Montesquieu Institute: from science to society

Een jaar Juncker: ambitie, activisme en afhankelijkheid

Eén jaar geleden trad de nieuwe Europese Commissie aan onder voorzitterschap  van Jean-Claude Juncker; tijd voor enige conclusies over de wijze waarop de Luxemburger  tot nu toe invulling heeft gegeven aan zijn functie. Enkele verwachtingen bij zijn start zijn uitgekomen.

De Commissie heeft het afgelopen jaar een sterker politiek en minder bureaucratisch profiel gekregen, mede door de doorslaggevende rol die het Europees Parlement na de Europese verkiezingen in mei 2014 speelde bij de benoeming van de huidige Commissievoorzitter. Hierdoor kan Juncker zich onafhankelijker van de Europese Raad opstellen: hij is immers niet dankzij de Europese Raad op de betreffende positie terechtgekomen. Hij heeft van dit novum gebruik gemaakt door zelfvertrouwen te tonen en zo nodig de confrontatie met de (grote) lidstaten aan te gaan. 

Meer dan zijn voorganger Barroso mengt Juncker zich in gevoelige kwesties en draagt zo bij aan het verscherpte profiel en de vergrote zichtbaarheid. Daar komt de assertieve houding bij die Juncker aanneemt ten opzichte van Tusk, de voorzitter  van de Europese Raad – geheel anders dan indertijd het geval was bij Barroso versus Van Rompuy. De huidige Commissie bepaalt haar eigen agenda en weigert zich op te stellen als ‘secretariaat’ van de Raad. In het verlengde daarvan profileert Juncker zich meer als ‘president’ dan als ‘voorzitter’; met zijn activistische opstelling stijgt hij uit boven de traditionele status van primus inter pares.

Juncker weet daarbij gebruik te maken van zijn jarenlange Europese ervaring, zijn (talen)kennis en zijn vermogen gesprekspartners voor zich in te nemen. Hij staat erom bekend een atmosfeer van begrip en vertrouwen te scheppen. In zijn nieuwe functie had hij daarmee niet altijd succes. Tijdens de Griekse schuldencrisis werden zijn pogingen een vertrouwensrelatie met de Griekse leider Tsipras op te bouwen door de laatste regelmatig beschaamd, tot grote teleurstelling van Juncker. 

Gevolg was dat zijn aanvankelijk vooraanstaande rol gaandeweg het onderhandelingsproces met Athene in belang afnam. Toch heeft Juncker de Commissie naar buiten toe zichtbaarder gemaakt dan het geval was onder de drie voorgaande voorzitters Santer, Prodi en Barroso. De instelling straalt ambitie uit en haar voorzitter is bereid zijn nek uit te steken, ook al leidt dit nu en dan tot een diplomatieke nederlaag. Mede door deze toegenomen politisering is de positie van de president ook binnen het eigen apparaat verstevigd. Juncker is de onbetwiste leider; hij staat bovenaan de hiërarchie, met de loyale Timmermans direct onder zich.

Toch is het niet alleen hosanna. De Commissie is in haar eerste jaar op stevige obstakels gestuit. Juncker moest opereren in een tijd van verder oplopende euroscepsis, wat zijn manoeuvreerruimte aanzienlijk beperkt. Wat daarbij niet helpt is dat hij weliswaar wordt gezien als een man van vele talenten – slim, doelgericht, pragmatisch, humoristisch – maar ook als iemand ‘zonder eigenschappen’ en zonder een duidelijke visie op de ontwikkeling van Europa. Het is moeilijk hem te plaatsen, zijn imago van ‘smooth operator’ werkt soms tegen hem.  

Daarnaast zijn de marges voor onafhankelijk opereren van de Europese Commissie onveranderd smal, zo blijkt uit de Griekse schuldencrisis, maar ook uit de migratieproblematiek waarmee Europa sinds enige tijd te maken heeft gekregen. Juncker schuwt de confrontatie niet, maar als het erop aankomt is de stem van de regeringsleiders, en vooral van de Duitse Bondskanselier, nog altijd doorslaggevend. Merkel heeft daarbij het voordeel op verschillende borden te kunnen schaken. In de Griekse crisis liet zij Juncker lange tijd zijn gang gaan, maar in de eindfase van de onderhandelingen nam Raadsvoorzitter Tusk het voortouw, met Duitse instemming. In het vluchtelingendebat leunt Merkel juist weer sterk op Juncker en Timmermans. De Commissievoorzitter in Brussel toont ontegenzeggelijk ambitie, maar het is Berlijn dat de marges bepaalt.