Montesquieu Institute: from science to society

Partijverboden en het EVRM

Peter Coenen, Montesquieu Instituut Maastricht, universitair docent publiek recht Maastricht University

Artikel 11 van het EVRM garandeert aan een ieder het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging. Dit recht hangt nauw samen met het recht op vrijheid van meningsuiting in artikel 10 van het EVRM. 

Deze beide rechten zijn in het bijzonder van belang voor politieke partijen. Politieke partijen spelen een cruciale rol in het democratische proces. Volgens de standaardformulering in de jurisprudentie van het Hof houdt pluralisme in, dat het recht op vrijheid van meningsuiting ook die uitingen beschermt die als beledigend of choquerend worden ervaren. Politieke partijen vormen als zodanig een collectieve uiting van meningen en op basis hiervan kunnen politieke partijen zich beroepen op de bescherming van artikelen 10 en 11 van het EVRM.

Beperkingen

Deze bescherming is echter niet ongelimiteerd. Het Hof heeft ook geoordeeld dat ondemocratische partijen zich niet kunnen beroepen op de bescherming van de artikelen 9 (religieuze vrijheid), 10 en 11 van het EVRM. Een politieke partij kan zich niet beroepen op de grondrechtenbescherming van het EVRM, als die partij door haar handelen een bedreiging vormt voor de democratie. Het Hof stelt dat juist door het belang van het EVRM voor de moderne democratie, zij soms genoodzaakt is de rechten van individuen te beperken ter bescherming van de democratie. Op basis van artikel 11 lid 2 EVRM kan het recht op vrijheid van vereniging worden beperkt door de lidstaten van de Raad van Europa.

Toetsing

Deze beperkingen moeten echter strikt worden toegepast, omdat een beperking ten opzichte van een politieke partij ingrijpend is voor het democratische proces. Zulke beperkingen moeten strikt noodzakelijk zijn. Bovendien moeten er voor de toepassing van deze beperkingen zwaarwegende en overtuigende redenen zijn. In het geval van een beperking ten aanzien van de vrijheid van vereniging van een politieke partij, is de eigen beoordelingsvrijheid van de staat beperkt ten faveure van de toetsing door het Hof of aan deze strikte voorwaarden is voldaan. Het meest ingrijpende middel ten opzichte van een politieke partij is de ontbinding van die partij. Het Hof, in haar beoordeling of een partij kan worden ontbonden, toetst (i) of er voldoende bewijs is dat de partij een serieuze en directe bedreiging vormt voor de democratie; (ii) dat de handelingen en uitspraken van de leiders en leden van de partij redelijkerwijs aan de partij kunnen worden toebedeeld; en (iii) of deze handelingen en uitspraken over het geheel genomen een beeld vormen over het gedachtegoed van de partij dat onverenigbaar is met een democratische samenleving.

Voorbeelden

Op basis van deze toetsing kan het Hof besluiten dat een beperking van het recht op vrijheid van vereniging van een politieke partij gerechtvaardigd is. Zo oordeelde het Hof bijvoorbeeld, dat de ontbinding van Herri Batasuna in Spanje gerechtvaardigd was vanwege de banden van deze partij met de Baskische afscheidingsbeweging ETA. Recent oordeelde het Hof dat de ontbinding van de Hongaarse Garde, een afdeling van de extreem- rechtse Hongaarse politieke partij Jobbik, gerechtvaardigd was. Het Hof vond in het bijzonder dat grootschalige en geco├Ârdineerde marsen van de Garde, waarin een racistische boodschap werd verkondigd, bijzonder intimiderend waren voor minderheden in Hongarije en dat de handelingen van de Garde onverenigbaar waren met de democratie.

Het Hof erkent in haar jurisprudentie dat politieke partijen cruciaal zijn voor het politieke proces in democratische samenlevingen. Daarom worden de rechten van politieke partijen ook vergaand beschermd door het EVRM. Echter deze bescherming is niet zonder grenzen. Dit overzicht laat zien onder welke voorwaarden en in welke omstandigheden de ontbinding van een politieke partij verenigbaar kan zijn met de het EVRM.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 1 juni 2015.