Montesquieu Institute: from science to society

Nogmaals het referendum: haastige spoed is nu eenmaal niet altijd goed

Inmiddels is duidelijk dat er voorlopig of in het geheel, geen derde raadgevend referendum gaat komen: er zijn te weinig handtekeningen opgehaald voor een referendum over de donorwet. In de drie jaren dat de wet raadgevend referendum nu in werking is, hebben we twee referenda gehad (over het Associatieakkoord EU-Oekraïne en over de Wet Inlichtingen- en veiligheidsdiensten) en zijn twee initiatieven niet gelukt: over de aflosboete en over de donorwet. Als er al vrees was dat de wet het houden van een referendum te gemakkelijk maakt, is die vrees niet bewaarheid.

De intrekkingswet raadgevend referendum is op dit moment in behandeling bij de Eerste Kamer; op 15 juni is er een nadere Memorie van Antwoord uitgebracht en op 19 juni besprak de Kamercommissie de verdere procedure.

Tevens staat de vraag naar het parlementair stelsel op de agenda van de Staatscommissie, die mede op initiatief van de Eerste Kamer is ingesteld. Het betoog van de regering om te komen tot intrekking hangt erg samen met het onderwerp van deze staatscommissie, namelijk, zo betoogde de regering, het gaat toch eigenlijk niet aan om als de wetgever beredeneerd een wet heeft gemaakt, die nog voorwerp te laten zijn van een referendum. À propos, geldt datzelfde dan ook voor het toetsingsrecht. In beide gevallen kan je dan zeggen dat regering en Tweede Kamer wel erg snel voor de muziek uitlopen.

Het onderwerp van vertrouwen in de democratie en de kwaliteit en legitimiteit van het parlementair stelsel verdient het toch niet om vanwege een merkwaardig eerste referendum, met een inderdaad lastige kiezersuitspraak en onmiskenbare paradox van de geldigheidsdrempel van 35%, nu meteen af te serveren? Of om te betogen dat nu er geen correctief referendum komt we ook het raadgevend referendum kunnen afschaffen? In de wetenschap dat er een staatscommissie is, dat er vele voorstellen circuleren om de wet te verbeteren, en dat er ook een tweede referendum is gehouden, dat tot een heldere kiezersuitspraak heeft geleid en tot aangekondigde aanpassingen in de Wiv.

Ik vind dat opportunistisch rommelen met het staatsrecht. Dan weer wel een referendum, dan weer niet; dan een staatscommissie instellen en om advies vragen en tevens het advies van die commissie niet afwachten; en bovendien dit soort wijzigingen bij kleinst mogelijke meerderheid doorvoeren, als uitkomst van een onderhandelingsproces over een regeerakkoord waarin zaken tegen elkaar worden uitgeruild. Het gaat te ver om het staatsrecht en de hoofdregels van ons stelsel heilig te verklaren, maar gehaast en opportunistisch draaien aan knoppen en kenmerken van het stelsel, draagt denk ik niet bepaald bij aan vertrouwen in datzelfde stelsel.

Geef een hervorming nu eens een kans, evalueer na een wat langere periode, kijk of kleinere wijzigingen daarbij effect sorteren, wacht op het advies van de staatscommissie, en doe als wetgever wat de regering in de gewisselde stukken aangeeft als reden om het raadgevend referendum af te schaffen: geef als wetgever een beredeneerd en goed voorbereid oordeel.

Het nu aannemen van de intrekkingswet laat wat mij betreft zien wat er niet goed is aan het huidige stelsel: gevoel voor het staatsrecht en het respect voor het stelsel zijn gering en de Eerste Kamer is bij een aanvaarding ook niet echt de bescherming van constitutionele zuiverheid en doordachtheid. Zet met andere woorden de behandeling van het voorstel in de wachtkamer, wacht het advies van de staatscommissie af en bezie grondig met welke voorstellen een samenhangend pakket kan worden ontwikkeld waarmee (het vertrouwen in) het democratisch bestel kan worden vergroot. Soms is haastige spoed inderdaad niet goed.

1.

Deze bijdrage stond in