Montesquieu Institute: from science to society

Het eerste jaar van een kabinet

Op veel kabinetten luidt de kritiek dat zij in het eerste jaar nog zo weinig voor elkaar krijgen. Die kritiek was bijvoorbeeld heel sterk tijdens het kabinet-Balkenende IV, dat begon met een dialoog met de samenleving van honderd dagen.

Die kritiek kan deels zeker terecht zijn, maar het is soms een wel wat gemakkelijk verwijt. Enerzijds is wetgeving vaak een langjarig proces en is dus nauwelijks te verwachten dat een kabinet al in zijn eerste jaar allerlei zaken door het parlement weet te loodsen (en voorzover dat lukt, waren dat meestal voorstellen die al door voorgangers waren ingediend). Anderzijds worden er buiten de wetgeving wel al vaak belangrijke beslissingen genomen. Om bijvoorbeeld meer te gaan bezuinigen of om afspraken te maken over energiedoelstellingen.

Vrijwel alle kabinetten, ongeacht hun politieke signatuur, hadden een aanlooptijd nodig, maar ze namen ook vrijwel steeds beslissingen die wel degelijk op een andere koers duidden. Het kabinet-De Quay, dat in 1959 de 'rooms-rode-coalitie' opvolgde, kwam in 1959 bijvoorbeeld met een nota over lonen, huren en consumentensubsidies. Daarin werd de 'gedifferentieerde' loonpolitiek aangekoningd: Niet langer zou de loonpolitiek centraal worden geregeld, maar bedrijfstakken konden daar afzonderlijk afspraken over maken.

Het kabinet-Cals/Vondeling dat in 1965 aantrad na zes jaar centrumrechts bewind, verhoogde niet alleen voor 1966 de uitgaven voor onder meer onderwijs, recreatievoorzieningen, bibliotheken en wegen, maar kwam ook met een nota over de omroeppolitiek (de kwestie waarover het voorgaande kabinet was gevallen).

Van het kabinet-Den Uyl waren de eerste maatregelen echt gericht op de buitenwacht. De salarissen van bewindslieden werden verlaagd en aanpassing van het omstreden voorstel tot verhoging van het collegegeld werd onmiddellijk aangekondigd. Voorstellen voor ingrijpende wetgeving bereikte echter pas (deels) in het vierde kabinetsjaar de Kamer en geen van die voorstellen haalde de eindstreep. Dat nam overigens niet weg dat bijvoorbeeld via de inkomens- en belastingpolitiek en door het begrotingsbeleid duidelijke koerswijzigingen ten opzichte van de kabinetten-De Jong- en Biesheuvel zichtbaar waren geworden.

Het 'bezuinigingskabinet'-Van Agt I, dat in december 1977, kwam pas (of al?) in juni 1978 met zijn ingrijpende voorstellen voor de begroting, via de Nota Bestek'81. Behalve via het begrotingsbeleid werd een koerswijziging vooral zichtbaar via diverse aanpassingswetjes, waardoor uitkeringen en ambtenarensalarissen achterbleven bij de algemene loonontwikkeling. Tot grote, ingrijpende wetgeving in bijvoorbeeld de sfeer van de sociale zekerheid kwam het echter niet. Een herziening van de kinderbijslagregelingen in 1979 was al door het kabinet-Den Uyl ingediend.

Dat gold in belangrijke mate ook voor het kabinet-Lubbers I. Dat kabinet pakte wel daadkrachtige de budgettaire problemen van de overheid aan en verlaagde uitkeringen en ambtenarensalarissen. Maar pas tijdens het tweede kabinet-Lubbers kwam er een structurele herziening van de sociale zekerheid ('stelselherziening') en werd de zogenaamde Oort-operatie tot verandering van het belastingstelsel doorgevoerd. Ook de Wet studiefinanciering en de Mediawet, alsmede de privatisering van de PPT, kwamen pas tijdens Lubbers II tot stand.

De Paarse kabinetten behaalden in hun eerste periode (1994-1998) wel direct wetgevende successen, zoals de privatisering van de Ziektewet, aanpassing van arbeidsongeschiktheidswetten (Wajong) en de Winkeltijdenwet. De privatisering van de energiemarkt en de telecomsector vergde meer tijd en kwam pas onder Paars II tot stand. Dat gold ook voor zaken als het homohuwelijk en de euthanasiewet.

Qua daadkracht sprong het tweede kabinet-Balkenende er uit. Had het eerste kabinet-Balkenende weinig tot niets tot stand kunnen brengen, het tweede kabinet bracht in korte tijd (2003-2006) wel veel tot stand. De belangrijkste wet was ongetwijfeld de Zorgverzekeringswet. Die wet maakte een einde aan een discussie die meer dan dertig jaar had geduurd. Verder waren de Wet werk en bijstand, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de afschaffing van de vut en de Wet maatschappelijk ontwikkeling belangrijke resultaten. Ook daarbij gold overigens dat er vaak sprake was geweest van een lange voortraject.

Daadkracht van kabinetten is geen objectief gegeven. Kabinetten hebben te maken met een politieke en maatschappelijke werkelijkheid, maar bovendien met vereisten van zorgvuldigheid. Burgers en organisaties moeten gelegenheid hebben tot inspraak en meerderheden moeten soms nog worden gevonden. Kabinetten met een hecht doortimmerd regeerakkoord (Lubbers I en II, Kok I en II, Balkenende II) waren in die zin succesvoller, maar hadden het daardoor ook gemakkelijker. Er bleek dan overigens wel vaak een spanning te bestaan tussen daadkracht en draagvlak. Een succesvol kabinet bereikt beide, maar dat is slechts weinig kabinetten gegeven.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 28 oktober 2013.