing van de omvang daarvan. Verslagen die meerdere delen bevatten, met bijlagen, waarvan de vraag is wie die ooit las, behalve historici. Dit was mede reden dat de Kamer vaak onderzoeken ging doen van geringere omvang, dit zonder de betreffende commissies enquête-bevoegdheden te geven.

Wij hadden in 1972-1975 niet het idee dat ons voorstel in de praktijk zou worden gebruikt om het onderste uit de diepste kan te halen, zoals die dikke verslagen ons dit beschrijven. Het voorstel-Aarden had dan ook een hele korte memorie van toelichting. Bedoeling was om captains of industry onder ede te kunnen ondervragen over nut en noodzaak van al die fusies van toen, daartoe aangespoord door een uitspraak van de toenmalige voorzitter van het NKV, de heer Mertens (“de 200 van Mertens”).

Had de Kamer het voorstel-Aarden wel aanvaard, dan had de Kamer zich daartoe waarschijnlijk beperkt, naast natuurlijk het bijeenbrengen van gegevens over bedrijven, die al openbaar waren, zoals jaarverslagen, gegevens Kamers van Koophandel en zo.

Enquête ‘light’

Dat is zo’n beetje wat ik ook lees in het voorstel van de Tijdelijke Commissie Evaluatie van de Wet op de Parlementaire Enquête (TCWEPE), de commissie Van Raak. Hoe kun je snel informatie over een concreet probleem verwerven, als je vermoedt dat je alleen via opkomstplicht, antwoordplicht en horen onder ede de juiste gegevens kunt krijgen? Of dit zelfs al zeker weet, omdat de Kamer in een bestaand onderzoek onvoldoende medewerking heeft gekregen.

Nu was dit laatste al mogelijk. Als een commissie van de Kamer onderzoek doet en stuit op gebrek aan medewerking, dan kan zij al aan de Kamer enquêtebevoegdheden vragen, dus in feite een enquêtecommissie worden. Maar dit is zo omslachtig (en kan leiden tot weer die grote omvang), dat nu de TWCPE zocht naar een meer eenvoudige oplossing, de parlementaire ondervraging (PO). Deze is gebaseerd op de Wpe 2008, maar gebruikt daarvan alleen de bevoegdheid om getuigen te doen verschijnen en hen verplichten tot antwoorden onder ede. Om uitwassen in te dammen, en als proef, levert de commissie – in haar Verslag van 3 februari 2016 (34 400-2) ook, in een ontwerp-protocol, de randvoorwaarden waaraan die ondervragingen zich zouden moeten houden. Voor details verwijs ik naar het leesbaar geschreven verslag, slechts 42 pagina’s.

Met dat al doet de commissie-Van Raak een voorstel dat aansluit bij wat de initiatiefnemers tot herziening van de Enquêtewet 1855 in de jaren zeventig voor ogen stond. Dit zonder de mogelijkheid uit te sluiten om bij grote maatschappelijke vraagstukken het grotere instrument te blijven inzetten. 

Zelfbeheersing nodig bij Kamerleden 

Een kanttekening die we moeten maken is dat de Kamer ook bij de PO zelfbeheersing moet blijven tonen. Het horen van getuigen onder ede, een zwaar middel, geschiedt normaal ten overstaan van een rechter. Hij waakt daarbij tegen misbruik, mochten de partijen in een rechtszaak aan getuigen onder ede vragen stellen die niet ter zake of onbehoorlijk zijn. Of als getuigen zich beroepen op verschoning.

Een dergelijke onafhankelijke instantie is de Kamer niet. Daar zijn het politici die getuigen ondervragen, politici die belangen kunnen hebben die met het belang van de waarheidsvinding weinig gemeen hebben.

Tot nog toe hebben leden van enquêtecommissies, naar mijn waarneming, in overwegende mate oog gehad voor deze verstrengeling van politieke belangen met waarheidsvinding. Het zou kunnen dat, bij invoering van de parlementaire ondervraging, deze fatsoenlijke terughoudendheid - door inflatie van het gebruik van het middel - zal inboeten vanwege de lichtere context van de ondervraging. Zo’n ondervraging geschiedt immers ook door andere parlementaire commissies, zij het juist niet onder ede.

Hoe zou de Kamer aan die terughoudendheid bij het horen onder ede de hand kunnen houden? Door een commissievoorzitter die zich consequent die rol toebedeelt (wat het mooiste is). Maar niet elk Kamerlid brengt dit op. Het is ook mogelijk om een terzake goed onderlegde griffier daarbij een speciale adviesrol te geven. Een bekwame voorzitter van buiten, die je veel ziet in klachtencommissies of in colleges met disciplinaire bevoegdheden, is niet wel denkbaar. Daarvoor heeft de Kamer haar eigen orde te zeer lief.

Wat wel zou kunnen, maar dat valt buiten het voorstel inzake de PO, is om politiek zeer gevoelige zaken op te dragen aan een buitenstaander, een (ex-)rechter bijvoorbeeld, met bevoegdheden om te horen onder ede. De Britten kennen zulke opdrachten, door de regering gegeven, aan een onafhankelijke derde. Zo de “judicial public enquiry” door een rechter, Lord Justice Leveson,, naar het hacken van telefoons door de media (in casu het schandaalblad News of the World), 2012. Zijn rapport leidde tot opheffing van die krant door eigenaar Rupert Murdoch.  


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 29 februari 2016.