Montesquieu Institute: from science to society

Weer een einde van de geschiedenis

Hans Renders is hoogleraar Geschiedenis en Theorie van de Biografie, en sinds 2004 directeur van het Biografie Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen.

Het is altijd mooi een nieuw breekpunt in de geschiedenis aan te wijzen. Dat moet D.J. Taylor gedacht hebben toen hij op 29 maart jongstleden een artikel van nog geen 1200 woorden publiceerde in de Britse krant The Independent onder de pompeuze titel ‘The decline and fall of the political biography’. Voor historici zijn dergelijke koppen extra interessant omdat ze  refereren aan beroemde standaardwerken. Maar is het tijdperk van de politieke biografie werkelijk voorbij?

1.

Politieke veranderingen

Taylor twijfelt daar niet aan. Hij geeft daarvoor een paar argumenten: de huidige generatie politici is te jong en blijft te kort in de politiek om er een heuse full length biography van te schrijven. Harold Wilson zat 38 jaar in the House of Commons, James Callaghan 42 en Tony Benn zelfs meer dan een halve eeuw. En nu? John Major’s loopbaan als politicus werd afgesloten toen hij 54 was en waarschijnlijk heeft David Cameron nog niet eens Abraham gezien als hij vervangen wordt als Prime-Minister. Maar ook, zo schrijft Taylor, en dat volgt uit zijn eerste observatie: politici van nu hebben in vergelijking met veertig jaar geleden geen ‘Well-Rounded Life’ naast hun politieke werk. Ze studeren politicologie aan de universiteit, gaan de politiek in en verzilveren deze ervaring daarna in het bedrijfsleven. Ideologische tegenstellingen spelen minder een rol en je vindt ook al geen ministers meer die gedichten van Philip Larkin uit het hoofd kan citeren of gezaghebbende publicaties over Marcel Proust op hun naam hebben staan. Dat maakt moderne politici dus gewoon minder interessant om een biografie van te schrijven.

2.

Wisselend succes van de biografie

Voor de klassieke biografie, zoals Ben Pimlott die van Harold Wilson schreef of D.J. Taylor zelf van George Orwell, is op de Britse boekenmarkt geen plaats meer. Dat laatste gegeven is wel interessant, want Engeland was altijd ons grote voorbeeld voor wat betreft biografieën. Nu verschijnt in Engeland zo ongeveer elke dag een boek onder de noemer ‘Biography’, maar dat moeten we toch eerder denken aan publicaties in de trant van Memorable Moments of Jeremy Paxman of  Palestine and Its Dreamers: All You Should Know. Voor de echte cradle-to-grave biografieën waar langdurig en degelijk onderzoek aan ten grondslag ligt en die goed geschreven zijn, moeten we tegenwoordig naar de Verenigde Staten kijken. Daar verschijnen de laatste jaren de mooiste biografieën van politici, zodat zowel een academisch als ook een meer populair publiek deze boeken op waarde schat. Alleen al van de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt verschenen het afgelopen jaar twee biografieën, die van Lincoln en Kennedy zijn niet te tellen en ook Richard Nixon en Jimmy Carter kregen begin dit jaar een mooie en degelijke biografie. Hoe komt het dat de biografie in Amerika zoveel succes heeft? Zowel binnen de academische wereld als op de publieksmarkt. Niemand die het precies weet, maar een van de verklaringen heb ik wel eens eerder verwoord:

‘Het lijkt wel alsof de grote belangstelling voor biografieën door de academische wereld wordt omarmd om het genre een kopje kleiner te maken. Overal ter wereld zie je universitaire instellingen ontstaan die zich richten op Life Writing. Hoewel het persoonlijke daarin onderwerp van studie is, wordt de ermee vergaarde kennis met name ingezet om sociologische patronen te onderkennen, terwijl de biografie juist waardevol is door de individuele afwijkingen zichtbaar te maken. Daar zijn Life Writers niet in geïnteresseerd.’

Maar er zijn vast ook andere redenen te geven als verklaring waarom men nu in Engeland begint te klagen over de afnemende belangstelling voor biografieën van politici. Zoals de veranderende academische omgeving. In Nederland ligt het iets anders. Tot ongeveer 1980 was de biografie in Nederland een genre dat je als academicus niet beoefende. Daar werden allerlei inhoudelijke argumenten voor aangehaald, met name de marxistisch georiënteerde historici moesten er niets van hebben. Tegenwoordig heeft de biografie het binnen de academische wereld weer moeilijk omdat onder het publish or perish-systeem artikelen beter in de markt liggen, en vooral omdat alle publicaties in het Engels moeten zijn terwijl ze op IJsland waarschijnlijk niet zitten te wachten op de biografie van Barend Biesheuvel. De diversiteit die Europa zo kenmerkte, is daarmee onder druk komen staan omdat je als academicus wel gek moet zijn om een Nederlandstalige publicatie van een Nederlands onderwerp af te scheiden.

3.

De toekomst van de politieke biografie

Maar heeft Taylor nu gelijk met zijn ‘decline and fall of the political biography’? Ik denk het niet. Om allerlei redenen, maar eentje is tenminste dat de term ‘politieke biografie’ verwarrend is. Als je spreekt van de biografie van een politicus, opent dat vergezichten. De loopbanen van Wouter Bos, Jan Peter Balkenende, Rik van der Ploeg en meer van die jonge kerels die aan een nieuwe carrière begonnen nadat ze de politiek vaarwel hadden gezegd, kunnen volgens mij toch zeer boeiende biografieën opleveren. Niet zozeer omdat we misschien nieuwsgierig zijn hoe het ze nu vergaat. Rijdt Balkenende inderdaad in een Porsche en heeft hij echt een penthouse in Domburg naast het zomeroptrekje van Marco Borsato? Maar eerder omdat we door middel van hun biografieën kunnen nagaan hoe politiek doorwerkt in het echte leven. Is Wouter Bos als ziekenhuisbestuurder ook een sociaaldemocraat en durft Van der Ploeg ten overstaan van zijn studenten kritiek te leveren op het anticyclisch begrotingsbeleid in de geest van Keynes.

Taylor ziet overigens met zijn onheilsboodschap over het einde van de biografie over het hoofd dat ‘nieuwe’ biografieën helemaal niet over ‘nieuwe politici’ hoeven te gaan. Elke tijd stelt haar eigen vragen. In Nederland wordt nu aan een ‘nieuwe’ biografie van Charles Ruys de Beerenbrouck gewerkt. Dit najaar verschijnt de biografie van de ‘oude’ politicus Jan de Quay. De biografiecultuur in Nederland is springlevend. Er wordt aan het Biografie Instituut in Groningen gewerkt aan de biografie van Jelle Zijlstra en aan die van André van der Louw. Die van Wim Schermerhorn is zojuist uitgekomen. Uit de koker van het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis in Nijmegen kwamen overtuigende biografieën van Mansholt en Piet de Jong uit en ook vanuit de universiteit Leiden zien we met regelmaat een biografie van een politicus verschijnen.

De biografie als verzameling van biografische feitjes heeft zijn langste tijd wel gehad. Er is werkelijk niemand die de biografie van Luns uit te kast pakt om op te zoeken wanneer hij minister werd. Voor dat soort weetjes hebben we Wikipedia of allerlei digitale bestanden die je makkelijk kunt raadplegen. Behalve dat het genre biografie het cement is waarmee deze feitjes in een verband worden gezet, zal de biografie steeds vaker vanuit een theoretisch model geschreven worden, een staketsel dat de biograaf gebruikt om zich vragen te stellen over invloed en belang van een bepaalde politicus. En wie vreest dat dat type biografie te academisch is, waarmee vaak bedoeld wordt, geen goed read oplevert, moet maar eens naar een bouwplaats gaan. Om een huis te bouwen heb je echt steigers en andere hulpmiddelen nodig, maar die worden keurig opgeruimd als het dak erop ligt.

Het belang van theorie is overtuigend door Wittgenstein verwoord. Theorie maakt het mogelijk om dingen te onderkennen die we zonder die theorie niet zagen.  ‘Theories unify a range of apparently disparate, unconnected phenomena by postulating an underlying principle that these phenomena putatively have in common and that can explain their nature or behaviour. Second, the common underlying principle postulated by the theory – whether it takes the form of an entity, process, force, concept, or something else – is at least initially hidden from view,’ zoals de Britse filosoof en biograaf van Wittgenstein schreef. Met dit inzicht gaat de biografie een grootse toekomst tegemoet. En dat weet Taylor ook wel. Zijn biografie van Orwell uit 2003 geeft er blijk van. Maar het is nu eenmaal leuk om een keerpunt in de geschiedenis aan te kondigen.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 14 juli 2014.