Montesquieu Institute: from science to society

Geen voor de hand liggende combinaties

De uitslag van de verkiezingen lijkt te wijzen naar een regeringscombinatie van VVD en PvdA. Die hebben samen een meerderheid en een derde partij is niet direct nodig. Toch lijkt die coalitie weinig voor de hand te liggen, gezien de grote programmatische verschillen tussen beide partijen. Het is weinig waarschijnlijk dat de VVD nu wel instemt met aanpassing van de hypotheekrenteaftrek bij lopende hypotheken. Zoals het ook weinig waarschijnlijk is dat de PvdA zal accepteren dat er daaraan niets zal gebeuren.

En zo is er een reeks van 'conflictpunten': de rol van de overheid, het tempo van bezuinigingen, de belastingen, de privatisering van de zorg, ontwikkelingssamenwerking, de sociale zekerheid, natuur- en milieubeleid, de studiefinanciering enzovoort, enzovoort. Daar komt bij dat de combinatie VVD-PvdA in de Eerste Kamer over slechts dertig zetels beschikt en dus steeds afhankelijk is van steun van oppositiefracties. Deelname van D66 zou in dat opzicht evenmin zoden aan de dijk leggen, want ook met D66 blijft die coalitie steken op 35 zetels. Hulp van het CDA leidt tot een forse meerderheid in de Eerste Kamer (41), maar dan moet de PvdA zich laten inruilen voor gedoogpartner PVV. 

Electoraal is de combinatie noch voor VVD noch voor PvdA erg aantrekkelijk gezien de concurrentie van enerzijds PVV en anderzijds SP en het zich ongetwijfeld dan herstellend GroenLinks. Een kabinet van tot elkaar veroordeelde partijen is bovendien weinig aantrekkelijk en weinig stabiel (denk aan het kabinet-Van Agt/Den Uyl/Terlouw uit 1981).

Maar wat dan wel? Dat de PVV zichzelf definitief buiten spel had gezet, was feitelijk al direct na de breuk in april duidelijk. De 'Brussels brief-coalitie' (dat is mijn inziens een betere naam dan 'Kunduz-coalitie') heeft geen meerderheid. Voor GroenLinks is er bovendien alle reden om buiten welke combinatie dan ook te blijven, nog afgezien van de overweging dat een zo kleine fractie geen voor de hand liggende regeringspartner is.

Combinaties waarin de SP samenwerkt met de VVD zijn nog onwaarschijnlijker dan een verbond tussen VVD en PvdA. De SP past ook nauwelijks in een coalitie waaraan D66 deelneemt. En hoewel de 'links-rechts'-verhoudingen gunstiger is geworden voor links (en daartoe rekenen ik dan ook de Partij voor de Dieren) is voor dat 'blok' evenmin een meerderheid.

De sombere conclusie moet zijn dat er geen voor de hand liggende combinaties zijn.

In die situatie is een breed samengesteld kabinet wellicht beter. Dat zouden dan kunnen bestaan uit de winnaars VVD, PvdA en D66, aangevuld met de ChristenUnie. Dat kabinet moet harde afspraken maken over het financieel-economisch beleid, maar verder een losse binding aangaan met het parlement. Zodra er een akkoord is over het financieel-economische beleid moeten kandidaat-ministers worden aangezocht, die gezamenlijk in een preconstituerend beraad globale uitgangspunten voor het kabinetsbeleid formuleren, zonder dat de fracties daar verder bij betrokken zijn.

Een dergelijk deels parlementair, deels extraparlementair kabinet moet accepteren dat deelnemende fracties de vrijheid hebben om (met uitzondering van het financieel-economisch beleid) tegen kabinetsvoorstellen te stemmen. Het kabinet moet bij een dreigende nederlaag ook niet de vertrouwenskwestie stellen.

Door een zekere afstand in acht te nemen, worden per onderwerp ad hoc-coalities mogelijk. Het komt dan vooral aan op een sterke samenstelling van het kabinet, liefst met bewindslieden die enigszins op afstand van de politieke strijd staan.

Ook dat wordt een hachelijk avontuur, maar een alternatief is er niet. En binnen korte tijd opnieuw een beroep op de kiezers doen, zou 'de politiek' volstrekt ongeloofwaardig maken.


Deze bijdrage verscheen in de Hofvijver van 24 september 2012.