Montesquieu Institute: from science to society

Het belang van de vraag naar wenselijkheid samenwerking met FVD niet overdrijven

Monday, February 24 2020, 13:00, Hans-Martien ten Napel

Na de Tweede Kamerverkiezingen van 2017 schreef ik op deze plaats dat de verkiezingswinst van het CDA ons mogelijk eerder iets kon leren over de aanhoudende vitaliteit van politieke tradities dan over ‘verrechtsing’. Zeker sinds het vertrek van Buma, is het beeld van de partij er inderdaad eerder een van het zoeken van ‘een nieuwe gemeenschappelijkheid’, zoals het discussiestuk Zij aan zij. Toekomstperspectief voor Nederland anno 2030 (2019) het uitdrukt.

De ontstane discussie over mogelijke samenwerking met Forum voor Democratie (FVD) in Brabant lijkt dit beeld wat te vertroebelen. Is de geest van 2010, toen de vraag of moest worden ingestemd met de vorming van een minderheidskabinet met gedoogsteun van de PVV de partij bijna deed scheuren, opnieuw vaardig geworden over het CDA?

Nu verscheen er afgelopen jaar juist een politicologische studie, getiteld What is Christian Democracy?. Toch luidt de stelling van deze bijdrage dat de discussie over samenwerking met de FVD niet naar een dergelijk existentieel niveau hoeft te worden getild.

Pragmacratie

In de in 2019 verschenen tweede, herziene editie van zijn boek Het seculiere experiment; over westerse waarden in radicale tijden onderzoekt bijzonder hoogleraar Polarisatie en veerkracht aan de VU Amsterdam Hans Boutellier, hoe de Nederlandse samenleving het er op het gebied van de moraal vanaf heeft gebracht sinds de culturele revolutie van de jaren zestig van de twintigste eeuw. Zijn antwoord op deze vraag luidt in algemene zin positief, maar sinds het verschijnen van de eerste editie in 2015 is Boutellier wel bezorgder geworden.

‘Geen zooitje, maar weinig bezieling’, zo vatte hij recentelijk de hoofdboodschap van zijn boek samen. Anders dan bijvoorbeeld zijn vader verwachtte, heeft de secularisatie niet tot een moreel vacuüm geleid. Wel organiseert het openbaar bestuur zich met het verdwijnen van de verzuiling in toenemende mate ‘naar bevind van zaken’. Efficiëntie en effectiviteit zijn de boventoon gaan voeren en overheidsbeleid lijkt vooral nog gericht op continuïteit.

Net zomin als de moraal volledig onderuit is gegaan met de secularisatie, leidt deze ‘pragmacratie’ zonder meer tot slechte resultaten. Nederland blijft een land waar het in tal van opzichten goed wonen is. Voor de gewenste legitimiteit van het openbaar bestuur vormt het gebrek aan bezieling waartoe de pragmacratie leidt evenwel een probleem.

Zo zijn de inhoudelijke verschillen tussen bijna alle gevestigde partijen verkleind. Het is misschien niet nodig om direct van een eenpartijstaat te spreken, om toch te constateren dat deze partijen, zij het in net verschillende schakeringen, vrijwel zonder uitzondering de in de Franse Revolutie geformuleerde beginselen van vrijheid en gelijkheid zijn toegedaan. Dat geldt ook voor de ooit als antirevolutionaire stroming begonnen christendemocratie.

Daarmee hebben de gevestigde partijen, het CDA incluis, de opkomst van populistische partijen tot op zekere hoogte aan zichzelf te danken. Dit gegeven zou op zichzelf reeds tot enige terughoudendheid in de discussie over de wenselijkheid van samenwerking met een partij als FVD aanleiding kunnen geven. Het is echter mogelijk, en ook nodig, nog een spade dieper af te steken.

Verloren zoon

Gebrek aan bezieling is een diagnose waar veel politiek analisten een beetje een ongemakkelijk gevoel bij krijgen. Het doet hen al snel te theologisch aan, aangezien zij niet goed raad weten met het fenomeen religie. Toch kan wie de christendemocratie als politieke stroming wil doorgronden bezwaarlijk om haar religieuze dimensie heen en ook FVD-leider Thierry Baudet bedrijft van tijd tot tijd politieke theologie.

In het bestek van deze bijdrage is echter bovenal van belang dat het wegdefiniëren van de factor religie leidt tot een blinde vlek voor de behoefte waarin het populisme momenteel kennelijk voorziet onder kiezers. Nederland mag dan zijn verwikkeld in een seculier experiment, dat betekent allerminst dat daarmee ook de behoefte aan zingeving is verdwenen.

In zijn vorig jaar verschenen boekje De verloren zoon en het verhaal van Nederland gebruikt CU-leider Gert-Jan Segers deze Bijbelse gelijkenis om duidelijk te maken hoeveel Nederlanders in de jaren zestig uit het vaderhuis zijn weggetrokken. Net zoals Boutellier beschrijft, lijkt er ook in de gelijkenis van de verloren zoon aanvankelijk niet veel aan de hand.

Als de problemen komen, dringt bij de verloren zoon evenwel het besef door dat hij er alleen voor staat. Dit is, zoals bekend, het gevoel dat ook Pim Fortuyn al vertolkte in De verweesde samenleving (1995). De gevestigde partijen laten grote steken vallen op het moment dat zij verzuimen de betreffende Nederlanders zich nog langer thuis te laten voelen bij hun Grote Verhalen.

Het is daarom al te eenvoudig om alleen maar te betogen dat populistische leiders misbruik maken van bijvoorbeeld het christelijke gedachtegoed. De uitdaging voor partijen als CDA en CU is eerder om kiezers die thans in de armen worden gedreven van populistische leiders, te laten zien hoe het anders kan.

Tot besluit

Wanneer we zo een spade dieper afsteken, blijkt tevens dat het weer optuigen van Grote Verhalen door politieke partijen geen afdoende remedie is, indien reeds mogelijk. Hieruit laat zich ook de zorg van Boutellier verklaren. Gebrek aan bezieling is uiteindelijk iets wat niet uitsluitend op politiek niveau kan worden geadresseerd.

Aldus bezien is Overdoing Democracy, het overdrijven van het belang van politiek, misschien wel het grootste euvel van deze tijd. Het tillen van de vraag naar wenselijkheid van samenwerking met FVD naar een existentieel niveau is zelf een symptoom van dit euvel.

Het vinden van nieuwe gemeenschappelijkheid zal primair in de niet-statelijke sfeer moeten plaatsvinden. Uitsluiting van populistische partijen, en daarmee ook hun kiezers, levert daaraan niet noodzakelijk een bijdrage.

Mr. dr. H.-M.Th.D. ten Napel is universitair hoofddocent Staats- en Bestuursrecht aan de Universiteit Leiden.

1.

Deze bijdrage stond in