Montesquieu Institute: from science to society

Running gag: 'Het frustrerende gezeur van de Britten'

Monday, April 24 2017, analysis by Johan van Merriënboer, onderzoeker aan het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis van de Radboud Universiteit Nijmegen

Brexit ondanks een duidelijke 'Yes' bij het referendum van 1975

Op 29 maart 2017 deelde prime minister Theresa Mayde voorzitter van de Europese Raad per brief mee dat haar land de Europese Unie wilde verlaten conform artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.[1] Hiermee zette zij de uittredingsprocedure officieel in gang. De onderhandelingen over de scheidingsvoorwaarden moeten binnen twee jaar worden afgerond. Op 29 maart 2019 zal het lidmaatschap van Groot-Brittannië formeel beëindigd worden, na 46 jaar en drie maanden. Het geaarzel van de Britten over toetreden, blijven of vertrekken kent een lange voorgeschiedenis. Afgezien van de uitkomst doet de discussie over Brexit sterk denken aan het debat over blijven of vertrekken uit 1975. Hoe keken Nederlandse politici destijds aan tegen de Britse twijfels?

Op 23 juni 2016 stemde 51,9% van de kiesgerechtigde Britten – bij een opkomst van 72,2% – vóór het verlaten van de Europese Unie. Die dag was hen de volgende vraag voorgelegd: 'Should the United Kingdom remain a member of the European Union or leave the European Union?'

Daarmee loste premier Cameron een verkiezingsbelofte uit 2015 in. Met de toezegging van een referendum over het Britse lidmaatschap van de Europese Unie voorkwam hij dat Eurosceptische kiezers bij hem zouden weglopen. Die toezegging was bedoeld voor binnenlandse consumptie en wierp ook zijn vruchten af: het leverde hem bij de General Elections van 7 mei 2015 een onverwacht grote winst op. De belofte was gekoppeld aan renegotiations met Brussel over het integratietempo en eerder gemaakte Europese afspraken. Hierover werd in februari 2016 een deal gesloten.[2]

'Het empirische karakter van de Britse politiek buigt alleen voor feiten waarvan vastgesteld is dat ze niet opzij kunnen worden geschoven', stelde Alfred Mozer ooit in een debat over de Britse motieven ten aanzien van Europese integratie.[3] Dat empirische karakter heeft kennelijk een uiterste houdbaarheidsdatum van ongeveer veertig jaar. Het referendum van 2016 was immers een déjà vu. Op 5 juni 1975 werd een vergelijkbaar referendum gehouden dat een einde had moeten maken aan 25 jaar aarzelen door diezelfde Britten. Het ging toen om deze vraag: 'Do you think the UK should stay in the European Community (Common Market)?'

25 jaar aarzelen: in 1951 weigerde Groot-Brittannië mee te doen aan de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en in 1957 wilde het land niet deelnemen aan de onderhandelingen voor het Verdrag van Rome tot oprichting van de economische gemeenschap en de gemeenschap voor atoomenergie. In 1961 startte het toch onderhandelingen over een lidmaatschap die in 1963 stuitten op een veto van de Franse president De Gaulle, die zei geen Paard van Troje te willen binnenhalen. In 1967 probeerden de Britten het opnieuw, maar weer zette De Gaulle hen de voet dwars. Na het verdwijnen van De Gaulle startten nieuwe onderhandelingen die op 23 juni 1971 met succes werden afgesloten. Op 28 oktober van dat jaar stemde het Britse Lagerhuis vóór toetreding. Dat leverde een curieuze passage op in de Handelingen van de Tweede Kamer. Midden in een debat over de begroting van Volkshuisvesting, interrumpeerde VVD-Kamerlid Theo Joekes: 'Misschien zal de Minister en de Kamer het mij niet kwalijk nemen – ik ga daarmee tot de orde – als ik hem op deze historische dag vertel dat het Lagerhuis zojuist met 356 tegen 244 stemmen voor toetreding tot de Europese Economische Gemeenschap heeft besloten.'

De Kamervoorzitter en de minister van Volkshuisvesting grepen de interruptie meteen aan om namens de Kamer en de regering Engeland te feliciteren.[4] Dit kleine incident illustreert het enorme belang dat Nederland hechtte aan de Britse toetreding. Hoofddoel van het Nederlandse beleid ten aanzien van Europese integratie – en dan vooral van het departement van Buitenlandse Zaken – was om de Britten er zo snel mogelijk bij te betrekken. Premier Drees had in 1958 zelfs helemaal niet met de economische gemeenschap willen beginnen omdat de Engelsen niet meededen. Hij werd overruled door de rest van zijn kabinet.

Nederland verwachtte dat de Britten tegenspel zouden kunnen bieden aan de Fransen, die verdere politieke integratie voortdurend blokkeerden, en dat zij het Nederlandse streven naar meer bevoegdheden voor het Europees parlement krachtig zouden ondersteunen. Maar dat viel enorm tegen. De opstelling van Labourleider Harold Wilson leidde begin jaren zeventig al meteen tot vijf jaar oponthoud in Brussel.

Precies zoals in 2016 ging het bij het referendum van 1975 primair om een verkiezingsbelofte voor binnenlands gebruik die eveneens gekoppeld moest worden aan renegotiations. Het politieke probleem lag destijds niet op het bord van de conservatieven, maar op dat van Labour. Bij de stemming in het Lagerhuis op 28 oktober 1971 stemden namelijk 99 Labour MP's voor en 199 tegen, inclusief hun politieke leider Wilson. Er stemden slechts 39 conservatieven tegen toetreding, een grote meerderheid was voor. Wilson verklaarde dat hij in principe wel voor toetreding was, maar niet onder de voorwaarden die de conservatieve premier Heath in Brussel uit het vuur had gesleept.

Nadat Heath in 1972 het toetredingsverdrag getekend had, nam het verzet binnen Labour – aangevoerd door de machtige vakbond Trade Union Congres (TUC) – sterk toe. De stemming bij de second reading van de Bill of Entry eind februari 1972 was kantje boord: 309 tegen 301, precies langs partijlijnen. De nieuwe voorzitter van de Europese Commissie – de politiek geprofileerde Nederlander Sicco Mansholt die nooit een blad voor de mond nam –, gooide daarna ook nog eens olie op het vuur. Op 27 maart 1972 zei hij in een persconferentie:

'As a Socialist I am ashamed. Fundamentally, Socialists must be internationalists and I see no reason why the Labour Party adopted the attitude it did over the results of the entry negotiations. [I do] not think the Commission or even [I] personally would have a direct influence on Mr Wilson. But [I am] convinced that within four years a majority of the Labour Party would look back on the stupidity it had shown in 1971 and 1972.'

Twee dagen later schaarde de Labourfractie zich achter een voorstel van anti-Europese conservatieven om een referendum te houden over de Britse toetreding. Wilson stelde dat hij de meerderheid van zijn partij alleen maar achter zich kon krijgen bij gunstiger toetredingsvoorwaarden na een renegotiation. Mansholt reageerde furieus: 'Britain has signed a treaty that will be ratified by nine Governments. If she wants to renegotiate a new treaty, it has to be signed by all nine; she won’t get it. […] If British Socialists intended to block the community’s development – by adopting an “empty chair” policy – they will have sunk pretty low.'

Wilson slaagde er nietemin in de meerderheid van zijn partijcongres achter een renegotiation-motie te krijgen. Twee weken later, op 17 oktober 1972, verdedigde hij zijn standpunt in het Lagerhuis, waarbij hij opmerkte: 'Since I have referred to fresh negotiations, I must refer to the importunings of Dr. Mansholt, the present, and very lame duck, President of the Commission.' Volgens Wilson kon commissaris Mansholt helemaal geen besluit nemen op een terrein waar de Raad bevoegd was.

In januari 1973 verwelkomde Mansholt de Britten in Brussel: 'Welcome mes amis. Your luxury quarters are not quite ready,’ aldus een cartoon in The Guardian. Niet alle inkomensgroepen en niet alle regio’s zouden meteen al profijt trekken van de Common Market.

 
Cartoon Leslie Gibbard, 4 januari 1973
Bron: http://www.cartoons.ac.uk/record/23669

Bron: Cartoon Leslie Gibbard, in: The Guardian, 4 januari 1973, http://www.cartoons.ac.uk/record/23669

Labour deed overigens nog niet mee: van de 36 zetels die de Britten mochten innemen in het Europees Parlement bleven er 16 leeg, 'a stupidity of the first order […] We need all the progressive forces we can get', aldus opnieuw Commissievoorzitter Mansholt.

Nadat Wilson in maart 1974 de verkiezingen van Heath had gewonnen startte hij de renegotiations, die in maart 1975 met succes werden afgerond. De Labour-regering beval vervolgens aan om bij het referendum van 5 juni 'Yes' te zeggen, hoewel het kabinet verdeeld was – net als in 2016 – en een Labour-partijcongres zich op 26 april nog in meerderheid voor 'No' had uitgesproken. Met vooruitziende blik berichtte De Telegraaf op 3 juni 1975, twee dagen voor het referendum: 'Een duidelijke uitspraak van het Britse volk over het EEG-lidmaatschap wil nog niet betekenen dat Brussel van het frustrerende gezeur van de Britten af is. Op het EEG-hoofdkwartier in Brussel houden de meeste Eurocraten in ieder geval ernstig rekening met een hernieuwd diplomatiek touwtrekken van de Britten, hoe de uitslag van het referendum van komende donderdag ook moge uitvallen'.

Op 5 juni stemde uiteindelijk ruim 67% van de Britten voor blijven in de Common Market. De opkomst was aan de hoge kant, 68%, en de uitkomst was een grote verrassing. Men had niet verwacht dat de steun zo massaal zou zijn. 'Britten nu definitief lid Euro-familie', kopte De Telegraaf op 7 juni. Realistisch wees de NRC van diezelfde dag op een recente verklaring van Wilson dat de verwezenlijking van een economische en monetaire Europese Unie in de afzienbare toekomst even waarschijnlijk was als het ideaal van totale ontwapening, en op het commentaar van oppositieleider Heath op de uitslag dat Europa zeker niet op weg was naar een federatie.

Respons Eerste Kamer

Nederlandse politici hoopten ten slotte dat er eindelijk een eind zou komen aan de verlamming in Brussel. De eerste reacties klonken op 10 en 11 juni bij een debat over de begroting van Buitenlandse zaken in de Eerste Kamer.

Van Hulst (CHU): 'Het is zeer verheugend, dat het referendum in Engeland overduidelijk de politieke wil van het Britse volk tot uitdrukking bracht om bij Europa te horen. Na het bekend worden van de uitslag pronkte Wilson wel enigszins met conservatieve veren, maar dat vergeven wij hem graag. De strijd van pro's en contra's is in Engeland niét áltijd met Europese motieven gevoerd, maar een feit is dat de splendid isolation wellicht definitief voorbij is.'

Louwes (VVD): 'Het heeft ons deugd gedaan, dat de Britten op overtuigende wijze neen hebben gezegd tegen het eenzijdig en gepolariseerd gekakel van uiterst links en uiterst rechts.'

Nederhorst (PvdA): 'Wij ontveinzen ons echter niet, dat er, nu deze Britse toetreding nu ook door het Britse volk is gesanctioneerd, van deze kant ongetwijfeld een remmende invloed zal blijven uitgaan op weg naar intensieve Europese samenwerking. Ook is de anti EEG-stemming bij een minderheid van het Britse publiek niet meteen als sneeuw voor de zon verdwenen. Men moet de Engelsen de tijd geven zich met de gedachte van Europese integratie vertrouwd te maken. Dat is de prijs die wij voor de toetreding van Engeland tot de gemeenschap moeten betalen. Voor ons betekent dit, dat wij de strijd voor algemene verkiezingen voor het Europees Parlement en voor meer bevoegdheden van dit parlement onverminderd zullen blijven voeren, in het vertrouwen, dat wij onze collega's van de Engelse Labour Party aan onze zijde zullen vinden.'

Schuijt (KVP): 'Door dit […] referendum kan in elk geval een historische wending voortspruiten voor de samenwerking in Europa. Wij verheugen ons hierover. De oude, helaas nog eens gefrustreerde verwachting, dat het democratische bestel van de Gemeenschap door dit Britse besluit zal worden versterkt, begint bij ons voorzichtig te herleven. De discussies over Europese verkiezingen en over de politieke unie krijgen nu in ieder geval een reëlere politieke dimensie.'

Minister Van der Stoel (PvdA) reageerde ook verheugd: 'De onzekerheid en twijfels over het Britse lidmaatschap kunnen hiermee niet anders dan definitief naar het verleden worden gewezen. Naar mijn mening verdwijnt hiermee een belangrijk obstakel voor de voortgang in de Europese samenwerking en ik verwacht nu de volle Britse medewerking bij het streven, gezamenlijk uit deze moeilijkheden te komen. […] Een nu volledige Britse medewerking aan het Europese Parlement zal, voortbouwend op de Britse democratische tradities, ertoe bijdragen het Europese Parlement effectiever te doen zijn. [...] De eerste uitlatingen van premier Wilson over het referendum wijzen op een positieve en constructieve Britse houding, hoewel ik niet uitsluit, dat de Nederlandse doelstellingen ten aanzien van het integratieproces verder reiken dan die, welke de heer Wilson op dit moment zou willen onderschrijven.'

Veertig jaar later bleken de twijfels over het Britse lidmaatschap helemaal niet definitief tot het verleden te behoren. Versterking van de structuur van de Europese Gemeenschappen stond nooit op het verlanglijstje van de Britten, en versterking van de Europese Unie alleen als dat Londen politieke winst opleverde. ‘Het empirische karakter van de Britse politiek buigt alleen voor feiten waarvan vastgesteld is dat ze niet opzij kunnen worden geschoven,’ zei Alfred Mozer al in 1959. Dat de Europese Unie een politiek feit is dat niet opzijgeschoven kan worden, moet kennelijk eerst maar weer eens proefondervindelijk worden vastgesteld. Zullen de 27 overgebleven lidstaten bestand zijn tegen het beproefde Britse recept van verdeel en heers? Dat belooft wat, de komende twee jaar.

 
We're in
Bron: NA Beeldbank

Bron: 'We're in', 1 januari 1973, NA Beeldbank

[1] https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/0/0f/Prime_Ministers_letter_to_European_Council_President_Donald_Tusk.pdf

[2] http://www.theguardian.com/politics/2016/feb/02/eu-deal-key-points-what-cameron-wanted-and-what-he-got

[3] http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn4/mozser

[4] HTK, 1971-1972, p. 694