Montesquieu Institute: from science to society

Interview met Arie de Jong

Jong, Ir. A. de

Arie de Jong, PvdA-Tweede Kamerlid (1990-1994 en 1997-1998) en provinciebestuurder uit Leiden. Was als ambtenaar werkzaam op het ministerie van VROM. Daarnaast actief als bestuurder op cultureel gebied in Leiden, als bestuurder van het PvdA-gewest Zuid-Holland en later als commissaris bij woningstichtingen. Als Kamerlid met name deskundig en actief op het gebied van de volkshuisvesting. Tussen zijn twee periodes in de Kamer directeur op het kabinet voor Antilliaanse zaken. In 1999 kort gedeputeerde van Zuid-Holland, maar 'slachtoffer' van de Ceteco-affaire. Is nu voorzitter van de Stichting Wandelnet.

Was de Tweede Kamer in uw tijd beter dan nu? Denk aan aandacht incidenten, stijl van het debat, organisatie, faciliteiten. 

Er kan niet echt in termen van "beter" of slechter worden gesproken. Dat er het een en ander veranderd is, is duidelijk. Er kan gezegd worden dat ten opzichte van de periode dat de Jong zelf in de Tweede Kamer zat (jaren negentig) de verandering relatief is, want veel veranderingen strekken zich over een periode van decennia uit. Zo wordt er nu veel tijd verspild aan incidenten en het "theater van de politiek". Daar zijn allerlei redenen voor, maar onvermijdelijk maakt dat het functioneren van de Kamer en van de leden oppervlakkiger en minder effectief. Ook is de coalitiedwang enorm gegroeid, en dat ligt niet zozeer aan de spanning tussen de samenstelling van Tweede en Eerste Kamer, maar zeker ook aan de geringe vastigheid van de aanhang van politieke partijen en een grote dwingendheid van het "financieel kader". Tevens is de bestuurlijke ervaring van Kamerleden lager geworden en de doorstroming groter. Gevolg is dat het historisch bewustzijn is verzwakt en de Tweede Kamer door een zeker dilettantisme aan gezag heeft ingeboet.

Wat is naar uw oordeel de grootste verandering in vergelijking met de periode waarin uw Kamerlid was? 

Er bestaat niet een "grootste verandering",  mede omdat allerlei veranderingen elkaar versterken. In de afgelopen twintig jaar heeft de Tweede Kamer enorm aan macht ingeboet, door een reeks van tendenties: versterking van de positie van Europa, decentralisatie, verzelfstandiging van overheidsdiensten, vermarkten van publieke voorzieningen. Het meeste daarvan is niet terug te draaien. Hoewel nog steeds door de burger veel waarde wordt gehecht aan de Tweede Kamer, ziet men tegelijk dat het instituut veel machtelozer is geworden.

Hoe waren in uw tijd de contacten met de kiezers en de regering? Is dat naar uw oordeel anders dan nu? 

De contacten met kiezers liepen vooral via maatschappelijke instituties en in beperkte mate via lobbyisten, en daarnaast kwam je mensen overal tegen. De informatie vanuit je eigen partij had veel waarde. Je sprak veel met ambtenaren op de ministeries op jouw beleidsterrein en de Jong vormde groepjes deskundigen om zich heen. De Jong vreest dat veel van deze bronnen nogal zijn verschraald, zodat Kamerleden meer dan toen speelbal zijn van de waan van de dag.

Hoe waren de onderlinge verhoudingen? 

De contacten met woordvoerders uit andere fracties, maar ook die met fractiegenoten, werden als zeer collegiaal ervaren. Je stond vaak gemeenschappelijk voor een zaak, met respect voor de onderlinge verschillen van inzicht. In het bijzonder heeft de Jong altijd de pikorde en de dynamiek daarvan in zijn fractie (PvdA) ervaren, een roman waard. En dat zal niet veel veranderd zijn.

Wat ziet u in de periode dat u in de Kamer zat als hoogtepunt en wat als dieptepunt?

Een dieptepunt was de 'WAO-crisis', die de eigen partij bijzonder zwaar is gevallen. Het kostte veel aanhang, leden, maar vooral ook geloofwaardigheid. In het verlengde daarvan was er in de PvdA een paniekerige wijze om in 1994 de gunst van de kiezer terug te winnen. 

Het hoogtepunt was de omvorming van het volkshuisvestingsbeleid op basis van de "Nota Heerma". Weinig structurele hervormingen zijn zo noodzakelijk, maar ook zo succesvol geweest. Later zaten daar wel wat barstjes in, maar dat heb je altijd.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 21 september 2015.