Montesquieu Institute: from science to society

Senaatsvoorzitter Fred de Graaf kritisch over verkleinen parlement

Friday, September 7 2012, 16:14

DEN HAAG (PDC) - Een inkrimping van de Eerste en Tweede Kamer met een derde van het aantal zetels is geen goed idee. Dat zei Eerste Kamervoorzitter Fred de Graaf tijdens de afsluiting van de Zomerconferentie van het Montesquieu Instituut. Nationale Ombudsman Alex Brenninkmeijer gaf aan dat in een democratie de macht bij de burger moet liggen.

Centrale vraag in het betoog van Brenninkmeijer was: wie zwaait de scepter? In een democratie zou het volk de scepter moeten zwaaien. Daarbij is vertrouwen van de burger in het Nederlandse en Europese bestuur van belang. Dat begint bij vertrouwen van de bestuurders in de burgers, aldus de Nationale Ombudsman.

Namens het Montesquieu Instituut liet Liesbeth Weijs alle onderdelen van de Zomerconferentie 2012 de revue passeren. Zij vergeleek het brede aanbod aan activiteiten, met als thema ‘de kloof tussen beeld en werkelijkheid’ met een snoeptrommel waaruit iedereen een keuze kon maken.

Voorzitter De Graaf van de Eerste Kamer ging aan de hand van drie stellingen in op de kloof tussen het beeld over de Eerste Kamer en de werkelijkheid.

1. De Eerste Kamer kan toe met minder leden

Het kabinet heeft een wetsvoorstel ingediend om het aantal leden van de Eerste en Tweede Kamer met een derde in te krimpen. De Graaf betwijfelt of een verkleining bijdraagt aan het herstellen van het vertrouwen van de burger in de politiek. De beoogde financiële besparing is discutabel: met minder parlementariërs zal een grotere ambtelijke ondersteuning nodig zijn.

2. De Eerste Kamer speelt een marginale rol in de formatie

De Graaf wees erop dat de Eerste Kamer zonder enige terughoudendheid mag oordelen over wetsvoorstellen. Ook nu de Tweede Kamer het initiatief bij de kabinetsformatie heeft overgenomen van de Koningin, zal een nieuw kabinet ook voldoende vertrouwen van de senaat moeten hebben.

3. De Eerste Kamer vertraagt het wetgevingsproces

De gemiddelde doorlooptijd van een wetsvoorstel in de Eerste Kamer is 91 dagen. Een belangrijk deel daarvan bestaat uit het wachten op stukken van het kabinet. De senaat werkt snel en efficiënt, aldus De Graaf.