Montesquieu Institute: from science to society

De rechter, de politiek & de staat

Twee keer heeft het Europese Verdrag over de Rechten van de Mens een grote rol in de rechtspraak gespeeld in het aan banden leggen van de vrijheid van de staat. In het bijzonder de artikelen 2 [recht op leven] en 8 [recht op privacy].

De uitspraak van Hof Den Haag van 11 oktober 2018, het hoger beroep in de zaak Urgenda was de meest recente - en de meest aandachtrekkende. Maar daarvoor had al eens eerder de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld over de Groningse gaswinning. De bestuursrechter vernietigde toen de vergunning tot gaswinning op grond van het motiveringsbeginsel, te weten dat onvoldoende was uitgelegd dat die gaswinning niet al te zeer risico’s op gevaar voor leven en grote schade zou betekenen.

Over die uitspraak was relatief weinig opwinding: dat kwam natuurlijk ook door de vertaling via het motiveringsbeginsel, dat in theorie de weg openliet om hetzelfde besluit weer te nemen, maar dan beter gemotiveerd. Maar het liep uiteraard allemaal anders. En deze uitspraak was daarin uitermate relevant: ook in het leveren van een bijdrage aan vertrouwen van burgers in de rechtspraak en de overheid.

Dat geldt, denk ik, ook voor beide Urgenda uitspraken. Het dreigende gevaar is groot en de rechter houdt de staat aan het beschermen van haar burgers. Dat is imperatief voor vertrouwen van de burger in die staat: ik zou de stelling wel aan durven dat deze uitspraken zeer bijdragen aan vertrouwen van de burger in staat en overheid. Het is toch een taak van de rechter om ook de staat aan rechtsregels te houden: dat is de strekking van de rule of law . En daarnaast is een elementaire functie van de staat om leven en goed van de burgers te beschermen.

Dan kun je inderdaad er over twisten of in dit geval het gebod wel afdoende grondslag vindt in art. 2 en art. 8 EVRM? Maar niet betwist is toch dat de bedreigingen groot zijn, en dan ook navenant kleiner de beleidsvrijheid van de staat. De Staat betwist ook niet de noodzaak en het doel, maar zo las ik in de media, eigenlijk alleen maar of de rechter dat wel mag zeggen en aan een gebod mag koppelen. Met consensus over de noodzaak, zie ik niet in waarom niet: er wordt niet voorgeschreven hoe en wat en waar, alleen het doel. Maar dat doel was toch in confesso? In cassatie gaan bevreemdt mij dan ook wel. De staat verklaarde het inhoudelijk eens te zijn met die terugdringing. Alleen niet met het feit dat er een rechterlijk gebod is. Tsja, besteed die energie aan het reduceren van emissies.

Komt zoiets nu vaak voor? Nee natuurlijk, en als een gebod al overigens eens voorkomt niet als gebod om formele wetten te maken en veelal als een gebod in kleinere specifieke casus. En ontegenzeggelijk, dit is een grote kwestie.

Het is echter ook een grote kwestie of de staat haar elementaire functie van bescherming van leven en goed van burgers vervult. En of door de politiek, waar lange termijn niet altijd onmiddellijk voorrang heeft, niet toch weer bepaalde maatregelen vooruit worden geschoven. Natuurlijk zijn we daar als kiezers bij, want we zouden ook op partijen kunnen stemmen die aan CO2 reductie absolute prioriteit geven. Maar dat verweer doet geen recht aan het uitgangspunt dat ook de politiek aan het recht is gehouden. Rechterlijke controle op afstand houden onder het mom dat het primair gaat om de kiezerswil, zet de deur open voor allerlei uitwassen. Grijp het arrest van het Hof met alle handen aan, zou ik zeggen, als steun in de rug en als anker om niet te dralen.

En wij allen profiteren van dit en ander rechterlijk ingrijpen: de wetgever vertrouwt er in wezen ook op door bepaalde kwesties niet te regelen. En die rechter draagt bij aan het basale noodzakelijke vertrouwen van burgers in rechtsstaat en democratie, als de wetgever wat laks of traag of in dubio is. Daar profiteert ook de politiek van.

1.

Deze bijdrage stond in