Montesquieu Institute: from science to society

De formatie van 2017: “soepel” op weg naar een middenkabinet?

Peter Bootsma, promovendus Maastricht University

Een raadsel. Wat is het verschil tussen PVV of VVD als grootste partij? Het antwoord: alleen een paar maanden en een hoop misbaar van Wilders.

Volgens de peilingwijzer scoren PVV en VVD allebei rond de 25 zetels, en het CDA, GroenLinks en D66 rond de 16 zetels. Hoewel het weinig uit zal maken voor de uiteindelijke coalitie, maakt het wel degelijk verschil of de PVV dan wel de VVD de grootste wordt. De grootste partij mag immers als eerste een coalitie proberen te vormen. Dat was ook het geval in 1977 en in 1982. Toen kreeg de PvdA als grootste partij het voortouw in de formatie, maar belandde toch in de oppositie. Sinds 1982 levert de grootste partij steeds de premier.

2017 kan best de eerste uitzondering in 35 jaar worden. Wordt de PVV (al is het maar iets) groter dan de VVD, dan zullen op 16 maart alle ogen gericht zijn op Geert Wilders en op Khadija Arib. Zij schijnt een goede kans te maken Kamervoorzitter te mogen blijven, maar is dat sowieso nog tot 23 maart als de nieuwe Kamer wordt geïnstalleerd.

Zoals in 2012 Henk Kamp eerst een week verkenner was (en daarna met Wouter Bos informateur), zo zal ook nu de grootste partij eerst een verkenner mogen voordragen. Als Wilders slim is (en dat is hij) heeft hij daartoe al een kandidaat in de coulissen staan, en wel iemand uit de partij die hij het hardst nodig zal hebben om een coalitie te vormen. Dat is onmiskenbaar de VVD. Hij zou bijvoorbeeld kunnen voorstellen dat het erelid H. Wiegel te Oudega maar eens moet gaan verkennen. Daar hoeft de VVD niet eens mee akkoord te gaan: als alle andere partijen dat een goed idee vinden, kan Arib meedelen dat er een zeer ruime meerderheid is voor een verkenning door Wiegel. Die heeft dan eerst acht dagen de tijd, maar als hij meer tijd nodig heeft wil de nieuw gekozen Kamer hem misschien zelfs nog wel tot informateur kiezen. Dan heeft hij alle tijd voor zijn werk. Dat de VVD een nieuw avontuur met Wilders echt aan zal willen gaan blijft ook dan nog onwaarschijnlijk. Voor het CDA geldt dat nog sterker; alleen Henk Krol schijnt er wel oren naar te hebben.

Wiegel zal willen informeren zoals Ruppert in 1972/1973: maandenlang systematisch de mogelijkheden nagaan. Wilders kan bijvoorbeeld weer een gedoogrol aannemen, of het premierschap bij de VVD laten. De kans is echter groot dat Wiegel en met hem Wilders uiteindelijk buiten de boot zullen vallen – de laatste ongetwijfeld met veel misbaar.

Dan komt alsnog het scenario dat al meteen intreedt als de VVD de grootste wordt. Rutte heeft (net als in 2010 en 2012) ook al een verkenner/informateur in de coulissen klaar staan: dat zou bijvoorbeeld Halbe Zijlstra, Edith Schippers of Jeanine Hennis-Plasschaert kunnen zijn. Die zal snel vaststellen dat er met de PVV niet geregeerd kan worden en de meerderheid gaan zoeken bij de middenpartijen CDA en D66. Op basis van de peilingwijzer is niet eens zeker of opname van de daarna grootste partij, GroenLinks, tot een meerderheidscoalitie zal leiden. Dan wordt het nog ingewikkelder. Een alternatief is er echter niet. Die vier partijen hebben (tot 2019) ook in de Eerste Kamer een meerderheid, en dat scheelt een hoop gedoe, zo zal de ervaring van de afgelopen vijf jaar Rutte geleerd hebben.

En toch. De formatieprocedure kan veel makkelijker. In Duitsland zijn in september verkiezingen. Daar wijst alles erop dat er “gewoon” wederom een grote coalitie zal komen van CDU/CSU en SPD. Twee partijen die vermoedelijk de nieuwe Bondsdag wel gaan halen, Die Linke en Alternative für Deutschland, zijn bij voorbaat niet koalitionsfähig, maar kunnen wel voorkomen dat een van de beide (sinds 1983) blokken van CDU/CSU en FDP enerzijds of SPD en Groenen anderzijds een meerderheid behaalt. Twee grote coalities achter elkaar had de Bondsrepubliek nog niet eerder: het zal de discussie over politikverdrossenheit vast weer flink doen oplaaien.

Eén ding doen de Duitsers al sinds 1949 beter dan wij: partijen zeggen daar vóór de verkiezingen met wie ze denken te gaan regeren, zodat daar op de verkiezingsavond wel duidelijk is welke coalitie er komt. De partijleiders vormen die dan “gewoon” zelf. Dan kan het nog steeds even duren, maar die tijdsduur staat in geen enkele verhouding tot alle Nederlandse schermutselingen.

De auteur hoopt op 9 maart te promoveren aan de Universiteit Maastricht op het proefschrift ‘Coalitievorming – Een vergelijking tussen Duitsland en Nederland’.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 27 februari 2017.