Montesquieu Institute: from science to society

Het aftreden van Zijlstra en de loyaliteit van de minister-president

111 dagen mocht Halbe Zijlstra (VVD) zich minister van Buitenlandse Zaken noemen. Op dinsdag 13 februari 2018 viel het doek. Zijn positie in het kabinet was onhoudbaar geworden na opeenvolgende publicaties in de Volkskrant over Zijlstra’s poging zichzelf groter te maken dan hij was; hij had, voor hij in functie trad, gelogen over zijn aanwezigheid bij een bijeenkomst met de Russische president Vladimir Poetin en had bovendien diens woorden verkeerd geïnterpreteerd.

Het was frappant te zien hoe minister-president Mark Rutte (VVD) aanvankelijk zijn partijgenoot en vriend voluit verdedigde. Op de dag waarop het interview verscheen waarin Zijlstra bekende dat hij een verhaal over Poetins vermeende territoriale ambities had geleend, ging Rutte pal staan voor zijn formatiekompaan: ‘Ik vind hem geloofwaardig, omdat de inhoud van het verhaal niet ter discussie staat.’ Toen een dag later bleek dat het verhaal wel degelijk voorwerp van dispuut was, viel er voor Rutte weinig meer te redden, behalve zijn eigen vege politieke lijf.

Een bekend patroon

De loyale reactie van de minister-president past in een patroon, zeker waar het onder vuur liggende partijgenoten betreft. In de voorgaande kabinetsperiode sprak Rutte zijn steun uit voor staatssecretaris van Financiën Frans Weekers. In 2014 stelde de minister-president dat Weekers ‘alle zorgen’ over de problemen bij de belastingdienst had weggenomen. Maar uit het daarop volgende Kamerdebat bleek dat de minister-president voor zijn beurt had gesproken. De Kamer had er allerminst vertrouwen in dat Weekers het dossier onder controle had en de staatssecretaris gaf met zijn hakkelende antwoorden ook geen blijk van groot zelfvertrouwen. Weekers verklaarde hierop over onvoldoende politiek vertrouwen te beschikken om de problemen daadkrachtig aan te pakken en trad af.

Een jaar later trad Rutte in het krijt voor zijn politieke peetvader Ivo Opstelten, die als minister van Justitie scherpe kritiek had gekregen. In een interview in het Algemeen Dagblad zei Rutte over Opstelten: ‘Ivo behoort tot de beste mensen die we hebben. Hij zit er bovenop, full focus. Dag en nacht.’

Visfraude

Wat langer geleden, in de zomer van 1990, raakte minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij Gerrit Braks (CDA) verstrikt in de netten van het parlement door nieuwe cijfers over de overschrijding van vangstquota. Nederlandse vissers haalden meer binnen dan volgens de EG-richtlijnen was toegestaan en bovendien zou de Algemene Inspectiedienst zich schuldig hebben gemaakt aan omkoping, althans dat waren de geruchten. Braks was in een voorgaande kabinetsperiode al eens op aangesproken op deze vermeende ‘visfraude’ en had toen beloofd de controles te verscherpen.

Toen in september 1990 de zaak opnieuw aan het rollen was gebracht, nam minister-president Lubbers het weer voor zijn partijgenoot Braks op. Hij vergeleek de controle op de visquota met de overschrijding van de maximumsnelheid op autowegen; de controle hierop was nooit honderd procent te doen. Bij een bijeenkomst voor de parlementaire pers voor de presentatie van de Miljoenennota begon Lubbers zomaar uit het niets ‘op persoonlijke titel’ over de positie van de minister van Visserij: ‘Ik zie geen elementen om geen vertrouwen meer te hebben in de heer Braks. Ik geloof dat het de houtworm in de democratie zou zijn als ministers aanblijven zonder vertrouwen van het parlement. Maar even slecht zou het zijn als ministers weg moeten vanwege geruchtvorming.’ Het mocht niet baten. Braks verloor het vertrouwen van coalitiefractie PvdA en trad op 16 september 1990 af.

Verbondenheid en vriendschap

Dat minister-presidenten als leiders van regeringscoalities moeite hebben met het vaarwel zeggen van collega’s is niet zo verwonderlijk. Zeker als het partijgenoten betreft gaat de samenwerking vaak ver terug in de tijd. Er is verbondenheid ontstaan en in sommige gevallen zelfs hechte vriendschap. Loyaliteit naar de persoon en naar de partij is dan een logische reactie. Als hoeder van de eenheid van het kabinet heeft de minister-president bovendien een taak de gelederen gesloten te houden en mogelijke conflicten in de kiem te smoren.

Daar komt nog bij dat een minister-president in de rol van formateur bij de kabinetsformatie kandidaten aanzoekt én beoordeelt. In deze zin draagt hij ook medeverantwoordelijkheid als een lid van het kabinet in de problemen raakt als er een lijk uit de kast komt. De verantwoordelijkheid kan hij enigszins van zich afschuiven als de beoogde bewindspersoon de standaardvraag bij de formatie ‘zijn er nog zaken die op enigerlei wijze in de toekomst een probleem op kunnen leveren?’ met ‘nee’ heeft beantwoord.

Toch pleit dat een minister-president niet geheel vrij. In het geval van Zijlstra dreigde Rutte te worden meegezogen in de draaikolk door onmiddellijk een verdedigingslinie op te werpen die geen stand bleek te houden. Als er twijfels ontstaan over de integriteit van een bewindspersoon doet hij er verstandig aan niet te reageren totdat hij de feiten op een rij heeft. Dat is in de snelkookpan van mediadruk en Kamervragen geen gemakkelijk op te volgen advies, maar het dient een groter doel. Twijfel aan de integriteit van een politieke ambtsdrager tast het gezag aan en brengt schade toe aan het vertrouwen in het politieke systeem als geheel. Een minister-president hoort het landsbelang te laten prevaleren boven het partij- of coalitiebelang.

Anne Bos is onderzoeker bij het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis. Op 28 maart aanstaande verdedigt zij haar proefschrift Verloren vertrouwen. Afgetreden ministers en staatssecretarissen 1967-2002. Het boek is vanaf die dag verkrijgbaar bij Boom Uitgevers Amsterdam.

1.

Deze bijdrage stond in