Montesquieu Institute: from science to society

EP akkoord met rapport-Van den Bos inzake mensenrechten in de wereld in 2002

Thursday, September 4 2003, Bob VAN DEN BOS

Bob VAN DEN BOS (ELD, NL)

Mensenrechten in de wereld in 2002 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie

Doc.: A5-0274/2003

Procedure : Initiatief

Debat : 3 september 2003

Stemming : 4 september 2003

Verslag aangenomen

Het Parlement neemt een twintigtal amendementen aan op het rapport van Bob VAN DEN BOS (ELDR, NL). De belangrijkste staan hieronder vermeld.

Ten eerste spreekt het EP zijn veroordeling uit over de aanval op het VN-hoofdkwartier in Bagdad op 19 augustus 2003, waarbij twintig mensen werden gedood, onder wie de Hoge Commissaris voor de mensenrechten en speciaal gezant van de VN in Irak, Sergio Vieira de Mello. Het EP noemt de aanslag een oorlogsmisdaad waarvoor de verantwoordelijken moeten worden berecht (amendement 2). Het Parlement verzoekt de VN om op basis van resolutie 1502 van de Veiligheidsraad alles in het werk te stellen voor de bescherming van VN personeel, met de VN verbonden personeel en het personeel van hulporganisaties in conflictgebieden (am. 3).

Het EP herhaalt zijn verzoek aan de Chinese regering om de vervolging van en lastercampagnes tegen de Falun Gong en de beoefenaars ervan te staken (am. 8). Het Parlement verzoekt de Raad, de Commissie en de lidstaten om de vrijheid van godsdienst tot een prioriteit te maken in de betrekkingen van de EU met derde landen en bij schending daarvan sancties vast te stellen net als gebeurt in de Amerikaanse Wet op de vrijheid van godsdienst in de wereld (am. 14). Voorts veroordeelt het EP de goedkeuring door de Knesset van een wetsontwerp dat Palestijnen verbiedt via huwelijk het Israëlisch burgerschap te verwerven en verzoekt de Israëlische regering deze discriminerende en racistische wet niet te ratificeren noch toe te passen (am. 16).

Met betrekking tot de Arabische wereld is het EP ernstig verontrust over de almaar toenemende aantasting van de persvrijheid, met name in Marokko, Algerije en Tunesië (am. 18). Het Parlement verzoekt de Raad en de Commissie de kwestie aan te kaarten van mannen die in Egyptische gevangenissen worden vastgehouden op grond van hun vermeende homoseksualiteit en "losbandig gedrag". De volksvertegenwoordiging is verontrust over de opsporing van homoseksuele mannen via het internet, wat een inbreuk is op de vrijheid van vereniging en van fundamentele mensenrechten (am. 19). Nog met betrekking tot homoseksuelen keuren de leden ten strengste de recente verwerping af, door de Congregatie voor de geloofsleer van het Vaticaan, van de voorstellen om het huwelijk tussen homoseksuelen wettelijk te erkennen (am. 21).

Het Parlement veroordeelt verder de ontvoeringen van burgers en buitenlandse onderdanen in Tsjetsjenië en roept op tot de vrijlating van alle gijzelaars (mondeling amendement).

Voor het overige neemt het Parlement het rapport praktisch ongewijzigd aan. Volgens het Parlement prevaleert in de praktijk vaak het nationale belang waardoor het mensenrechtenbeleid van de Unie niet goed uit de verf komt. Het mensenrechtenbeleid moet slagvaardiger worden door de mensenrechtenclausules in samenwerkings- en associatieovereenkomsten met derde landen strikt toe te passen. Daarvoor zijn heldere mechanismen en politieke wil bij de lidstaten nodig. Het EP betreurt dat het niet betrokken is bij de onderhandelingen over deze overeenkomsten noch bij de besluitvorming inzake de opschorting ervan. Het blijkt dat de Raad zich soms bijzonder weinig aantrekt van de stellingnames van het Parlement. Het EP verzoekt de Raad daarom om voortaan Parlementsleden bij de besluitvorming terzake te betrekken.

Het Parlement benadrukt verder het belang van een politieke dialoog met derde landen en van de integratie van mensenrechten in het externe beleid van de Unie. Het Parlement wil dat de EU een belangrijkere rol gaat spelen in de Mensenrechtencommissie van de VN, hoewel het erkent dat dit orgaan lijdt aan politisering. De debatten en resoluties van de Mensenrechtencommissie weerspiegelen in veel gevallen eerder de steun die er is voor schendende staten dan de werkelijke mensenrechtensituatie in de betreffende landen. Het EP is teleurgesteld dat de EU tijdens de 59e zitting van de Mensenrechtencommissie geen steun heeft gegeven aan een resolutie over China en Iran, en over het feit dat in 2002 en 2003 de Mensenrechtencommissie ontwerpresoluties over Tsjetsjenië en Zimbabwe heeft verworpen.

De parlementsleden vinden dat "mensenrechtendialogen tussen de EU en derde landen niet beperkt moeten blijven tot praten of het uitwisselen van standpunten over culturele en historische verschillen." De leden roepen op tot een speciale dialoog met landen in het Middellandse-Zeegebied en met Rusland, de Oekraïne, de zuidelijke Kaukasus en de Balkanlanden. Het EP roept daarnaast de Raad op de structurele dialoog met Iran en China jaarlijks te beoordelen. China wordt tevens opgeroepen de VN-Hoge Commissaris voor de mensenrechten, de speciale VN-rapporteur inzake marteling, de voorzitter van de werkgroep inzake willekeurige detentie en de speciale VN-rapporteur inzake godsdienstvrijheid, op de kortst mogelijke termijn uit te nodigen voor een officieel bezoek.

Het Parlement steunt het Internationaal Strafhof en dringt wereldwijd aan op de ratificatie van het Statuut van het Hof. Het Parlement verzoekt in dat verband de VS een einde te maken aan het beleid om regeringen te ontmoedigen het Statuut van Rome te ratificeren door staten over de gehele wereld onder druk te zetten om `bilaterale niet-uitleveringsovereenkomsten' te sluiten. Daarnaast vraagt het EP om de instelling van een commissie onder het mandaat van de secretaris-generaal van de VN en/of de Veiligheidsraad om oorlogsmisdrijven en misdaden tegen de menselijkheid te onderzoeken die door het afgezette Iraakse regime zijn begaan. Verder dringen de volksvertegenwoordigers er bij alle landen waar de doodstraf nog bestaat op aan, een moratorium op de uitvoering ervan af te kondigen.

Religieuze intolerantie bedreigt wereldwijd de vrede. Het Parlement veroordeelt totalitaire regimes die proberen godsdienstbeleving en -uitoefening te onderdrukken of onder controle te brengen, zoals de regimes in Birma, China, Laos, Noord-Korea en Vietnam. Het EP benadrukt de hoofdrol voor het onderwijs in het kweken van wederzijds begrip en respect voor de verschillende religies. Ook wil het het taboe op discussies over godsdienstige achtergronden van gewelddadige conflicten doorbreken. Het Parlement roept de Raad en de Commissie op het ontstaan van gewelddadig religieus extremisme te voorkomen door middel van geregelde dialogen met lokale religieuze gemeenschappen (am. 5). Tenslotte wijst het EP erop dat wereldwijd vele religieuze gemeenschappen worden vervolgd door leiders van staten die behoren tot een andere, dominante religie.