Montesquieu Institute: from science to society

Piet de Jong in oneliners, citaten en anekdotes

Johan van Merriënboer is als onderzoeker verbonden aan het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis van de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij schreef een biografie over Piet de Jong.

Oneliners

  • 1. 
    ‘In de hogere rangen, dus in de ijlere luchtlagen, bruist men niet altijd van energie’
  • 2. 
    Naar aanleiding van voorziene relletjes bij een NAVO-bijeenkomst in Den Haag: ‘Ik ben voor de brandspuit: lui met een natte broek kunnen niet zo kwaad worden’
  • 3. 
    ‘De mens is zelden inventiever dan wanneer het erom gaat elkaar uit te moorden.’
  • 4. 
    Over de opkomst van de alternatieve kabouterpartij bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1970: ‘Een vleugje parfum tussen de spruitjes’
 
Piet de Jong - Eppo Doeve Elsevier 13 juni 1970

(Eppo Doeve in Elseviers Magazine, 13 juni 1970)

  • 5. 
    (A).‘Ik ben voorstander van pornografie. Het is tenslotte het enige middel tegen zeeziekte.’(notitie collega uit de MR, 4 juli 1969)

    (B)‘Ik heb me onlangs eens wat pornografie aangeschaft… eh, mijn zoon met een tas vol degelijke pornografie thuis laten komen. Ik moet zeggen: Het is niet meer wat het geweest is”.’(14 nov. 1969)

    (C) ‘...’t Is geen zeevarend volk, hè’ (over de preutse opvattingen van de Belgische minister van Justitie over pornografie, 12 juni 1970)

  • 6. 
    ‘Als het tij gunstig is, moet je toehappen.’
  • 7. 
    ‘De commandant is beslissend voor de stemming aan boord.’
  • 8. 
    Bij de beoordeling van karakters van andere mensen paste De Jong zijn eigen, bijzondere lakmoestest toe: ‘Zou ik hem in oorlogstijd aan boord willen hebben?’
  • 9. 
    Over zijn oorlogsdecoraties: ‘Al die blikjes zijn niet meer dan het stof dat onderweg aan je schoenen kleeft.’
  • 10. 
    Na afloop van zijn beëdiging tot staatssecretaris voor de Marine in 1959 kreeg koningin Juliana van haar voormalige adjudant te horen: ‘Zo ziet u maar hoe een mens aan lagerwal kan raken.’

Citaten

  • 1. 
    ‘Als het spannend wordt, kijkt iedereen naar de commandant: wat voor gezicht trekt hij. Je moet dus net doen of het allemaal gewoon is. Dieptebommen, schokken, rare geluiden: allemaal heel gewoon. En je moet nooit gaan schreeuwen. Als het gevaar is geweken, dan ga je naar beneden, naar je hut – daar mag je je laten gaan, met knikkende knieën even op bed gaan liggen.’
  • 2. 
    ‘Als je eenmaal het suizen van de zeis [...] hebt gehoord, dán is het leven daarna een heel beetje anders geworden. Je hebt dan voor je hele verdere leven geleerd te relativeren. Je gaat losser staan tegenover de materiële dingen.’
  • 3. 
    ‘Britten vechten in het algemeen meer doelgericht, terwijl de apparatuur van de Fransen vaak het meest perfect is. De laatsten hebben echter de neiging intellectueel te gaan redeneren, terwijl de eersten het simpeler aanpakken, met meer resultaat. De Amerikanen gaan meteen grootschalig van start, terwijl anderen meestal klein beginnen en het verder laten uitgroeien. De VS voerden ook meteen total and unrestricted submarine warfare.’
  • 4. 
    ‘De zee is prachtig, en altijd weer anders. [...] Vooral met ruw weer, die wolken, die zuilen van water. [...] Op zee zijn de beelden onbedorven – daar heeft geen mensenhand aan zitten knutselen. […] Het feestelijke gevoel aan de vooravond van een vertrek is met niets te vergelijken. Het idee dat je weer een hele tijd op zee zal zijn, dat is bijna bevrijdend. Al het geharrewar aan wal ben je kwijt, je hebt je eigen, overzichtelijke bedrijf. Ik heb vele jaren over zee gezworven, dat doet iets met je. Je vindt daarna de andere kant van de kustlijn een beetje bekrompen. […] De zee heeft mij gemaakt tot wat ik nu ben.’
  • 5. 
    Over zijn opvattingen over de Nederlandse binnenlandse politiek, kort na de oorlog: ‘Ik vond het eigenlijk allemaal een beetje dorpspolitiek, een beetje kneuterig. Opwinding over niks, waarover ik me niet kwaad kon maken.’
  • 6. 
    De Jongs antwoord op het betoog van een PSP-Kamerlid die vond dat de dreiging van de Sovjet-Unie was afgenomen en de Defensie-uitgaven drastisch omlaag konden: ‘De geachte afgevaardigde staat daar wat alleen in. Nu is het natuurlijk niet zo, dat hij, gezien zijn betrekkelijke eenzaamheid per definitie een onjuist standpunt huldigt. De geschiedenis kent vele voorbeelden van mensen, die een andere opinie hadden dan vele anderen en toch gelijk hadden. Zijn positie doet mij toch wel een beetje denken aan het beroemde verhaal van de trotse moeder, die haar zoon zag meemarcheren in de troep en die zei: “Kijk, zij zijn allemaal uit de pas, behalve onze Willem”.’
  • 7. 
    Toen De Jong op een persconferentie gevraagd werd of de regering van plan was een steviger houding aan te nemen tegenover het kolonelsregime in Griekenland, antwoordde hij: ‘Kijk, we moeten wel even goed nadenken ... in Twente maken ze van die lange onderbroeken en de Grieken zijn de enigen die onze broeken nog aan willen. Nou kan je wel stappen nemen maar dan moet je wel denken aan de gevolgen.’
  • 8. 
    De Jongs opvattingen over gezagshandhaving in het roerige jaar 1969, uit de notulen van de MR van 19 mei 1969: ‘Aarzelingen aan de top planten zich voort door het gehele overheidsapparaat met alle funeste gevolgen van dien.[…] De wijze waarop de democratie haar weg vindt is aan voortdurende verandering onderhevig. [...] Dit proces kent perioden van heftige beweging en van betrekkelijke rust, wanneer zich nieuwe regels hebben uitgekristalliseerd.[..] Is er slechts sprake van een rel om de rel, dan zal krachtig moeten worden ingegrepen. Bestaan er gerechtvaardigde grieven dan zal het gezag ruimte moeten geven voor overleg.’
  • 9. 
    De Jongs Atlantische militaire opvattingen kwamen duidelijk naar voren in zijn analyse van het Russisch/West-Duitse niet-aanvalsverdrag van augustus 1970, opgenomen in de notulen van de MR van 20 augustus 1970:

    ‘De minister-president wijst erop dat de waarde van een verdrag doorgaans niet blijkt uit de tekst. Volgens de tekst van dit verdrag zijn alle voordelen aan de Sovjet-Unie en heeft West-Duitsland daarvoor niets zwart-op-wit teruggekregen. Bij verdragen komt het echter in wezen aan op de politieke wil van de daarbij betrokken volkeren.

    Spreker wijst er voorts op dat West-Duitsland in het verleden steeds van de NAVO en van de afzonderlijke West-Europese landen heeft verlangd zich te stellen achter de Duitse politiek met betrekking tot de Sovjet-Unie en de DDR. West-Duitsland heeft nu, zonder overleg met de bondgenoten, een bilateraal akkoord met de Sovjet-Unie gesloten, waaruit grote economische voordelen voor West-Duitsland kunnen voortvloeien.

    Spreker is van oordeel dat de EEG-landen aan de in het verledenbetoonde solidariteit nu het recht kunnen ontlenen om mee te profiteren van de economische voordelen van dit verdrag. Nederland zal dit punt zeker in de EEG aan de orde moeten stellen.

    Spreker is het met staatssecretaris [van Buitenlandse Zaken] De Koster eens dat het politieke zwaartepunt in West-Europa nu duidelijk verschoven is naar Bonn. Dit versterkt de Nederlandse opvatting dat Groot-Brittannië zo snel mogelijk lid moet worden van de EEG.

    Hij wijst er voorts op dat het Russisch-Westduitse verdrag koren op de molen is van de isolationisten in de VS. De aandrang om de Amerikaanse troepen uit Europa terug te trekken zal zeker toenemen. De waarde van deze troepen is niet zo zeer een militaire als wel een politieke. Zij zijn immers onze politieke gijzelaars, die er borg voor staan dat de Amerikaanse nucleaire paraplu zich ook over West-Europa blijft uitstrekken. Worden deze troepen teruggetrokken dan komt West-Europa in groot gevaar. Helaas moet worden geconstateerd dat dit gevaar steeds dichterbij komt.’

  • 10. 
    ‘Mijn tijd ging om omgaan met macht. Daar had ik verstand van. Ik zou in een economische crisis nooit goed hebben gefunctioneerd. Hoe je nou met rellen moest omgaan, dat vond ik leuk. Grappig hoe goed dat paste.’

Anekdotes

  • 1. 
    ‘Die grenscorrectie bij Elten vond ik allemaal geknutsel en ik heb ook nooit echt zware gevoelens gehad over Duitsland. Ik vond het vanzelfsprekend dat het weer over was. Ik herinner me in dit verband de toespraak van Churchill: "Grass grows quickly over the battlefield, over the scaffold never." Dat is volstrekt juist. Je moet rekening houden met de belangen van een land, dat is evident. Duitsland werd ook ingeschakeld bij de westerse defensie. Daar had ik geen problemen mee, dat had ook Schuman goed gezien: als je ze nou maar samenbrengt dan hoef je geen oorlog meer voeren.

    Ik had nooit uitgesproken anti-Duitse ideeën gehad. Ik heb wel eens iets gehad met een vervelende vent, een echte Pruis. We zaten samen in Frankrijk, Parijs, en ik vond het een gluiperige vent. Dat merkte hij denk ik aan mijn gezicht, en toen zei hij dat hij zich wel voor kon stellen dat het voor een Nederlander een gevoelige zaak was, met de bezetting en zo. Toen heb ik botweg gezegd dat ik daar niet zo vreselijk veel last van had. De enige Duitsers die ik in de oorlog heb gezien waren drenkelingen en krijgsgevangenen!’

  • 2. 
    Toen De Jong minister-president was, organiseerde hij eens een reünie in het Catshuis voor de bemanning van zijn onderzeeboot, de O-24: ‘Ze kwamen allemaal netjes onder leiding van de schipper aan marcheren. [...] Er was een heleboel jenever en bier en rijsttafel, nasi goreng, en iedereen zat vol verhalen.’ De kok vroeg of hij het huis mocht bekijken. ‘Ik zei: “Ja, dat is uitstekend, kok, ik zal iemand vragen om je even rond te leiden.” Hij vond het allemaal prachtig. En toen kwam hij weer bij mij en zei: “Commandant, je woont hier netjes.”
  • 3. 
    ‘Iemand zal op de winkel moeten passen’, luidde een kop in het Algemeen Dagblad van 4 april 1967. In een televisie-interview met Joop van Tijn uit 1971 vertelde De Jong dat hij de uitdrukking ‘minding the shop’ indertijd gebruikt had ‘om een beetje tegen allerlei toekomstvisies in te gaan’. De Engelse uitdrukking was volgens hem ook niet goed vertaald. Het houdt in dat je de zaak goed draaiende moet houden. ‘Op de winkel passen’ is veel te passief. ‘De essentie van “minding the shop” werd door journalisten indertijd niet begrepen’, aldus De Jong achteraf.
  • 4. 
    ‘Op zekere ochtend vertelde Luns aan mij dat hij weer eens zijn mooie droom had gedroomd. Mooie droom?, vroeg ik. "Ja", zei Luns, "een vrachtauto dendert de hoek om, ik spring opzij, jij wordt gegrepen, Piet. Je ligt bloedend op straat, het is duidelijk dat je stervende bent, nog één keer kijk je op en ik hoor je fluisteren: ‘Josèph, neem het over'."
  • 5. 
    De Jong heeft de geboorte aangegeven van de drie kinderen van prinses Beatrix. Hem werd gemeld dat Willem Alexander geboren was toen hij bezig was met de soep tijdens een diner aangeboden aan de koning van Nepal. Hij ging meteen in rok met al zijn ‘blikjes’ naar de tv-studio in Hilversum en keerde weer terug toen men al met de koffie bezig was.
  • 6. 
    Volgens De Jong hoefde hij als minister-president veel minder hard te werken dan een gewone minister. De raadadviseurs hielden immers alles voor hem in de gaten. Zij zeefden alle informatie die hij nodig had om zijn coördinerende taak uit te oefenen. In de stukken voor de ministerraad streepten zij aan wat zij voor de minister-president van belang vonden. Hun ‘uitstekende steun’ zorgde er volgens hem voor dat de zaak ‘redelijk te managen’ bleef.

    Hij kreeg enkel zaken op zijn bord die ‘een beetje aangebrand’ waren. Met alle relevante factoren op tafel nam hij ten slotte een beslissing, soms mede afhankelijk van de overweging: ‘Kan ik mezelf nog wel aankijken als ik dit of dat doe?’ Bij 50/50-beslissingen kon een persoonlijke voorkeur op een bepaald moment de doorslag geven en was het volgens hem zaak bij de presentatie de minpunten een beetje aan te dikken en de plussen wat op te poetsen.

  • 7. 
    Op 29 november 1968 sloot premier De Jong een baanbrekende dertien minuten durende televisietoespraak waarin hij de verhoging van het Defensiebudget na de Russische inval in Tsjechoslowakije verdedigde af met: ‘Want, dames en heren, veiligheid en vrijheid is een voorwaarde voor al het andere.’
  • 8. 
    Toen Klompé wilde ingrijpen bij de bezetting van de Nachtwachtzaal in het Rijksmuseum door jonge kunstenaars slaagde De Jong erin dat plan uit haar hoofd te praten met de nuchtere vaststelling dat die lui het op de koude marmeren zaal toch niet lang zouden uithouden.
  • 9. 
    De ministerraadnotulen van 3 juli 1970 over het agendapunt ‘Herziening van het decoratiestelsel’ beginnen aldus: ‘De minister-president merkt op dat na drie jaar lankmoedigheid een einde is gekomen aan zijn geduld omdat het kabinet zich belachelijk maakt als de discussie over de herziening van het decoratiestelsel nog langer voortduurt.’ De Jong drukte vervolgens zijn opvatting door ondanks het feit dat de rest van de raad er anders over dacht.
  • 10. 
    Tijdens de Molukse gijzeling van de ambtswoning van de Indonesische ambassadeur in Wassenaar begaven De Jong en Luns zich op een bepaald moment naar buiten om de toestand in ogenschouw te nemen. Later hoorde De Jong van een advocaat van de Molukkers dat de gijzelnemers een scherpschutter op zolder hadden gezet, die aanvankelijk De Jong op de korrel had genomen. Na een tijdje besloot hij evenwel dat de premier een ‘moeilijk schot’ zou zijn – ‘Dat kleintje is te moeilijk, ik neem die grote’ – en daarom koos hij de boomlange Luns als doelwit uit. Lachend vertelde De Jong dit door aan Luns: ‘Nu heb ik ook eens profijt van mijn geringe lengte gehad! [Hij was 1.62 meter lang.]

Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 29 augustus 2016.