Montesquieu Institute: from science to society

Voorkeur van Gerrit Voerman

G. Voerman

Gerrit Voerman is directeur van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP)

  • 1. 
    Wilfred Scholten, Mooie Barend. Biografie van B.W. Biesheuvel 1920-2001, Amsterdam: Bakker 2012
  • 2. 
    Meidert van der Kaaij, Een eenzame staatsman. Dirk de Geer (1870-1960), Hilversum: Verloren 2012
  • 3. 
    Jan Willem Stutje, Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Een romantische revolutionair, Antwerpen/Gent/Amsterdam: Houtekiet/Amsab/Uitgeverij Atlas Contact 2012.

In mijn top drie van de biografieën tot 2013 staan die van twee minister-presidenten: De Geer en Biesheuvel. In het boek over De Geer spreekt me de poging van de auteur Meindert van der Kaaij aan om tegen de stroom in het gevestigde beeld van de gesmade premier bij te stellen. Bij hem is Gerbrandy de boeman, en dat maakt dan weer nieuwsgiering naar de biografie van Fasseur over Gerbrandy, temeer omdat Van der Kaaij Fasseur mede verantwoordelijk houdt voor het in stand houden van het zwarte imago van De Geer.

De biografie van Biesheuvel heeft zo’n uitgesproken missie niet. Analytisch is het wat vlak, maar dat wordt ruimschoots goedgemaakt door de uiterst vlotte wijze beschrijving van het leiderschap (en op cruciale momenten het gebrek daaraan) van Biesheuvel, in de woelige tijden van ontzuiling en polarisatie. Zijn biograaf Wilfred Scholten stond een ware Fundgrube ter beschikking van persoonlijke documenten van zijn protagonist: Biesheuvel hield heel veel bij in uitvoerige dagboeken, en de biografie is gelardeerd met sprekende citaten daaruit. Duidelijk wordt zo ook dat achter de schermen zijn vrouw Mies een dusdanig grote rol speelde dat anderen wel van ‘Miesheuvel’ spraken.

Als tegenwicht tegen deze beide confessionele minister-presidenten noem ik als derde biografie die van Jan Willem Stutje over Domela Nieuwenhuis – een geheel andersoortig boek. Niet alleen is de protagonist als socialist, anarchist en revolutionair vanzelfsprekend een volkomen andere persoon en is zijn positie in  het politieke bestel diametraal tegenovergesteld aan die van de beide premiers, maar ook de benadering van Stutje wijkt af van de twee eerder genoemde biografieën. Hij heeft veel oog voor de culturele en morele kant van de politiek en voor politieke stijl, en probeert vanuit dit perspectief het charismatisch leiderschap van Domela Nieuwenhuis te begrijpen. En ook al is de auteur anders dan Van der Kaaij en Scholten geen journalist, zijn boek is onderhoudend en leest prettig.

In feite gaan deze biografieën alle drie over leiderschap, of beter gezegd over gefnuikt leiderschap. De Geer werd in het interbellum als een staatsman beschouwd die als  ‘redder in nood’ had gefungeerd bij twee kabinetscrises, maar door zijn verkeerde inschattingen als premier aan het begin van de Tweede Wereldoorlog werd verkettering zijn deel. Biesheuvel hield zijn partij knap bijeen in een tijd dat allerlei vanzelfsprekendheden teloor gingen. Hij ambieerde het premierschap en wilde graag uitgroeien tot staatsman, maar zijn gebrek aan besluitvaardigheid brak hem op. Hij had zich kunnen ontwikkelen ‘tot een Lubbers avant la lettre’, aldus Scholten, maar het kwam er niet uit. Het staatsmanschap was natuurlijk ver verwijderd van een anarchist als Domela Nieuwenhuis maar het leiderschap versmaadde hij niet: om zijn revolutionaire project te redden, bediende hij zich van antidemocratische en soms autoritaire middelen. Deze biografieën tonen ons zo naast de politieke wapenfeiten van de protagonisten en hun naar verhouding belangrijke posities (in de staat, de partij  of de beweging) ook het gemankeerde leiderschap en het menselijk tekort – en wie leest daar niet graag over?

Als lid van de jury die het beste politieke boek voor het parlementaire jaar 2013-2014 moet uitverkiezen (de ‘Prinsjesboekenprijs’, die op 15 september zal worden uitgereikt), noem ik geen biografieën die sinds de zomer van 2013 zijn verschenen – dat lijkt me niet zo verstandig.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 14 juli 2014.