Montesquieu Institute: from science to society

Prijs de parlementaire democratie waarin de oppositie het hoogste woord mag voeren

Monday, September 24 2018, 13:00, Carla Hoetink - universitair docent bij de afdeling Geschiedenis van de Radboud universiteit, Nijmegen

De Algemene Politieke beschouwingen gelden als de belangrijkste politieke debatten van het jaar. Als leider van de grootste oppositiefractie mocht Geert Wilders afgelopen week traditiegetrouw het bal openen. Wat volgde was een voorspelbare reidans van oppositie tegenover coalitie. Allemaal één groot ritueel, zou voormalig LPF-minister Hilbrand Nawijn zeggen. Zonde van de tijd, schreef staatsrechtgeleerde Wytze van der Woude in 2013 in deze nieuwsbrief. Een pleidooi om het anders te zien, juist ook op grond van het historisch gegroeide ritueel.

In haar jaarlijkse analyse van de staat van de democratie wereldwijd constateerde het onderzoeksinstituut V-Dem in 2017 een afnemend potentieel van parlementaire opposities om hun regering te controleren. Dat potentieel wordt onder meer afgemeten aan mogelijkheden om op eigen kracht parlementaire rechten uit te oefenen en ruimte om te spreken. ‘The indicator that measures if opposition parties in the legislature are able to exercise oversight and investigatory functions against the wishes of the governing party or coalition, registers a significant decline in almost 20 countries and advancements in fewer than 15.’ (1)

Nederland staat er in dit onderzoek niet slecht op, met een top tien notering van oppositievriendelijke stelsels. Dat is de danken aan een in het laatste kwart van de twintigste eeuw ingezette trend richting ‘positieve discriminatie’ van de parlementaire minderheid. Vanaf midden jaren zeventig rijpten in de Tweede Kamer langzaam de geesten om de minderheid, in de praktijk de oppositiefracties, meer bewegingsvrijheid te geven. Dit vertaalde zich in de verlaging van enige praktische en formele drempels voor het gebruik van de parlementaire rechten, samen met een – over het algemeen – meer toegeeflijke houding van de grootste fracties om in te stemmen met verzoeken waarvoor van oudsher steun van de meerderheid was vereist.

Deze mentaliteitsverandering was in eerste instantie de verdienste van de progressieve fracties. Zij streden in jaren van polarisatie fel voor een sterkere en beter zichtbare rol van de oppositie. Een echte doorbraak kwam er echter pas met de RSV-enquête van 1983-1984. Dat had enerzijds te maken met de publieke uitstraling van het enquêteonderzoek zelf, waarbij vooral de openbare verhoren zichtbaar maakten hoe groot het controlerende potentieel in feite was; anderzijds met de harde conclusies uit dit onderzoek over de gebrekkige parlementaire controle op het regeringsbeleid inzake scheepswerf RSV. Inmiddels stonden CDA en VVD – misschien ook door hun ervaringen tijdens het kabinet-Den Uyl – meer open voor de gedachte dat de oppositie een belangrijke eigen rol te vervullen had als controleur van het regeringsbeleid. Daaraan viel ook af te lezen dat de Kamer de lotsverbondenheid tussen kabinet en geestverwante fracties als een onontkoombare realiteit begon te beschouwen. De nadelige consequenties van deze coalitiepolitiek voor de parlementaire controle vroegen om compensatie.

Zonder twijfel de meest opmerkelijke handreiking in de richting van de oppositie was het breed gedragen besluit om het enquêterecht voortaan in handen te stellen van de minderheid. Tegen dat plan zou de Eerste Kamer zich echter blijven verzetten. Een voorstel tot individualisering van het inlichtingen- c.q. vragenrecht haalde uiteindelijk wel de Grondwet, in 1987. Voortaan kon elk lid op eigen kracht informatie afdwingen bij het kabinet. Een volgende stap ten gunste van de oppositie volgde in 2004 met de invoering van de zogenoemde dertigledenregeling, waarmee een minderheid een debat of interpellatie kon agenderen.

Het streven naar versterking van de controlerende macht van de oppositie in de Tweede

Kamer tekende zich ondertussen ook af in kleine, ogenschijnlijk symbolische regels en tradities. De sprekersvolgorde tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen en de daaropvolgende begrotingsdebatten zijn daarvan het meest treffende voorbeeld.

In de voorbeschouwingen van de debatten dit jaar ging het vooral over de vraag hoe Wilders erin zou vliegen, en wat de rest van de oppositie zou doen. Dat Wilders het bal opende, was een vanzelfsprekendheid: de grootste oppositiefractie opende de Algemene Politieke Beschouwingen. Die praktijk gaat ver terug: al voor de oorlog, in de jaren twintig, heette dit ‘parlementaire usance’ te zijn. Een opmerkelijke uitzondering deed zich voor in 1959, toen CPN-voorman Paul de Groot als eerste het woord kreeg – gevolgd door de rest van de ‘rode oppositie’: PvdA en PSP. Pas daarna traden de regeringsgezinde fracties aan.

Voorgoed gevestigd raakte het ‘openingsrecht’ van de oppositie in de jaren zeventig. Onder invloed van de polarisatie en parallel aan de toenemende televisie-aandacht voor de Kamer hadden de sociaaldemocraten toen al herhaaldelijk hardop de vraag gesteld waarom de oppositie bij begrotingsdebatten eigenlijk niet standaard de gelegenheid kregen om als eerste een reactie te geven. Na enig wikken en wegen besloot het presidium medio 1975 om voor zowel de algemene beschouwingen als voor de verschillende begrotingsdebatten een sprekersvolgorde te formaliseren waarbij de grootste niet-regeringsfractie als eerste het woord kreeg, waarna de coalitie- en oppositiefracties elkaar om en om opvolgden. Ook dit besluit was een teken van het besef dat het ruimte bieden aan tegengeluid ten goede kwam aan de parlementaire controle.

Sindsdien is de aandrang van de oppositie om met groots vertoon het bal te openen er niet minder om geworden. Lang niet altijd oogt dat even fraai. De alsmaar groter gegroeide media-aandacht voor de algemene beschouwingen nodigen uit tot gewichtigdoenerij en theatraliteit, compleet met visual props (denk aan de stekker van Jolande Sap). En toch: prijs de parlementaire democratie waarin de oppositie in het belangrijkste debat van het parlementaire jaar het hoogste woord mag voeren.

Dat mag, na alle pracht en praal van Prinsjesdag, ook best met wat bombarie.

  • (1) 
    V-Dem Annual Report 2017​.Democracy at Dusk?

1.

Deze bijdrage stond in