Montesquieu Institute: from science to society

‘De burger is aan zet. Meer dan ooit.’ Recensie van het boek van Tjeenk Willink.

In oktober 2018 kondigden twee ziekenhuizen in dezelfde week hun faillissement aan. Het MC Slotervaart in Amsterdam en het MC Zuidervaart in Lelystad, beiden onderdeel van de IJsselmeerziekenhuizen, sloten hun deuren. Terwijl het personeel in Amsterdam gedwee hun patiënten klaarmaakte voor vervoer naar andere ziekenhuizen, klonk burgemeester Altena van Lelystad nog strijdlustig over het behoud van ‘haar’ ziekenhuis; om helaas in één adem ook te moeten toegeven dat de zorgverzekeraars en niet de overheid hierover beslisten.

De rol die de overheid en marktpartijen bij het faillissement speelden, maar bovenal de rol die de patiënten en de zorgverleners niet speelden vatten in één klap “het groeiende onrustige gevoel” van Herman Tjeenk Willink in zijn recente boek Groter denken, kleiner doen samen. De overheid is de burger veel meer als klant gaan behandelen. Een klant die in staat is voldoende informatie te vergaren om een rationele keuze tussen alternatieve diensten te maken. Ook een filosofie die ervan uitgaat dat wanneer aanbieders van (publieke) diensten niet de gewenste kwaliteit kunnen leveren, failliet kunnen, nee zelfs: moeten, gaan. De democratische rechtsorde heeft kortom op een groeiend aantal terreinen plaats gemaakt voor marktwerking.

Marktwerking heeft niet alleen de kwaliteit van de uitvoering van beleid getroffen. Ook de rechtsprekende macht is niet immuun gebleken voor marktwerking. De instelling van de Raad voor de Rechtspraak op 1 januari 2002 staat symbool voor “het echte probleem”, namelijk “het bestuurlijk denken dat sinds 2002 versneld de rechterlijke macht is binnengedrongen en waartegen rechters te weinig inhoudelijk tegenwicht hebben geboden” (p. 86). De gerechten kwamen weliswaar op een grotere afstand van de minister te staan, ze werden voortaan ook top-down en bedrijfsmatig aangestuurd. Rechters werden afgerekend op het aantal afgeronde zaken, reflectie werd een luxe en de uitholling van een van de pilaren van de democratische rechtsstaat een feit.

Ook de Europese Unie heeft niet veel aan de borging van de democratische rechtsorde bijgedragen. Nationale en Europese politici zijn jarenlang wars geweest van een fundamentele discussie, laat staan een visie, op wat de EU voor ons betekent en hoe het zich zou moeten ontwikkelen. De EU is voor hen niet meer dan een grote interne markt met zo min mogelijk handelsbelemmeringen. Volgens Tjeenk Willink verdient het sociale marktmodel weer een kans in EU verband. Het vertrek van de Britten, die het neoliberalisme in de EU hebben aangejaagd, is wellicht een mooie kans voor het sociale marktmodel. Of het dat daadwerkelijk is, zal de toekomst moeten uitwijzen, maar “dat we gezamenlijk in Europa meer aandacht [moeten] besteden aan de waarden die we delen en universeel acht(t)en maar die niet vanzelfsprekend zijn” (p. 45) is een opdracht van de auteur die in dit licht navolging verdient.

De burger is aan zet. Meer dan ooit. Tjeenk Willink eindigt zijn boek daarom ook met een krachtige oproep aan hem. De politieke klasse moet het daarbij ontgelden. Zij hebben het marktdenken omarmd en de ooit fijnmazige verhouding tussen de politiek, het maatschappelijk middenveld en de burgers danig verstoord. Het bestuurlijk denken heeft de waarden van de democratische rechtsstaat ondermijnd. Door hun stem te verheffen dienen burgers “politici in staat [te] stellen zelf tegenwicht te bieden tegen het bestuurlijk denken, de managementtaal en de neiging tot uniformering die elk bestuur eigen is” (p. 113).

Door het schrijven van dit boek heeft Tjeenk Willink zijn levenslange ervaring in de publieke dienst en zijn denkkracht met het grote publiek gedeeld. Daarvoor mogen wij hem dankbaar zijn. Vele burgers herkennen zich in zijn betoog en ik ben ervan overtuigd dat we met dit werk het debat over de democratische rechtsstaat, in een tijdperk waar die van alle kanten wordt aangevallen, verder zullen brengen.

Tegelijkertijd denk ik dat er meer aan de hand is. Niet alle hervormingen in de organisatie en inrichting van het openbaar bestuur zijn één-op-één het gevolg geweest van het marktdenken. De verzelfstandigingen en de privatiseringen vanaf de jaren tachtig waren ook een antwoord op de vraag hoe we de staat bestuurbaar konden houden. De omvang van de kosten en die van de bureaucratie van de verzorgingsstaat waren onhoudbaar geworden. De hervormingen voorgesteld door de Commissie Hoofdstructuur Rijksdienst (Vonhoff, 1981) en later die door de Commissie Wiegel (Naar kerndepartementen, 1993) werden ook door politiek-bestuurlijke in plaats van louter economische motieven ingegeven.

Bij de fundamentele herbezinning op de waarden die we met zijn allen willen behouden zal marktwerking zeker niet mogen ontbreken. Maar deze zal ingebed moeten zijn in een breder debat over de relatie tussen democratie, rechtsstaat en het openbaar bestuur in het licht van de kwaliteit van ons politiek bestel in zijn geheel.

Prof. dr. Kutsal Yesilkagit is als hoogleraar International Governance verbonden aan de Universiteit Leiden.

Het boek 'Groter denken, kleiner doen' staat op nummer twee in de top 10 politieke boeken van de website www.politiekeboeken.com en is ook via die webiste te bestellen.

1.

Deze bijdrage stond in