Montesquieu Institute: from science to society

De totstandkoming van het CDA: Bekroning van een moeizaam proces

Op zaterdag 11 oktober 1980 vond in het Congresgebouw in Den Haag de formele oprichting plaats van het Christen-Democratisch Appèl (CDA). Tijdens zijn feestrede herinnerde partijvoorzitter Piet Steenkamp aan het hobbelige voortraject, maar stelde hij ook dat meer dan ooit behoefte was aan een ‘moderne christen-democratische partij, die de evangelische waarden vertaalt voor onze samenleving’. Op hetzelfde moment werden de drie schragende partijen opgeheven: de Katholieke Volkspartij (KVP), de Antirevolutionaire Partij (ARP) en de Christelijk-Historische Unie (CHU).1

Hoe feestelijk ook, die elfde oktober 1980 is als politieke cesuur van betrekkelijk geringe betekenis. De weg naar het CDA was veel eerder ingezet. Na de Kamerverkiezingen van 1967, waarbij KVP, ARP en CHU samen zeven zetels verloren, begonnen de drie partijen gesprekken in de Groep van Achttien over nauwere samenwerking. In de praktische politiek was de samenwerking tussen antirevolutionairen en katholieken al begonnen aan het eind van de negentiende eeuw, in de gezamenlijke strijd voor de gelijkberechtiging van het confessionele onderwijs. Ook na de grondwetsherziening 1917 trokken de christelijke drie veelal gezamenlijk op, hetgeen zich onder meer vertaalde in gezamenlijke deelname aan de meeste kabinetten vanaf 1918. Zelfs een tamelijk fundamentele vertrouwensbreuk als de Vaticaancrisis van 1925/1926, toen de CHU vanuit antipapistische sentimenten bewust inging tegen een katholiek belang (het continueren van het gezantschap bij het Vaticaan), belastte de samenwerking niet blijvend.

Feitelijk was het CDA op het Binnenhof in 1976 al realiteit geworden. De instelling van het gezamenlijk beraad van de Tweede Kamerfracties in mei en de beslissing van de partijraden van ARP en CHU in september – de KVP had al eerder ingestemd – om in 1977 met één lijst aan de Kamerverkiezingen deel te nemen, maakten het proces onomkeerbaar.

Voor het zover was hadden grote meningsverschillen over de koers, de grondslag en het programma overwonnen moeten worden. Hieronder gingen ook cultuurverschillen tussen katholieken, gereformeerden en Nederlands hervormden schuil, die de voorgaande eeuw in verzuilde context organisatorisch vorm hadden gekregen en ondanks de gedeelde programpunten wederzijds wantrouwen hadden veroorzaakt. Uiteindelijk spitsten de tegenstellingen zich toe tussen de ‘radicalen’ binnen de ARP, die een evangelisch geïnspireerde, progressieve partij voor ogen stond, en de meerderheid binnen de KVP, die aanstuurde op behoud van de centrumpositie. De strijd werd beslecht door druk van onderop – vanuit de provinciale en lokale afdelingen en de kaders van de partijen – gecombineerd met de overtuiging van bepalende voorlieden binnen de drie partijen, die in één partij de enige mogelijkheid zagen om ook in de toekomst de christelijke politiek nog een factor van betekenis te kunnen laten zijn. Onbedoeld stimuleerde ook de anticonfessionele opstelling van PvdA-leiders als Ed van Thijn de cohesie onder de drie.

Met de vorming van het CDA sloten de Nederlandse confessionelen tamelijk verlaat aan bij de ontwikkeling van de Europese christendemocratie. Elders waren immers al direct na de Tweede Wereldoorlog interconfessionele partijen opgericht, doorgaans als opvolgers van katholieke politieke partijen uit het interbellum. Kamerleden van KVP, ARP en CHU die vanaf het begin van de jaren vijftig afgevaardigd werden naar de assemblees van de Europese instellingen deden al ervaringen op in christendemocratische fracties.

De naoorlogse christendemocratische partijen hielden meer dan hun meer klerikale voorgangers afstand tot kerk en religie. Dat stelde hen ook in tijden van ontkerkelijking in staat om toch een machtsfactor van belang te blijven. Juist daarom maakte het eerste CDA-congres, in augustus 1975, een bevreemdende indruk op de enige buitenlandse spreker. De president van de Europese Unie van Christen-Democraten, CDU-prominent Kai-Uwe von Hassel, was geschrokken van de toon op het congres. Dat was volgens Von Hassel meer gegaan over theologie dan over politiek, zo meende hij.2 Bij Von Hassel klonk vermoedelijk de congrestoespraak van Willem Aantjes nog na. Diens ‘Bergrede’ was echter, hoe gepassioneerd de voordracht en hoe enthousiast het gehoor ook was geweest, niet representatief voor wat het CDA uiteindelijk zou worden. Eind 1976 werd KVP-vicepremier Dries van Agt aangewezen als eerste lijsttrekker, en hij maakte bij zijn aantreden meteen duidelijk: ‘Wij maken geen buigingen naar links en geen buigingen naar rechts.’ Het CDA werd een centrumpartij zoals voorheen de KVP dat was geweest. Het zou de nieuwe partij in de jaren tachtig electoraal geen windeieren leggen. De verdergaande ontkerkelijking zou niettemin op den duur de onvermijdelijkheid van het CDA als regeringspartij aantasten, zoals in 1994 voor het eerst bleek. In dat opzicht is het CDA een gewone partij geworden.

 

[1] H.-M.T.D. ten Napel, ‘Een eigen weg’. De totstandkoming van het CDA (1952-1980) (Kampen 1992) p. 344.

[2] P.L. van Enk, De aftocht van de ARP. Jaren van strijd tussen macht en beginsel (Kampen 1986) p. 158.

 

Alexander van Kessel is senior onderzoeker aan de Radboud Universiteit Nijmegen op het terrein van de parlementaire geschiedenis.