UITBREIDING - Voorbereiding van de volgende vergadering van de toetredingsconferentie met Malta = Hoofdstuk 7:Landbouw - Hoofdinhoud
-
RAAD VANBrussel, 30 oktober 2002 (21.11)
(OR. en)
DE EUROPESE UNIEPUBLIC
13201/02
LIMITE
-
ELARG 325
VERSLAG
van: de Groep uitbreiding
d.d.: 30 oktober 2002
aan: het Comité van permanente vertegenwoordigers
Betreft: UITBREIDING
-
-
Voorbereiding van de volgende vergadering van de toetredingsconferentie
met Malta -
= Hoofdstuk 7: Landbouw
Ter voorbereiding van de volgende vergadering van de toetredingsconferentie heeft de Groep
uitbreiding een ontwerp van gemeenschappelijk standpunt van de Europese Unie over
landbouw opgesteld. De Nederlandse delegatie handhaafde evenwel een voorbehoud bij die
CONFERENTIE OVER DE TOETREDING - BIJLAGE
TOT DE EUROPESE UNIE
- MALTA -
ONTWERP
GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT VAN DE EUROPESE UNIE
(vervangt doc. 20508/02 CONF-M 70/02)
Hoofdstuk 7: Landbouw
i.
Dit standpunt van de Europese Unie is gebaseerd op haar algemene standpunt ten aanzien van de toetredingsconferentie met Malta (CONFM 2/00) en geldt onverminderd de door de toetredingsconferentie goedgekeurde onderhandelingsbeginselen (CONFM 14/00), met name:
-
"- een standpunt dat een partij ten aanzien van een hoofdstuk van de onderhandelingen inneemt, loopt geenszins vooruit op het standpunt van die partij ten aanzien van andere hoofdstukken;
-
-
-akkoorden - ook deelakkoorden - die tijdens de onderhandelingen over achtereen- volgens te behandelen hoofdstukken worden bereikt, kunnen pas als definitief worden aangemerkt wanneer een algeheel akkoord is bereikt."
ii.
De EU onderstreept dat het voor Malta van belang is zowel de Associatieovereenkomst als het
Partnerschap voor toetreding na te leven, die de fundamentele elementen van de specifieke pretoetredingsstrategie vormen. De EU onderstreept dat het voor Malta van het grootste belang is het landbouwacquis te aanvaarden zoals dat op de datum van toetreding geldt. De EU neemt nota van de vooruitgang die Malta met betrekking tot dit hoofdstuk heeft geboekt, en spoort Malta ertoe aan het lopende proces van aanpassing van zijn beleid aan het acquis en de effectieve uitvoering en handhaving daarvan te versnellen en in het algemeen al voor de toetreding beleidsmaatregelen en instrumenten te ontwikkelen die zoveel mogelijk aansluiten bij het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
iv.
Voorts wijst de EU erop dat het acquis op veterinair en fytosanitair gebied hoofdzakelijk
bestaat uit een groot aantal wetgevingsbesluiten met een tamelijk brede werkingssfeer die vrij veel werk vergen op het vlak van omzetting, uitvoering en handhaving. Het is essentieel dat Malta er niet alleen voor zorgt dat het veterinair en fytosanitair acquis volledig in zijn nationale wetgeving wordt omgezet, maar ook dat nog vóór de toetreding de administratieve structuren en procedures versterkt en hervormd worden. De EU benadrukt dat het van belang is dat op de toetredingsdatum volledig wordt voldaan aan alle EU-voorschriften inzake voedselveiligheid en consumentenbescherming.
v.
De EU memoreert dat Malta in zijn onderhandelingsstandpunt (CONF-M 21/01 en 57/01) het voor hoofdstuk 7 geldende acquis aanvaardt en verklaart in staat te zijn dit acquis uiterlijk op 1 januari 2003 uit te voeren, en dat het een aantal specifieke verzoeken doet voor overgangs- maatregelen en inzake de toepassing van het gemeenschappelijk landbouwbeleid op Malta.
De EU neemt nota van de aanvullende informatie die Malta heeft verstrekt in de documenten CONF-M 19/02, CONF-M 20/02, CONF-M 23/02 en ADD 1-22, CONF-M 35/02, CONF-M 37/02, 53/02, 6/02, 60/02, 95/02, 96/02, 98/02, 105/02, 106/02, 107/02 en ADD1, 108/02, 114/02, 120/02, 121/02, 122/02 en 123/02.
vi.
Als algemeen antwoord op de verzoeken om overgangsregelingen van Malta herinnert de EU
aan haar algemene onderhandelingsstandpunt, namelijk dat overgangsmaatregelen een uit- zondering vormen, in tijd en draagwijdte beperkt zijn en vergezeld gaan van een plan voor de toepassing van het acquis in duidelijk omschreven stappen. Zij mogen in geen geval wijzi- gingen van de regels en het beleid van de Europese Unie met zich meebrengen, de goede werking daarvan verstoren of tot ernstige concurrentieverstoringen leiden.
vii.
De EU concludeert dat de aanvaarding van het acquis door Malta betekent dat het bereid is
om vanaf de toetreding de communautaire prijzen voor landbouwproducten toe te passen. Malta wordt verzocht om de EU op de hoogte te houden van de uitvoering van zijn plannen met betrekking tot de aanpassing van zijn institutionele prijzen aan de communautaire prijzen in de pretoetredingsperiode.
viii.
De EU brengt in herinnering dat het kader voor de financiering van de uitbreiding voor de
x.
De EU wijst op de conclusies van de Europese Raad van Brussel inzake de financiering van
de uitbreiding.
xi.
De geleidelijke invoering van rechtstreekse betalingen zal plaatsvinden tegen de achtergrond
van financiële stabiliteit, hetgeen betekent dat het totale jaarlijkse bedrag van de markt- gerelateerde uitgaven en rechtstreekse betalingen in een Unie van 25 - in de periode 2007- 2013 - het in Berlijn voor de EU-15 overeengekomen bedrag in reële termen van het plafond van rubriek 1.A voor 2006, en het voorgestelde overeenkomstige uitgavenplafond voor de nieuwe lidstaten voor 2006 niet mag overschrijden. Er zal voor gezorgd worden dat de totale uitgaven in nominale termen voor marktgerelateerde uitgaven en rechtstreekse betalingen voor ieder jaar in de periode 2007-2013 lager blijven dan dit bedrag voor 2006, verhoogd met 1% per jaar.
xii.
De behoeften van producenten die gevestigd zijn in de minder ontwikkelde regio's van de
huidige Europese Unie moeten gevrijwaard blijven; de multifunctionele landbouw zal in alle gebieden van Europa in stand worden gehouden, overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Luxemburg van 1997 en de Europese Raad van Berlijn van 1999.
xiii.
De EU is van mening dat technische aanpassingen van het acquis te gelegener tijd in een
latere fase van de onderhandelingen onderzocht moeten worden.
xiv.
De EU gaat er principieel van uit dat Malta, indien het een bepaald onderwerp (bv. een groep
producten) in zijn standpunt niet aan de orde stelt, het acquis aanvaardt en zich ertoe verbindt dat vanaf de toetreding volledig toe te passen. De EU behoudt zich het recht voor, in een later stadium van de onderhandelingen in het licht van door Malta te verstrekken aanvullende informatie en de ontwikkeling van het acquis op onderwerpen terug te komen, ook op onder- werpen die niet uitdrukkelijk in dit standpunt worden behandeld. De EU merkt op dat bepaalde aspecten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in de komende jaren in het passende kader officieel herzien zullen worden.
A2.
Aanpassing van de toetredingsakte ten gevolge van wijzigingen in de landbouwwetgeving
van de EU
De EU is van oordeel dat in de op het gemeenschappelijk landbouwbeleid betrekking hebbende delen van de toetredingsakte dient te worden bepaald dat de Raad, op voorstel van de Commissie, na raadpleging van het Europees Parlement en met eenparigheid van stemmen, in de bepalingen betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de toetredingsakte de aanpassingen mag aanbrengen die nodig kunnen blijken ten gevolge van een wijziging van de communautaire regelgeving. Bovendien dient te worden bepaald dat dergelijke aanpassingen reeds vóór de toetreding kunnen worden verricht.
A3.
Overgangsmaatregelen
De EU is van oordeel dat in de op het gemeenschappelijk landbouwbeleid betrekking hebbende delen van de toetredingsakte dient te worden voorzien in de nodige rechtsgrondslagen om onder de volgende voorwaarden overgangsmaatregelen aan te nemen:
Indien er overgangsmaatregelen nodig zijn om de overgang te vergemakkelijken van de in de nieuwe lidstaten bestaande regeling naar de regeling die voortvloeit uit de toepassing van het gemeenschappelijk landbouwbeleid overeenkomstig de in de landbouwonderdelen van de toetredingsakte bepaalde voorwaarden, dienen deze maatregelen door de Commissie volgens de toepasselijke comitologieprocedure te worden aangenomen. Die maatregelen zouden in een tijdvak van drie jaar na de datum van toetreding kunnen worden genomen en de toepassing ervan zou dat tijdvak niet mogen overschrijden. Er dient evenwel in te worden voorzien dat de Raad, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen, en na raadpleging van het Europees Parlement, het genoemde tijdvak kan verlengen.
Indien de overgangsmaatregelen betrekking hebben op de toepassing van ingevolge de toetreding vereiste maar niet in de toetredingsakte gespecificeerde instrumenten betreffende het gemeen- schappelijk landbouwbeleid, dienen zij vóór de toetreding door de Raad op voorstel van de Commissie met een gekwalificeerde meerderheid te worden aangenomen of, indien die maatregelen gevolgen hebben voor oorspronkelijk door de Commissie aangenomen instrumenten, door de Commissie volgens de toepasselijke comitologieprocedure.
Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL)
1.
Afdeling Garantie - Betaalorgaan (Verordening (EG) nr. 1258/1999 van de Raad)
De EU neemt nota van het uitvoeringsplan dat Malta heeft verstrekt met betrekking tot de instelling van het betaalorgaan en van de informatie met betrekking tot de vraag welk orgaan zal worden ingesteld als bevoegde instantie voor de accreditering van het betaalorgaan.
De EU neemt er nota van dat Malta geen problemen verwacht met de naleving van de vereisten van de EU inzake het voorschottensysteem, de openbare opslag en de begrotingsdiscipline. De EU spoort Malta ertoe aan voort te gaan met het proces van aanpassing van zijn beleid aan het acquis en met de effectieve uitvoering daarvan.
2.
Afdeling Garantie - Geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS) (Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad)
De EU neemt nota van het door Malta voorgelegde uitvoeringsplan met betrekking tot de totstand- brenging van de elementen die nodig zijn voor een functionerend GBCS. De EU wijst erop dat het van belang is bij de toetreding te beschikken over een goed functionerend GBCS, vooral wat de areaalaspecten betreft, aangezien het GBCS ook relevant zou zijn voor het beheer van en het toezicht op de betalingen in het kader van de vereenvoudigde regeling, indien Malta besluit voor die regeling te kiezen.
De EU wijst op het belang van een volledig functionerend stelsel voor de identificatie en registratie van dieren als onderdeel van het GBCS, in het kader van het standaardstelsel van rechtstreekse betalingen.
De EU spoort Malta ertoe aan voort te gaan met het proces van aanpassing van zijn beleid aan het acquis en met de effectieve uitvoering daarvan.
4.
Handelsmechanismen (Verordeningen (EEG) nr. 2220/85, (EEG) nr. 3002/92, (EG)
nr. 3122/94, (EG) nr. 2221/95, (EG) nr. 615/98, (EG) nr. 800/1999, (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie, en Verordening (EEG) nr. 386/90 van de Raad)
De EU neemt nota van het door Malta verstrekte uitvoeringsplan met betrekking tot de handel- mechanismen. De EU neemt tevens nota van de aanvullende informatie en het tijdschema die Malta heeft verstrekt over de instelling van de administratieve structuren, in het bijzonder wat betreft de instantie voor het toezicht op de bestemming van interventieproducten, de instantie voor de uit- voering van de materiële controles en de instantie voor de uitvoering van de veterinaire controles voor het welzijn van dieren. De EU spoort Malta ertoe aan voort te gaan met het proces van aanpassing van zijn beleid aan het acquis en met de effectieve uitvoering daarvan.
5.
Kwaliteitsbeleid (Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen en Verordening (EEG) nr. 2082/92 van de Raad inzake de specificiteitscertificering voor landbouwproducten en levens- middelen)
De EU neemt nota van de door Malta verstrekte aanvullende informatie inzake de voorgestelde parallelle nationale regeling voor kwaliteitsbeleid (CONF-M 108/02). De EU neemt tevens nota van het verzoek van Malta om na de toetreding gebruik te maken van de versnelde procedure waarin is voorzien bij artikel 17 van Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad.
Met betrekking tot het eerste verzoek van Malta neemt de EU er nota van dat Malta de kenmerken van de voorgestelde nationale regeling aanzienlijk heeft gewijzigd. De EU neemt er in het bijzonder nota van dat traditionele productnamen die overeenkomstig de regeling worden geregistreerd, niet voorbehouden zullen worden aan de producenten die voldoen aan vastgelegde specificaties of aan producenten in een specifiek geografisch gebied, en dat producten waarvan de naam een geo- grafische term bevat, niet in aanmerking zullen komen. In het licht van die wijzigingen en op basis van de verstrekte informatie is de EU van oordeel dat over deze aangelegenheid niet langer onderhandeld hoeft te worden. De EU behoudt zich evenwel het recht voor de nadere bijzonder- heden betreffende de uitvoering van de regeling te bestuderen.
De EU kan niet ingaan op het verzoek van Malta om na de toetreding gebruik te maken van de versnelde procedure. De EU verzoekt Malta derhalve zijn standpunt over deze aangelegenheid te
heroverwegen.
7.
Informatienet inzake landbouwbedrijfsboekhoudingen (ILB) - Verordening (EEG)
nr. 79/65 van de Raad
De EU neemt nota van de door Malta verstrekte informatie over de uitvoering van het ILB. De EU neemt er nota van dat Malta zijn standpunt heeft heroverwogen, en nu slechts één ILB-regio met twee subregio's overweegt.
De EU neemt er nota van dat bepaalde gegevens pas voor het derde kwartaal van 2002 beschikbaar zullen zijn. De EU verzoekt Malta derhalve de definitieve gegevens te verstrekken wanneer die beschikbaar komen. De EU wijst erop dat ILB-gebieden verenigbaar moeten zijn met FSS-gebieden en met NUTS-gebieden.
8.
Niet onder bijlage I vallende goederen
De EU neemt nota van het door Malta voorgelegde uitvoeringsplan met betrekking tot het beheer van niet onder bijlage I vallende goederen. De EU spoort Malta ertoe aan voort te gaan met het proces van aanpassing van zijn beleid aan het acquis en met de effectieve uitvoering daarvan.
8 bis. Voorraden landbouwproducten in de nieuwe lidstaten
De EU merkt op dat met betrekking tot het vraagstuk van de hoeveelheden landbouwproducten die op de datum van toetreding in Malta in voorraad zijn, twee verschillende aspecten moeten worden
geregeld:
·
de overname van de openbare voorraden door de Gemeenschap, en
· de behandeling van de voorraden in het vrije verkeer , met name wanneer die voorraden het
niveau van de normale overdrachthoeveelheden overschrijden.
De EU merkt ook op dat, evenals bij de vorige toetredingen, veiligheidsvoorraden hierbij niet in aanmerking moeten worden genomen, omdat ervan wordt uitgegaan dat die gedurende een bepaalde periode na de toetreding in voorraad gehouden zullen worden.
B
Voorraden in het vrije verkeer
De EU is van mening dat alle voorraden (zowel particuliere als openbare voorraden) die zich op de datum van toetreding in Malta in het vrije verkeer bevinden en die het niveau overschrijden van wat als normale overdrachthoeveelheden kan worden beschouwd, op kosten van Malta moeten worden weggewerkt. Dit zou in principe gelden voor producten waarvoor exportrestituties of interventie- maatregelen van toepassing zijn.
De EU is voorts van mening dat het niveau van de normale overdrachthoeveelheden voor elk product moet worden bepaald aan de hand van de specifieke criteria en doelstellingen van elke gemeenschappelijke marktordening.
De EU is van mening dat de Commissie gemachtigd moet worden de hierboven uiteengezette rege- lingen uit te voeren en toe te passen.
C.
Speculatieve transacties
De EU wijst erop dat de mogelijke verstoringen van de markt door een verlegging van de handels- stromen als gevolg van een oneerlijke benutting van verschillen in de handelsvoorwaarden vóór en na de toetreding, moeten worden aangepakt via een voorzorgsaanpak, door, bij voorkeur vóór en na de toetreding, passende maatregelen te nemen op basis van een soortgelijke overgangsclausule als artikel 149 van de Toetredingsakte voor Oostenrijk, Finland en Zweden. De EU stemt er meer bepaald mee in het risico van verlegging van de handelsstromen als gevolg van de toetreding van Malta waar nodig af te dekken door middel van overgangsmaatregelen die vóór de toetreding volgens de passende procedure moeten worden vastgesteld.
Dit vraagstuk zou het beste kunnen worden geregeld via soortgelijke bepalingen als van Verordening (EG) nr. 3108/94 betreffende de wegens de toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden te nemen overgangsmaatregelen voor het handelsverkeer in landbouwproducten (met name regels voor op het tijdstip van de toetreding lopende in- en uitvoertransacties, en heffingen voor houders van overschotvoorraden).
De EU neemt er tevens nota van dat Malta twee thans geldende overheidssteunmaatregelen heeft genoemd (terugbetaling van 50% van de bijdrage aan de nationale verzekeringsregeling aan voltijdse landbouwers die lid zijn van een coöperatie, en een bijdrage voor het in de handel brengen ten belope van 4,25% van de verkoop van die coöperaties die een kraam uitbaten op de groot- handelsmarkten voor groenten en fruit) die het na de toetreding gedurende drie jaar wenst te handhaven. De EU neemt er nota van dat Malta verklaart dat het deze regelingen na voornoemde periode zal vervangen door regelingen die stroken met het acquis. Tenslotte neemt de EU er nota van dat Malta zijn verzoek handhaaft om de steunmaatregel in de vorm van vrij vervoer van producten van Gozo naar Malta voor de landbouwers van Gozo, na de toetreding te mogen handhaven. Die maatregel zou nodig zijn om de landbouwers van Gozo in staat te stellen met hun Maltese collega's te concurreren bij de verkoop van hun producten in Malta via de op het eiland Malta gelegen centrale markt.
De EU herhaalt dat alle regelingen voor overheidssteun aan de landbouw bij de toetreding in overeenstemming met het acquis moeten zijn. De EU herinnert Malta eraan dat geen overgangs- periode is toegestaan wat betreft de algemene toepassing van de regelgeving inzake overheidssteun op landbouwgebied. Malta wordt derhalve verzocht om vóór de toetreding wijzigingen aan te brengen in de genoemde maatregelen, namelijk de terubetaling van 50% van de bijdrage aan de nationale verzekeringsregeling aan voltijdse landbouwers die lid zijn van een coöperatie, en een bijdrage voor het in de handel brengen ten belope van 4,25% van de verkoop van die coöperaties die een kraam uitbaten op de groothandelsmarkten voor groenten en fruit.
De EU herhaalt dat de toepassing van steunmaatregelen zoals het vrij vervoer van producten van Gozo naar Malta voor de landbouwers van Gozo, niet in overeenstemming met het acquis lijkt te zijn. De EU verzoekt Malta derhalve zijn verzoek te heroverwegen.
9 A.
Bestaande overheidssteun
De EU is van mening dat, om bij de toetreding bepaalde steunmaatregelen te kunnen indelen als bestaande steun in de zin van artikel 1, punt b), van Verordening (EG) nr. 659/1999
1 en om een
overzicht te krijgen van alle overheidssteun die in Malta van toepassing is, in het landbouw- hoofdstuk van de toetredingsakte moet worden bepaald dat Malta binnen 4 maanden na de toe- treding gedetailleerde informatie
a)
van de vóór de toetreding in de nieuwe lidstaten toepasselijke steunmaatregelen alleen die
maatregelen die vóór het einde van de vierde maand na de toetredingsdatum aan de Commissie zijn meegedeeld, tot het einde van het derde jaar na de toetredingsdatum beschouwd worden als "bestaande" steunmaatregelen in de zin van artikel 88, lid 1, van het EG-Verdrag. De Commissie zal een lijst van die steunmaatregelen bekendmaken.
b)
de nieuwe lidstaten iedere steun wijzigen die in overeenstemming met punt a) als bestaande
steun wordt beschouwd, om zich uiterlijk voor het einde van het derde jaar na de toetredingsdatum te conformeren aan de door de Commissie toegepaste richtsnoeren. Na die datum wordt steun die onverenigbaar blijkt te zijn met de bovengenoemde richtsnoeren als nieuwe steun aangemerkt;
c)
bestaande steunmaatregelen en plannen om steunmaatregelen in te voeren of te wijzigen,
welke vóór de toetreding ter kennis van de Commissie zijn gebracht, worden beschouwd als steun- maatregelen en plannen waarvan op de datum van toetreding kennis is gegeven.
10. Diversen (Verordening (EEG) nr. 827/68 van de Raad)
De EU neemt er nota van dat Malta het acquis op het gebied van Verordening (EEG) nr. 827/68 ("saldo"), de programma's voor de ultraperifere gebieden en regelingen inzake termijnen, radio- activiteit en de gratis verstrekking van levensmiddelen aan de meest hulpbehoevenden aanvaardt.
De EU neemt er tevens nota van dat Malta het acquis op het gebied van de bevordering van het verbruik van bepaalde producten aanvaardt.
11/12/13 Speciaal marktbeleidprogramma voor de Maltese landbouw
De EU neemt er nota van dat Malta om een door de EU medegefinancierd speciaal marktbeleid- programma voor de Maltese landbouw verzoekt. De EU neemt er nota van dat het Maltese programma bestaat uit drie verschillende soorten overgangsmaatregelen die ten doel hebben de gevolgen van de deelneming van Malta aan de interne markt af te zwakken en de onvoorbereide landbouw aan te passen aan de omstandigheden op de EU-markt.
De EU herinnert eraan dat zij niet kan aanvaarden dat Malta na de toetredingsdatum invoerheffingen handhaaft. De EU verzoekt Malta derhalve zijn verzoek betreffende de geleidelijke afschaffing van invoerheffingen te heroverwegen.
De EU memoreert voorts dat de specifieke bevoorradingsregelingen waarom Malta verzoekt, onverenigbaar zijn met het acquis, met name met het gemeenschappelijk douanetarief, wat betreft tariefcontingenten met nulrecht voor uit derde landen ingevoerde producten, en met het vrije verkeer van goederen op de interne markt, wat betreft de eis van uitvoerrestituties voor goederen van oorsprong uit andere lidstaten die naar Malta worden verzonden. De EU verzoekt Malta derhalve om zijn verzoek om bijzondere bevoorradingsregelingen te heroverwegen.
Speciale tijdelijke overheidssteun ter ondersteuning van landbouwproducenten
Gezien de uitzonderlijk kleine schaal van de Maltese landbouw, de specifieke natuurlijke beperkingen van het eiland, en het grote prijsverschil tussen de lokale producten en EU-goederen, is de EU van mening dat er voor de Maltese producenten van voor verwerking bestemde tomaten, verse groenten en fruit, wijn, varkensvlees, melk, pluimvee en eieren een speciale tijdelijke overheidssteunregeling ingesteld zou moeten worden om het verlies aan inkomsten van de landbouwers ten gevolge van de daling van de lokale prijzen na de toetreding te compenseren. Die steun zou in elke sector (behalve voor aardappelen) worden aangepast aan de steun die in het kader van het huidige GLB bestaat. Het maximumniveau van de overheidssteun voor de producenten zou worden berekend op basis van het prijsverschil tussen de EU-prijzen (inclusief vervoer) en de Maltese prijzen (de in aanmerking te nemen prijzen zouden de producentenprijzen zijn). De EU is van oordeel dat deze inkomenssteun lineair degressief moet worden verleend (14,3% van het referentiejaar per jaar) voor een periode die eindigt op 31 december 2010.
Met betrekking tot voornoemde regeling voor overheidssteun is de EU van oordeel dat bij de berekening van prijsverschillen de statistische gegevens van Eurostat moeten worden gebruikt. De prijzen van de EU-producenten moeten worden bepaald aan de hand van prijzen uit EU-lidstaten die momenteel exporteren en/of na de toetreding waarschijnlijk producten aan Malta zullen verkopen. Teneinde te voorkomen dat de compenserende steunregeling de productie bevordert, moet de regeling beperkt blijven tot de niveaus van de historische productie (gedurende een referentie- periode van drie jaar bestaande uit de jaren 1998-1999-2000). Wat betreft de sector groenten en fruit neemt de EU nota van de suggestie van Malta om het jaar 1998 als referentiejaar te nemen voor de berekening van de prijsverschillen in verband met de steun aan de producenten. De EU kan dit voorstel aanvaarden.
Op basis van voornoemde beginselen en met gebruikmaking van de cijfergegevens van Eurostat en de door Malta verstrekte informatie (CONF-M 37/02) is de EU van oordeel dat Malta in 2004 maximaal 1 915 428 euro steun aan zijn producenten in de fruitsector mag verlenen, en maximaal 583 850 euro aan zijn producenten in de groentensector.
Om de dienovereenkomstige maximumbedragen aan overheidssteun voor de producenten in de sectoren zuivel, eieren, varkensvlees, slachtpluimvee en wijn te kunnen berekenen, wordt Malta verzocht om de Commissie zo spoedig mogelijk gedetailleerde informatie te verstrekken over de Maltese producentenprijzen voor deze sectoren, alsmede over de oorsprong van de huidige Maltese invoer van deze producten.
Speciale tijdelijke overheidssteun ter ondersteuning van verwerkende bedrijven en erkende detailhandelaren voor ingevoerde landbouwproducten
Gezien de specifieke behoeften van de Maltese consumenten en verwerkende bedrijven, is de EU van mening dat er voor hen een speciale tijdelijke overheidssteunregeling zou moeten komen, ter ondersteuning van de aankoop van landbouwproducten die vóór de toetreding uitvoerrestituties genoten of zonder rechten uit derde landen werden ingevoerd (suiker, granen en rijst, sommige zuivelproducten, vlees, en halfverwerkte tomatenproducten), op basis van de traditionele handels- en consumptiepatronen. In dat geval zou er echter een mechanisme moeten worden ingevoerd om ervoor te zorgen dat die steun inderdaad ten goede komt aan de consument. Het maximumniveau van de overheidssteun voor verwerkende bedrijven en erkende detailhandelaren zou worden berekend op basis van het prijsverschil tussen de EU-prijzen (inclusief vervoer) en de wereld- marktprijzen, waarbij het niveau van de uitvoerrestituties in aanmerking zou worden genomen. Deze inkomenssteun zou lineair degressief worden verleend (14,3% van het referentiejaar per jaar) voor een periode die eindigt op 31 december 2010.
Om het niveau van de overheidssteun bestemd voor verwerkende bedrijven en erkende detail- handelaren te kunnen berekenen, wordt Malta verzocht om de Commissie zo spoedig mogelijk gedetailleerde informatie te verstrekken over de prijsverschillen tussen de EU-prijzen (inclusief vervoer) en de wereldmarktprijzen, waarbij het niveau van de uitvoerrestituties in aanmerking wordt genomen.
De EU herhaalt tot slot haar verzoek aan Malta om de Commissie zo spoedig mogelijk informatie te verstrekken over de benodigde en effectieve beheers- en controlesystemen die moeten worden ingesteld voor de uitvoering van de specifieke maatregelen.
Op basis van de informatie die door Malta moet worden verstrekt, zal de Commissie steunverlening toestaan aan de producenten van voornoemde producten, alsmede aan de verwerkende bedrijven en erkende detailhandelaren voor voornoemde ingevoerde producten, en zal zij daarbij de maximale aanvangsniveaus van die steun bepalen, alsmede, indien nodig, de voorwaarden voor de steunverlening, rekening houdend met andere steunmaatregelen op grond van de communautaire regelgeving. Het besluit ter zake moet vóór de datum van toetreding worden genomen.
De maatregelen van het speciaal marktbeleidprogramma voor de Maltese landbouw in verband met plattelandsontwikkeling, worden behandeld in de afdeling plattelandsontwikkeling (punt 47 van dit document).
De EU herinnert aan haar algemeen onderhandelingsstandpunt dat overgangsmaatregelen een uitzondering vormen, in tijd en draagwijdte beperkt zijn en vergezeld gaan van een plan voor de toepassing van het acquis in duidelijk omschreven stappen. Zij mogen in geen geval wijzigingen van de regels en het beleid van de Europese Unie met zich meebrengen, de goede werking daarvan verstoren of tot ernstige concurrentieverstoringen leiden.
GEMEENSCHAPPELIJKE MARKTORDENINGEN
13 bis. Rechtstreekse betalingen
-
1.Rechtstreekse betalingen
De EU neemt nota van het verzoek van Malta om zijn landbouwers na de toetreding in dezelfde mate rechtstreekse betalingen te verlenen als de landbouwers van de EU. De EU is van mening dat op dit verzoek niet moet worden ingegaan, maar dat de rechtstreekse betalingen in Malta gedurende een overgangsperiode geleidelijk moeten worden ingevoerd.
Onverminderd toekomstige beslissingen over het gemeenschappelijk landbouwbeleid, de financiering van de Europese Unie na 2006, eventuele gevolgen van de uitvoering van punt 22 van de conclusies van de Europese Raad van Berlijn, alsmede de internationale verbintenissen die de Europese Unie is aangegaan, onder meer bij de start van de ontwikkelingsronde van Doha, zullen rechtstreekse betalingen worden ingevoerd overeenkomstig de volgende regeling inzake toename, uitgedrukt als percentage van het niveau van dergelijke betalingen in de Unie:
2004: 25%
2005: 30%
2006: 35%
2007: 40%
en vervolgens een toename van 10%, zodat de nieuwe lidstaten in 2013 het niveau van steun krijgen dat op dat ogenblik van toepassing zal zijn in de huidige Europese Unie. De EU is voorts van mening dat de in artikel 2 bis van Verordening (EG) nr. 1259/1999 van de Raad bepaalde regeling voor kleine landbouwers niet van toepassing moet zijn.
-
2.Vereenvoudigde regeling
De EU is van mening dat Malta de keuze moet hebben om, in plaats van de standaardregeling voor rechtstreekse betalingen toe te passen die in de huidige EU van toepassing is, zijn landbouwers gedurende beperkte tijd de rechtstreekse GLB-betalingen te verlenen in de vorm van een niet- productgebonden areaalbetaling, uitgedrukt in /ha.
De EU is voorts van mening dat de betalingen die per jaar in Malta uit hoofde van die vereenvoudigde regeling kunnen worden gedaan, beperkt moeten worden tot een jaarlijks totaalbedrag. Dat totaalbedrag moet als volgt worden bepaald:
· de som van de EU-middelen die in Malta beschikbaar zouden zijn voor de verlening van
rechtstreekse betalingen overeenkomstig de standaardregeling;
· berekend overeenkomstig de desbetreffende EU-voorschriften en op basis van de kwantitatieve
parameters (bijv. basisareaal, maxima voor premies, gegarandeerde maximumhoeveelheden (GMH)) die in de toetredingsakte voor elke in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1259/1999 genoemde rechtstreekse-steunregeling gespecificeerd zijn; en
· aangepast door toepassing van het voor de geleidelijke invoering van de rechtstreekse
betalingen gespecificeerde percentage.
De EU merkt op dat, in het kader van deze keuzemogelijkheid, het hectarebedrag van de areaal- betaling voor Malta moet worden berekend door het jaarlijkse totaalbedrag voor Malta te delen door de oppervlakte cultuurgrond van het land. Het areaal in het kader van de vereenvoudigde regeling is het deel van de oppervlakte cultuurgrond volgens de EUROSTAT-definitie
3 dat op 30 juni 2003
landbouwkundig in goede staat verkeert (ongeacht of het op die datum al dan niet in productie is), als geconstateerd aan de hand van door Malta vast te stellen objectieve criteria.
De EU is van mening dat, met het oog op de verlening van betalingen uit hoofde van de vereen- voudigde regeling:
·
alle landbouwpercelen die beantwoorden aan de EUROSTAT-definitie van gebruikte opper-
vlakte cultuurgrond, die op 30 juni 2003 landbouwkundig in goede staat zijn (ongeacht of het op die datum al dan niet in productie is), als geconstateerd aan de hand van door Malta vast te stellen objectieve criteria, daarvoor in aanmerking moeten komen;
· de minimumomvang van het in aanmerking komend areaal per bedrijf waarvoor betalingen
kunnen worden gevraagd, dient op 0,3 ha te worden vastgesteld. Malta moet echter op basis van objectieve criteria en na goedkeuring van de Commissie kunnen besluiten die minimumomvang tot ten hoogste 1 ha te vergroten;
·
er moet geen verplichting bestaan om te produceren of om de productiefactoren te gebruiken.
De EU wijst erop dat voor de vereenvoudigde regeling een beperkte toepassing van het GBCS vereist zou zijn. Daartoe moeten de regels van Verordening (EEG) nr. 3508/92, en met name van artikel 2, op de vereenvoudigde regeling worden toegepast voor zover dat nodig is. Dit houdt in dat Malta onder andere:
-
de jaarlijkse steunaanvragen van de landbouwers moet voorbereiden en behandelen indien die aanvragen alleen gegevens over de aanvragers en de vermelde percelen landbouwgrond bevatten (identificatienummer en oppervlakte, maar niet het gebruik);
-
een systeem voor de identificatie van de percelen landbouwgrond moet invoeren om ervoor te zorgen dat percelen waarvoor steunaanvragen worden gedaan, werkelijk kunnen worden geïdentificeerd, dat de betrokken oppervlakte juist is, dat de percelen uit landbouwgrond bestaan en dat er niet reeds eerder een aanvraag voor is ingediend;
-
moet beschikken over een databank voor landbouwbedrijven, percelen en steunaanvragen;
-
de steunaanvragen overeenkomstig de artikelen 7 en 8 van Verordening (EEG) nr. 3508/92 moet controleren.
De EU wijst erop dat de toepassing van de vereenvoudigde regeling niets afdoet aan de verplich- tingen van Malta met betrekking tot de uitvoering van het acquis op het gebied van de identificatie en registratie van dieren.
De EU is voorts van mening dat de vereenvoudigde regeling onder Verordening (EG) nr. 1258/1999 betreffende de financiering van het GLB zou moeten vallen. Zij moet ook worden onderworpen aan de gemeenschappelijke voorschriften die bij Verordening (EG) nr. 1259/1999 zijn vastgesteld. De regeling voor kleine landbouwers (artikel 2 bis) zou echter niet moeten worden toegepast, aangezien dat een in de tijd beperkt proefproject is en er voor de landbouwers in Malta bij de toetreding geen referentiebedragen van eerder toegekende steun bekend zullen zijn.
De EU is van mening dat de vereenvoudigde regeling voor drie jaar beschikbaar moet zijn, met de mogelijkheid van tweemaal een verlenging met één jaar op verzoek van Malta. Malta zou echter de mogelijkheid hebben de toepassingsperiode reeds na het eerste of het tweede jaar na de toetreding te beëindigen. Gedurende de toepassingsperiode van de vereenvoudigde regelingen zou Malta alle nodige stappen moeten nemen om de uitvoeringsstructuren van het GBCS tot stand te brengen die nodig zijn om de standaardregeling van rechtstreekse betalingen naar behoren toe te passen. Aan het einde van de overgangsperiode zou Malta derhalve gereed moeten zijn om de standaardregeling in de dan geldende vorm toe te passen. De EU doelt in dit verband met name op het GBCS en de onderdelen daarvan (artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 3508/92).
Voor het einde van de toepassingsperiode van de vereenvoudigde regeling zal de Commissie beoordelen of Malta gereed is om de standaardregeling van rechtstreekse betalingen volledig toe te passen. Op die grondslag zal de Commissie:
-
er nota van nemen dat Malta kan toetreden tot de standaardregeling van rechtstreekse betalingen, of
-
besluiten de toepassing van de vereenvoudigde regeling door Malta voort te zetten voor de tijd die nodig is om de vereiste beheers- en controleprocedures volledig tot stand te brengen en/of goed te laten functioneren.
In het laatste geval, maar niet alvorens de toepassingsperiode van vijf jaar is verstreken, zou de jaar- lijkse verhoging van het percentage van de rechtstreekse betalingen voor Malta in het kader van bovengenoemde aanpak evenwel worden bevroren tot het einde van de verlengde toepassings- periode. Het besluit om Malta toe te staan aan het einde van de verlengde toepassingsperiode toe te treden tot de standaardregeling voor rechtstreekse betalingen wordt ook door de Commissie genomen, wanneer Malta heeft aangetoond gereed te zijn om de standaardregeling volledig toe te passen.
De EU benadrukt dat na verloop van de toepassingsperiode van de vereenvoudigde regeling de standaardregeling zou worden toegepast overeenkomstig de desbetreffende EU-voorschriften en op basis van de kwantitatieve parameters (bijv. basisareaal, maxima voor premies, gegarandeerde maximumhoeveelheden (GMH) die in de toetredingsakte voor elke in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1259/1999 genoemde rechtstreekse-steunregeling gespecificeerd zijn, onverminderd eventuele aanpassingen ten gevolge van wijzigingen in de desbetreffende EU-wetgeving.
De EU merkt op dat de toepassing van de vereenvoudigde regeling facultatief is. Zou Malta echter niet kiezen voor toepassing van de vereenvoudigde regeling, dan zou het de standaardregeling voor rechtstreekse betalingen vanaf de toetreding volledig, in overeenstemming met de desbetreffende beheers- en controlevoorschriften van de EU moeten toepassen. Er kunnen geen overgangsperiodes worden toegestaan voor de toepassing van het GBCS of voor andere voorschriften van de gemeen- schappelijke marktordeningen (GMO's) met betrekking tot rechtstreekse betalingen.
De EU is van mening dat de gedetailleerde voorschriften voor de uitvoering van de vereenvoudigde regeling door de Commissie moeten worden aangenomen volgens de procedure van het comité van beheer.
-
3.Aanvullende nationale rechtstreekse betalingen
-
a)De EU is van mening dat Malta de mogelijkheid moet krijgen om, indien het vóór de toetreding nationale rechtstreekse betalingen aan landbouwers heeft toegepast
4, onder voorbehoud van
toestemming van de Commissie, de rechtstreekse steun die in het kader van een van de in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1259/1999 genoemde steunregelingen aan een landbouwer wordt betaald, aan te vullen tot het totale niveau van rechtstreekse steun waar de betrokkene vóór de toetreding in Malta uit hoofde van een overeenkomstige nationale regeling aanspraak op zou hebben kunnen maken. De totale rechtstreekse steun die na de toetreding in Malta uit hoofde van de betrokken EU- regeling aan de landbouwer kan worden verleend, inclusief alle aanvullende nationale rechtstreekse betalingen, mag echter in geen geval hoger zijn dan de rechtstreekse steun waarop hij uit hoofde van die regeling in de bestaande EU aanspraak zou kunnen maken.
De EU is van mening dat de toestemming van de Commissie:
· de desbetreffende nationale, met het GLB vergelijkbare regelingen van rechtstreekse betalingen,
alsook de voorwaarden voor het verlenen van de aanvullende nationale rechtstreekse betalingen moet specificeren;
· moet worden verleend onder voorbehoud van de aanpassingen die nodig zouden kunnen worden
ten gevolge van de ontwikkelingen in het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
-
b)Voorts is de EU van mening dat de keuze om nationale aanvullende steun te verlenen, ook open moet staan indien Malta verkiest de vereenvoudigde regeling toe te passen. Indien daarvoor wordt gekozen, zou Malta, mits het kan aantonen dat er verschillen zijn tussen het niveau van de nationale rechtstreekse steun die vóór de toetreding aan zijn landbouwers werd verleend en het niveau van de steun die uit hoofde van de vereenvoudigde steunregeling van de EU kan worden verleend, de mogelijkheid moeten hebben om, in een passende vorm, degressieve aanvullende nationale steun te verlenen aan landbouwers die uit hoofde van de vereenvoudigde regeling rechtstreekse EU- betalingen ontvangen.
De EU wijst erop dat het totaalbedrag van de aanvullende nationale steun dat in een bepaald jaar na de toetreding kan worden verleend, moet worden beperkt tot een specifiek totaalbedrag. Dat specifieke totaalbedrag zou gelijk zijn aan het verschil tussen:
Bovendien mag het totaalbedrag aan rechtstreekse steun dat na de toetreding uit hoofde van de vereenvoudigde regeling aan een landbouwer wordt verleend, inclusief de aanvullende nationale steun, niet het totaalbedrag overschrijden van de nationale rechtstreekse betalingen die hij zou hebben kunnen ontvangen uit hoofde van met het GLB vergelijkbare nationale regelingen van rechtstreekse betalingen die vóór de toetreding van toepassing waren.
De EU is van mening dat Malta binnen de grenzen van zijn specifieke totaalbedrag het recht moet hebben om, op basis van objectieve criteria en mits de Commissie toestemming verleent, te besluiten over de toe te kennen bedragen aan aanvullende nationale steun. De vastgestelde bedragen moeten echter degressief zijn, in overeenstemming met het ritme van de invoering van de recht- streekse betalingen.
De EU is van mening dat de toestemming van de Commissie:
· het aanvankelijke specifieke totaalbedrag, het tempo waarin de aanvullende nationale steun
moet afnemen en, waar nodig, de voorwaarden voor de verlening van die steun moet bepalen;
· moet worden verleend onder voorbehoud van de aanpassingen die nodig zouden kunnen worden
ten gevolge van de ontwikkelingen in het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
-
c)De EU is van mening dat een nationale regeling inzake rechtstreekse betalingen die vóór de toe- treding van toepassing was, moet worden beschouwd als een met het GLB vergelijkbare regeling indien de beschikbare nationale rechtstreekse steun aan de landbouwers werd verleend voor een productie die onder een van de in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1259/1999 genoemde rege- lingen inzake rechtstreekse betalingen van de EU valt.
De EU wijst erop dat zowel in het kader van de standaardregeling als in het kader van de vereen- voudigde regeling van de EU geen aanvullende nationale betalingen en steun mogen worden verleend voor landbouwactiviteiten die niet rechtstreeks worden gesteund in het kader van het GLB (bijlage bij Verordening (EG) nr. 1259/1999).
De EU wijst er tevens op dat de referentieperiode voor de vaststelling van het niveau van de recht- streekse steun in Malta vóór de toetreding, zodanig moet worden bepaald dat de rechtstreekse inkomenssteun die vóór de toetreding in Malta werd verleend, realistisch wordt weergegeven, en dat wordt voorkomen dat er nieuwe of aanvullende steunregelingen in het leven worden geroepen met als oogmerk gebruik te kunnen maken van de aanvullingsmogelijkheid. Derhalve zou het jaar 2001 als referentiejaar gekozen moeten worden. Bovendien zou Malta de EU uiterlijk bij de toetreding moeten informeren over de nationale regelingen waarvoor het overweegt om na de toe- treding aanvullende nationale rechtstreekse betalingen te verrichten.
Indien Malta voor afzonderlijke producten zou kunnen aantonen dat de EU-aanpak zou leiden tot een werkelijke verlaging van de steun voor zijn landbouwers, zou een specifieke oplossing voor dit land kunnen worden ontwikkeld, waarbij evenwel rekening zou worden gehouden met alle na de toetreding uit hoofde van het GLB beschikbare steuncomponenten.
De EU benadrukt dat iedere nationale aanvullende rechtstreekse betaling of steun zou worden gefinancierd uit de nationale begroting.
13 ter. Productiequota en andere instrumenten voor productiebeheersing
De EU neemt nota van de verzoeken van Malta inzake de bepaling van verschillende productie- quota en andere instrumenten voor productiebeheersing. De EU is van mening dat deze instru- menten gekwantificeerd moeten worden op basis van de meest recente referentieperiodes waarover gegevens beschikbaar zijn, te weten de periode van 1995 tot 1999 (en, indien beschikbaar, 2000).
De EU acht het voorts redelijk om voor de keuze - binnen het genoemde tijdschema - van de voor elke afzonderlijke regeling meest geschikte referentieperiode rekening te houden met de aanpak die bij de instelling van de betrokken regelingen is gevolgd wat betreft het aantal of de combinatie van de betrokken jaren. De bij vorige toetredingen toegepaste methodes zouden ook in overweging moeten worden genomen. De EU zal rekening houden met uitzonderlijke situaties, zoals natuur- rampen of significante marktverstoringen, mits Malta het bestaan van zulke uitzonderlijke omstandigheden met duidelijke, overtuigende bewijzen/gegevens kan aantonen.
AKKERBOUWGEWASSEN
GRANEN, OLIEHOUDENDE ZADEN EN EIWITHOUDENDE GEWASSEN
Gemeenschappelijke marktordening voor granen (Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad)
14.
Afschaffing van het monopolie op het gebied van granen
De EU neemt nota van de door Malta verstrekte informatie dat de operationele en regelgevende aspecten van Medigrain Ltd voor het vierde kwartaal van 2002 van elkaar gescheiden zullen zijn.
De EU verzoekt Malta om te bevestigen dat die scheiding heeft plaatsgevonden. De EU neemt tevens nota van de met betrekking tot de geplande privatisering van graanopslagcapaciteit verstrekte informatie.
De EU neemt er nota van dat Malta voor het vierde kwartaal van 2002 een tijdschema zal uitwerken om het monopolie aan te passen overeenkomstig artikel 31 van het Verdrag. De EU verzoekt Malta om te bevestigen dat het tijdschema is vastgesteld en om een gedetailleerde beschrijving van de toepassing van dit tijdschema over te leggen.
Stelsel van areaalbetaling voor akkerbouwgewassen (Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad)
-
15.
Bepaling van het basisareaal voor akkerbouwgewassen overeenkomstig artikel 2, lid 2,
en bijlage II van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad en van de gemiddelde graanopbrengst als bedoeld in artikel 3, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van
de Raad
De EU neemt nota van de verduidelijking van Malta dat het zowel verzoekt om een basisareaal van 4 500 hectaren in de zin van artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1251/1999, als om een aanvullende steun van 19 EUR/ton overeenkomstig artikel 4, lid 4, van dezelfde verordening. De EU neemt nota van het verzoek van Malta om de referentieopbrengst vast te stellen op 2,5 ton per hectare. De EU neemt tevens nota van de verstrekte informatie over het areaal voor akkerbouw- gewassen in de periode 1996-2001, over de gehanteerde productiemethoden en over de methode die is gebruikt voor de raming van de gemiddelde graanopbrengst (CONF-M 23/02, 37/02 en 108/02).
De EU merkt op dat artikel 4, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1251/99 voorziet in een aanvullend bedrag op de areaalbetaling van 19 euro per ton in Finland, alsmede in Zweden (ten noorden van de 62e breedtegraad) en in een aantal aangrenzende gebieden met vergelijkbare klimatologische omstandigheden die de landbouw bijzonder bemoeilijken. De EU merkt op dat Malta geen gebieden ten noorden van de 62e breedtegraad heeft en geen klimatologische omstandigheden heeft die vergelijkbaar zijn met die ten noorden van de 62e breedtegraad. De EU verzoekt Malta derhalve zijn verzoek te heroverwegen.
-
i)Vaststelling van het basisareaal
De EU is van mening dat, overeenkomstig de onder punt 13 ter uiteengezette aanpak inzake de historische kwantitatieve referentieniveaus, het gemiddelde van de jaren 1997, 1998 en 1999 het meest geschikt zou zijn om het basisareaal voor akkerbouwgewassen voor Malta te bepalen.
De EU concludeert dat volgens de hierboven uiteengezette methode het basisareaal voor Malta moet worden vastgesteld op 4 565 ha.
-
ii)Vaststelling van de referentieopbrengst
De EU is van mening dat, overeenkomstig de onder punt 13 ter uiteengezette aanpak inzake de kwantitatieve referentieniveaus, het gemiddelde van de middelste drie jaren van de periode 1994/95 tot 1998/99 moet worden genomen om de juiste referentieopbrengst voor Malta te bepalen. De EU is evenwel van oordeel dat de informatie die is verstrekt om de passende referentieopbrengst voor Malta te bepalen, nader moet worden toegelicht.
De EU wijst erop dat het basisareaal en de referentieopbrengst van Malta overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 zullen worden vastgesteld door de Commissie volgens de procedure van het comité van beheer.
-
iii)Vaststelling of grond in aanmerking komt voor rechtstreekse betalingen
De EU merkt op dat alle betalingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1251/99 alleen kunnen worden verleend voor grond die als "in aanmerking komende oppervlakte" in de zin van artikel 7 van genoemde verordening wordt beschouwd.
De EU is van mening dat, overeenkomstig de onder punt 9 ter uiteengezette aanpak inzake de historische referentieniveaus, 31 december 2000 moet worden genomen als datum waarop de huidige definitie van in aanmerking komende oppervlakte moet worden toegepast.
De EU merkt evenwel op dat de zekerheid over de verdeling van het grondgebruik in het verleden en de betrouwbaarheid van de registers wellicht groter zou zijn indien Malta een andere datum als referentiedatum voor de in aanmerking komende oppervlakte zou mogen nemen. Derhalve kan een alternatieve (vóór de datum van de afsluiting van de toetredingsonderhandelingen vallende) datum worden overwogen om tot een rigoureuzere toepassing van het begrip "in aanmerking komende grond" te komen, indien Malta kan aantonen dat die aanpak de uitvoering en controle van de regeling voor akkerbouwgewassen betrouwbaarder zou maken.
16. Minimumoppervlakte van de arealen als bedoeld in Verordening (EG) nr. 2316/1999
van de Commissie houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen
De EU neemt er nota van dat Malta zijn verzoek dat de areaalbetalingen als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 2316/1999 van de Commissie (uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad) ook van toepassing zouden zijn op arealen kleiner dan 0,3 ha, heeft ingetrokken.
NON-FOOD (industriële braak), VERWERKTE GRANEN, AARDAPPELZETMEEL, GRAANSUBSTITUTEN (MANIOK etc.), SAMENGESTELDE DIERVOEDERS, RIJST EN GEDROOGDE VOEDERGEWASSEN
GROENTEN EN FRUIT
Verse groenten en fruit
18.
Handelsnormen voor groenten en fruit (Verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad)
De EU neemt nota van de informatie over de sector en van het tijdschema dat Malta heeft verstrekt met betrekking tot de handelsnormen voor groenten en fruit. De EU spoort Malta ertoe aan voort te gaan met het proces van aanpassing van zijn beleid aan het acquis en met de effectieve uitvoering
daarvan.
-
19.
Financiële steun aan telersverenigingen (artikel 14, lid 7, van Verordening (EG)
nr. 2200/96 van de Raad)
De EU neemt er nota van dat Malta zijn verzoek om in aanmerking te komen voor soortgelijke maatregelen als die welke momenteel gelden voor Portugal uit hoofde van artikel 14, lid 7, van Verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad in verband met steun voor de oprichting van telers- verenigingen, heeft ingetrokken.
19 bis. Tariefcontingenten voor conserven van paddestoelen (Verordening (EG) nr. 2125/95)
(Nieuw punt)
De EU neemt nota van de intrekking van het verzoek van Malta om de in Verordening (EG)
nr. 2125/95 bepaalde tariefcontingenten met beperkte rechten te verhogen ter dekking van zijn invoerbehoeften aan conserven van paddestoelen.
20. Nationale drempels voor verwerkte tomaten (Bijlage III bij Verordening (EG) nr. 2201/96
van de Raad, gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2699/2000 )
De EU neemt er nota van dat Malta zijn verzoek handhaaft om toewijzing van een nationale drempel van verwerkte producten op basis van tomaten die overeenkomt met 50 000 ton verse tomaten.
Op basis van de door Malta verstrekte informatie is de EU van oordeel dat de nationale drempel voor tomaten moet worden vastgesteld op 6 830 ton.
De EU neemt nota van de door Malta verstrekte informatie over de tomatenteelt en de organisatie van de productie van tomaten voor verwerking.
De EU is van oordeel dat Malta een tijdelijke en degressieve regeling van 5 jaar moet worden toegestaan. Tijdens deze overgangsperiode kunnen Maltese tomatenverwerkende bedrijven in afwijking van artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2201/96 van de Raad, als gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2699/2000 van de Raad, een deel van hun contracten sluiten met individuele tomatenproducenten die geen lid zijn van een producentenorganisatie. Dit gedeelte mag tijdens het verwerkingsjaar 2004/2005 maximaal 75% bedragen van de totale hoeveelheid verse tomaten waarvoor verwerkende bedrijven contracten hebben afgesloten, 65% tijdens het verwerkingsjaar 2005/2006, 55% tijdens het verwerkingsjaar 2006/2007, 40% tijdens het verwerkingsjaar 2007/2008 en 25% tijdens het verwerkingsjaar 2008/2009. De bestaande Maltese coöperaties die nog niet zijn erkend als producentenorganisaties zullen worden beschouwd als individuele
producenten.
22. Specifieke steun voor het in de handel brengen van verwerkte producten op basis van
tomaten die buiten de Maltese eilanden worden verkocht
De EU neemt er nota van dat Malta zijn verzoek om een specifieke steun van 10% van de CIF-prijs (kosten, verzekering, vracht) voor het in de handel brengen van verwerkte producten op basis van tomaten buiten de Maltese eilanden, handhaaft. De EU herhaalt dat, voorzover het verzoek van Malta gericht is op producten die aan andere lidstaten worden geleverd, het in strijd zou zijn met de regels van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector fruit en groenten. De EU herhaalt eveneens dat dergelijke steun onderhandelingen op WTO-niveau zou vereisen indien deze zou resulteren in een uitbreiding van de lijst van producten die voor uitvoerrestitutie in aanmerking komen. De EU verzoekt Malta derhalve nogmaals, zijn verzoek te heroverwegen.
23. Minimale kwaliteitseisen voor tomaten die in aanmerking komen voor communautaire
verwerkingssteun (Verordening (EEG) nr. 1764/86 van de Commissie en Verordening (EG)
nr. 449/2001 van de Commissie)
De EU neemt er nota van dat Malta zijn verzoek om een afwijking van Verordening (EEG)
nr. 1764/86 en Verordening (EG) nr. 504/97 (thans vervangen door Verordening (EG)
nr. 449/2001), zodat de in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2201/96 (in de versie van Verordening (EG) nr. 2699/2000) bedoelde steun wordt verleend voor tomaten die voor de
productie van Kunserva worden gebruikt en voor hele of geschilde tomaten in tomatensaus (in plaats van tomatensap), handhaaft.
De EU neemt nota van de door Malta verstrekte informatie inzake Kunserva en tomaten in tomatensaus .
De EU is van oordeel dat de tomaten die worden gebruikt voor de productie van Kunserva in aanmerking kunnen komen voor verwerkingssteun. Voor dit product moeten specifieke normen worden vastgesteld en moet de naam "Kunserva" worden gebruikt.
Wat betreft tomaten die worden gebruikt bij de productie van hele of gepelde tomaten in tomatensaus verzoekt de EU Malta om zijn verzoek te heroverwegen.
WIJN EN ALCOHOL
Sector wijn
24. Beheer van de gemeenschappelijke marktordening voor wijn (Verordening (EG)
nr. 1493/1999 van de Raad)
De EU neemt er nota van dat de wijnwet op 21 juni 2002 in werking is getreden en dat secundaire wetgeving in het kader van die wijnwet, ter uitvoering van bepaalde onderdelen van de gemeenschappelijke marktordening voor wijn, zal worden aangenomen en in het vierde kwartaal van 2002 in werking zal treden.
De EU deelt Malta mee dat de ex officio bescherming van geografische aanduidingen en traditio- nele benamingen van wijnen betekent dat moet worden voldaan aan artikel 49 en bijlage VII, punt
G.3., van Verordening (EG) nr. 1493/1999 en aan de bepalingen van Verordening (EG)
nr. 2729/2000. De EU verzoekt Malta om ervoor te zorgen dat de ex officio bescherming uiterlijk bij de toetreding is ingesteld en om de ter zake verantwoordelijke instanties aan te wijzen.
25.
Uitbreiding van het totale landareaal aan wijngaarden
De EU neemt er nota van dat Malta thans verzoekt om de erkenning van de 1 000 hectaren aanplantrechten als zijn nationale reserve van wijngaarden van geselecteerde rassen van internationale druiven en goedgekeurde inheemse rassen. Malta verzoekt voorts om de aanplant- rechten die zijn toegewezen om voor het wijnjaar 2005/2006 te worden gebruikt, opnieuw toe te wijzen aan de nationale reserve van Malta overeenkomstig artikel 5, lid 1, en artikel 5, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad, indien ze tegen die datum nog niet voor de oorspronkelijke bestemming zijn gebruikt. De nationale reserve zou uiterlijk in 2010 worden gebruikt. De 1 000 hectaren zijn bestemd voor de bestaande markt van lokale kwaliteitswijn en/of tafelwijn die met een geografische aanduiding wordt omschreven.
De EU onderstreept dat Malta bij de toetreding een nationale reserve (of regionale reserves) van aanplantrechten moet instellen. Die reserve kan soortgelijke rechten als herbeplantingsrechten omvatten welke overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1493/1999 vóór de toetreding krachtens de Maltese wetgeving zijn toegekend. Aanplantrechten die vóór de toetreding krachtens de Maltese wetgeving zijn toegekend, maar die door de wijnproducenten bij de toetreding niet zijn gebruikt in de zin van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1493/1999, kunnen bij de toetreding evenwel niet worden toegewezen aan de nationale reserve.
De EU wijst erop dat zij het verzoek van Malta zal overwegen om tot een totale oppervlakte van 1 000 hectaren aan wijngaarden te mogen komen door de toekenning van nieuwe-aanplantrechten voor v.q.p.r.d. en/of tafelwijnen die door een geografische aanduiding zijn omschreven. De EU zal rekening houden met:
-
de algemene situatie van de wijnmarkt en de afzetmogelijkheden,
-
-de noodzaak van het garanderen van de productie van kwaliteitswijn en de EU-vereiste dat
v.q.p.r.d. uitsluitend kunnen worden verkregen op basis van druiven uit het betrokken geografisch afgebakend gebied;
-
-de mogelijke positieve gevolgen van de wijnbouw voor Malta vanuit het oogpunt van
plattelandsontwikkeling, milieu (preventie van bodemerosie, groenvoorziening) en landschapsbeheer.
26.
Verrijking van wijn verkregen uit inheemse variëteiten (bijlage V bij Verordening (EG)
nr. 1493/1999)
De EU neemt er nota van dat Malta verzoekt om een overgangsperiode tot 2010 om zijn huidige minimale natuurlijke alcoholgehalte in wijn verkregen uit inheemse variëteiten op 8% te mogen blijven houden, met een toelaatbare stijging van het natuurlijke alcoholgehalte (verrijking) van niet meer dan 3% volume ten opzichte van bijlage V bij Verordening (EG) nr. 1493/1999.
De EU neemt er nota van dat dit verzoek uitsluitend betrekking heeft op wijnen verkregen uit de lokale druivenrassen Gellewza en Ghirgentina. De EU neemt tevens nota van de informatie van Malta over de betrokken wijnbouwoppervlakte en over een plan voor de selectie van het meest geschikte lokale ras en voor de aanpassing van de wijnbouwtechnieken teneinde aan het einde van de overgangsperiode wijndruiven van hoge kwaliteit met een inheems karakter voort te brengen.
De EU kan een overgangsperiode tot 2008 aanvaarden tijdens welke Malta zijn huidige minimale natuurlijke alcoholgehalte in wijn verkregen uit inheemse variëteiten op 8% mag handhaven, met een toelaatbare stijging van het natuurlijke alcoholgehalte (verrijking) van niet meer dan 3% volume ten opzichte van bijlage V bij Verordening (EG) nr. 1493/1999. De EU onderstreept dat Malta moet zorgen voor de daadwerkelijke aanpassing van de wijnbouwtechnieken binnen de vastgestelde termijn teneinde aan het einde van de overgangsperiode wijndruiven van hoge kwaliteit met een inheems karakter voort te brengen.
Gedistilleerde dranken, alcohol en gearomatiseerde wijnen
27. Kwaliteitsnormen voor gedistilleerde dranken en bescherming van gedistilleerde dranken
De EU neemt er tevens nota van dat de wet op de handelsomschrijvingen voorziet in bescherming tegen misleidende of valse omschrijvingen en dat tegen het vierde kwartaal van 2002 afgeleide wetgeving op grond van deze wet zal worden aangenomen.
De EU deelt Malta evenwel mee dat ex offico bescherming van geografische aanduidingen en traditionele benamingen van gedistilleerde dranken inhoudt dat moet worden voldaan aan artikel 10 van Verordening (EEG) nr. 1576/89.
De EU verzoekt Malta om ervoor te zorgen dat de ex officio bescherming uiterlijk bij de toetreding is ingesteld en om de ter zake verantwoordelijke instanties aan te wijzen.
Bananen
28. Tariefcontingenten voor de invoer van bananen (Verordening (EEG) nr. 404/93 van de
Raad en Verordening (EG) nr. 896/2001 van de Commissie)
De EU stelt Malta ervan in kennis dat er passende regelingen zullen worden getroffen om te zorgen voor een toereikende aanvoer van bananen voor de EU-consumenten, overeenkomstig de WTO- voorschriften.
De EU neemt nota van de door Malta verstrekte invoerstatistieken (CONF-M 37/02).
De EU informeert Malta dat de gemeenschappelijke marktordening voor bananen is gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2587/2001.
DIERLIJKE PRODUCTEN
MELK EN MELKPRODUCTEN
29. Specifieke referentiehoeveelheid (melkquota) (Verordening (EEG) nr. 3950/92 van de
De EU is van mening dat de melkquota dienen te worden vastgesteld op basis van de gemiddelde productie voor leveringen en voor rechtstreekse verkoop tijdens de periode 1997-1999.
De EU merkt op dat volgens deze aanpak, de totale jaarlijkse referentiehoeveelheid voor melk voor Malta moet worden vastgesteld op 45 391 ton, geheel bestemd voor leveringen.
Wat artikel 11 van Verordening (EEG) nr. 3950/92 betreft, is de EU van mening dat het meest recente kalenderjaar waarvoor gegevens beschikbaar zijn (2001) dient te worden gebruikt voor de vaststelling van de kenmerken van melk, en in het bijzonder het representatieve vetgehalte van geleverde melk. Gelet evenwel op het zeer lage vetgehalte van de geleverde melk in Malta en op de verplichting om vijf jaar na de toetreding de handelsnormen voor consumptiemelk te halen (zie ook punt 31), aanvaardt de EU om het representatieve gemiddelde vetgehalte na een overgangsperiode van vijf jaar te bepalen. Tijdens de overgangsperiode zal in Malta geen vergelijking van vetgehalten plaatsvinden voor de berekening van de extra heffing (artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 1392/2001).
Wat het melkquotastelsel betreft, neemt de EU nota van de door Malta verstrekte informatie. De EU zal nauwlettend de verdere uitvoering van de maatregelen voor de volledige toepassing van het beheerssysteem voor de melkquota volgen.
Wat betreft de relevante datum om de individuele referentiehoeveelheid melk beschikbaar op het bedrijf in het kader van artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 3590/92 vast te stellen, neemt de EU er nota van dat de individuele referentiehoeveelheid zal worden vastgesteld op basis van de hoeveelheid melk die op 31 maart 2003 op het bedrijf beschikbaar is.
De EU herinnert eraan dat overeenkomstig het acquis aan de koper geleverde of rechtstreeks aan de consument verkochte koemelk of melkequivalent in ieder geval onder de bij Verordening (EEG)
nr. 3950/92 ingestelde melkquotaregeling valt, ongeacht of de melk of het melkequivalent uit hoofde van een in de toetredingsonderhandelingen met Malta overeengekomen overgangsmaatregel is geproduceerd of in de handel gebracht.
30.
Melkpremie en extra betalingen (Verordening (EG) nr. 1255/99 van de Raad, artikelen 16-25)
Wat betreft het nationale totale bedrag voor de aanvullende betalingen, is de EU van mening dat dit bedrag voor Malta op dezelfde wijze als voor de huidige lidstaten moet worden berekend, maar aangepast volgens de in punt 13 bis omschreven aanpak voor de invoering van de rechtstreekse betalingen.
De EU is van oordeel dat het maximum van 350 EUR/ha van artikel 19, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1255/1999 moet worden aangepast overeenkomstig de procedure voor de geleidelijke invoering van de melkpremie, te beginnen met 105 EUR/ha in 2005 en met inachtneming van de in punt 13 bis 1) genoemde percentages.
31.
Vetgehalte van consumptiemelk (Verordening (EG) nr. 2597/97 van de Raad)
De EU neemt er nota van dat Malta nu verzoekt om een kortere overgangsperiode van vijf jaar voor de handhaving van het huidige minimumvetgehalte van 2,5% in het licht van artikel 3, onder b), van Verordening (EG) nr. 2597/97.
De EU kan het verzoek van Malta aanvaarden.
De EU herinnert eraan dat consumptiemelk waarvoor zo'n overgangsregeling geldt, alleen in de handel mag worden gebracht in het land van productie, of mag worden uitgevoerd naar derde landen.
RUNDVLEES
32. Indelingsschema voor geslachte runderen en prijsnotering voor runderen (Verordening
(EG) nr. 1254/1999 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1208/81 van de Raad)
De EU neemt nota van het door Malta voorgelegde uitvoeringsplan en verdere informatie met betrekking tot het indelingsschema voor geslachte runderen en de prijsnotering voor rundvlees. De EU spoort Malta ertoe aan voort te gaan met het proces van aanpassing van zijn beleid aan het acquis en met de effectieve uitvoering daarvan.
33. Etikettering van rundvlees (Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Parlement en de
35.
Zoogkoeienpremies (Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad)
De EU neemt er nota van dat Malta aanvaardt dat het regionale plafond voor de zoogkoeienpremie wordt vastgesteld op 454.
De EU is van oordeel dat de gedetailleerde voorschriften voor de toewijzing van de zoogkoeien- premierechten aan de individuele producenten voor alle kandidaat-lidstaten horizontaal dienen te worden vastgesteld via de passende procedure (beheerscomité), en wel voldoende tijdig vóór de toepassing van de betrokken steunregeling.
36.
Slachtpremie (Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad, artikel 11, lid 3)
De EU neemt er nota van dat Malta aanvaardt dat het maximum voor de slachtpremie op 6 002 wordt vastgesteld voor stieren, ossen, koeien en vaarzen, en op 17 voor kalveren tussen 1 en 7 maanden oud met een slachtgewicht van minder dan 160 kg.
37.
Extra betalingen (Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad)
De EU neemt er nota van dat Malta aanvaardt dat het totale bedrag van de extra betalingen wordt vastgesteld op 63 700 euro.
38.
Eisen betreffende de veebezetting (Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad)
Na toelichtingen van Malta kan de EU instemmen met een geleidelijke lineaire invoering van de veebezettingscoëfficiënten gedurende een overgangsperiode van 5 jaar, van 4,5 GVE/ha voor het eerste jaar na de toetreding tot 1,8 GVE/ha voor het vijfde jaar na de toetreding.
SCHAPEN- EN GEITENVLEES
SCHAPENVLEES
39. Indelingsschema voor geslachte schapen en prijsnotering voor schapenvlees (Verordening
40. Algemeen plafond voor de toekenning van de premie voor ooien (Verordening (EG)
nr. 2467/98 van de Raad, zoals vervangen door Verordening (EG) nr. 2429/2001 van de Raad)
De EU neemt er nota van dat Malta aanvaardt dat het individuele plafond voor de ooien- en geitenpremie wordt vastgesteld op 8 485.
40.a Extra betalingen (Verordening (EG) nr. 2529/2001 van de Raad)
De EU neemt er nota van dat Malta aanvaardt dat het totale bedrag van de extra betalingen wordt vastgesteld op 9 000 euro.
41.
Premie voor geiten (in nader omschreven gebieden) (Verordening (EG) nr. 2529/2001 van
de Raad, artikel 4)
De EU neemt nota van de intrekking van het verzoek van Malta om de in Verordening (EG)
nr. 2467/98 bedoelde premie ook toe te kennen aan de Maltese producenten die geiten fokken.
42. Minimale kuddegrootte en aanvullende premie (Verordening (EG) nr. 2529/2001 van de
Raad, artikelen 4 en 5)
De EU neemt nota van de intrekking van het verzoek van Malta om producenten die ten minste drie ooien/geiten houden, in aanmerking te laten komen voor de jaarlijkse betaling van de ooipremie.
VARKENSVLEES
43. Varkensvlees (Verordening (EEG) nr. 3220/84 van de Raad betreffende het indelings-
schema en Verordening (EEG) nr. 2806/79 van de Commissie betreffende de prijsnotering voor varkensvlees)
EIEREN EN PLUIMVEEVLEES
45. Handelsnormen voor eieren en pluimveevlees; prijzen en productiestatistieken
(Verordeningen (EEG) nr. 1906/90 en nr. 1907/90 van de Raad)
De EU neemt nota van het door Malta voorgelegde uitvoeringsplan en de nadere informatie met betrekking tot handelsnormen en prijzen- en productiestatistieken voor eieren en pluimvee. De EU spoort Malta ertoe aan voort te gaan met het proces van aanpassing van zijn beleid aan het acquis en met de effectieve uitvoering daarvan.
PLATTELANDSONTWIKKELING EN BOSBOUW
46. Programmering, administratieve structuur voor uitvoering, controle en toezicht, strategie
(Verordeningen (EG) nr. 1260/1999 en (EG) nr. 1257/1999 van de Raad)
De EU neemt nota van de door Malta verstrekte aanvullende informatie betreffende de organisatie van de administratieve structuren in verband met de programmering en uitvoering van de programma's voor plattelandsontwikkeling. De EU neemt er in het bijzonder nota van dat de Eenheid Planning Plattelandsontwikkeling bij het ministerie de verantwoordelijkheid zal krijgen voor de organisatie van het programmeringsproces en de uitvoering van het Plattelands- ontwikkelingsplan (RDP), en dat het betaalorgaan bij het ministerie van Landbouw verantwoorde- lijk zal zijn voor de uitgaven in verband met door het EOGFL-Garantie gefinancierde maatregelen, en tevens zal optreden als betaalorgaan voor door het EOGFL-Oriëntatie gefinancierde maatregelen.
De EU verwijst tevens naar het standpunt dat zij heeft ingenomen met betrekking tot het hoofdstuk 21 wat betreft de voltooiing van het ontwerp van uitvoeringsstelsel voor de Structuur- fondsen en het Cohesiefonds.
47. Maatregelen inzake plattelandsontwikkeling die in aanmerking komen voor commu-
nautaire steun (Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad)
· een verzoek om de instelling van een specifieke ad hoc maatregel voor de Maltese landbouw
waarbij een overgangsperiode wordt ingesteld teneinde voltijdse landbouwers bij te staan bij de herstructurering, zodat hun bedrijf leefbaar blijft tijdens de aanpassing aan het nieuwe marktklimaat dat is ontstaan door de afschaffing van de heffingen (CONF-M 123/02).
Deze verzoeken worden hierna in de passende gedeelten van de tekst afzonderlijk behandeld.
De EU neemt er tevens nota van dat Malta akkoord gaat met het EU-voorstel (uiteengezet in de punten 11/12/13 van CONF-M 70/02) voor een afwijking van artikel 21 van Verordening (EG)
nr. 1257/1999 teneinde het gehele grondgebied van Malta te kunnen classificeren als probleem- gebied overeenkomstig artikel 20 van voornoemde verordening (CONF-M 121/02).
De EU beklemtoont dat het accent op de plattelandsontwikkeling van cruciaal belang is voor de herstructurering van de landbouw in de nieuwe lidstaten omdat dit een flexibel instrument is, dat specifiek afgestemde herstructureringsmaatregelen omvat. De EU is van mening dat het bestaande acquis een ruim gamma aan maatregelen biedt om de herstructurering van de landbouw- en de plattelandssector te steunen, bijvoorbeeld door diegenen die in de land- of bosbouw werkzaam zijn, kansen te bieden op omscholing, zodat zij zich kunnen voorbereiden op inschakeling in alternatieve economische activiteiten.
Om in de specifieke behoeften van de nieuwe lidstaten op het gebied van plattelandsontwikkeling te kunnen voorzien en de aanwending van de toewijzingen voor plattelandsontwikkeling te vergemakkelijken, stelt de EU voor om bij wijze van overgangsmaatregel, en voor de programma- periode 2004-2006, ten eerste een tijdelijk instrument voor plattelandsontwikkeling, gefinancierd door het EOGFL, Afdeling Garantie, in het leven te roepen, en ten tweede een aantal tijdelijke afwijkingen toe te staan van het huidige acquis inzake plattelandsontwikkeling. De voorgestelde specifieke aanpassingen zijn hieronder omschreven. Waar nodig worden de nadere regels voor de toepassing van het tijdelijk instrument voor plattelandsontwikkeling en van de tijdelijke afwijkingen van het bestaande acquis vastgesteld volgens de procedure van artikel 50, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1260/1999.
De nieuwe lidstaten worden ertoe aangespoord gebruik te maken van de volledige reikwijdte van het bestaande acquis inzake plattelandsontwikkeling om programma's uit te werken die zijn aan- gepast aan hun situatie en om bij te dragen tot de verwezenlijking van hun specifieke doelstellingen op het gebied van plattelandsontwikkeling. De EU memoreert de voordelen van eenvoud bij het uitwerken van de programma's, vooral wanneer het gaat om een korte uitvoeringsperiode, maar wijst er niettemin op dat in artikel 43, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1257/1999, het nodige even- wicht wordt geëist tussen de steunmaatregelen. In het kader van het evaluatie- en goedkeurings- proces zal de Commissie nagaan of het ingediende programma wel evenwichtig is, spoort met de strategie inzake plattelandsontwikkeling, en of elke maatregel wel in detail voldoet aan de nodige voorwaarden om in aanmerking te komen. De Commissie zal bijzondere aandacht schenken aan de aandeel van het totaalbedrag aan middelen dat is toegewezen ter ondersteuning van semi-zelfvoor- zieningsbedrijven die een herstructurering ondergaan alsook aan de specifieke maatregel ter ondersteuning van landbouwers om aan de EU-normen te voldoen, teneinde te waarborgen dat in het programma een passend evenwicht heerst.
Gesplitste kredieten
De EU is van mening dat gesplitste kredieten (zoals voor SAPARD) moeten worden gebruikt voor de uitvoering van het tijdelijke instrument voor plattelandsontwikkeling. Zo zou er meer tijd blijven tussen het aangaan van betalingsverplichtingen en de betalingen dan bij toepassing van de normale regels van het EOGFL-Garantie.
Ten gevolge van de aanwending in de programmaperiode 2004-2006 van gesplitste kredieten voor alle niet uit de structuurfondsen gefinancierde plattelandsontwikkelingsmaatregelen waarvan de nieuwe lidstaten gebruik kunnen maken, is het nodig een tijdelijk instrument voor plattelands- ontwikkeling in te stellen, dat wordt beheerd overeenkomstig de hieronder uiteengezette specifieke overgangsregeling.
Voor vastleggingen en betalingen gelden de beginselen die zijn vastgesteld voor de structuur- maatregelen van de Gemeenschap, met name:
·
De regel inzake ambtshalve annulering (n + 2 jaar) die geldt voor de Structuurfondsen (met inbegrip van het EOGFL-Garantie) zal hier ook worden gebruikt.
· De vastleggingen met betrekking tot voor de hele programmaperiode geldende ondersteuning worden jaarlijks automatisch verricht overeenkomstig een besluit van de Commissie waarbij een bijdrage voor deze plattelandsontwikkelingsprogramma's wordt toegestaan.
· Ten aanzien van de betaalorganen en hun erkenning, de boekhouding en de goedkeuring van de rekeningen van die organen, alsook het financiële toezicht en de controle op de uitgaven door de nieuwe lidstaten en de Commissie gelden de beginselen en bepalingen die zijn vastgesteld voor de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
· Ten aanzien van de plannen voor plattelandsontwikkeling en de inhoud daarvan, de procedures voor indiening en voor goedkeuring door de Commissie, alsook de follow-up en beoordeling van die plannen, gelden de beginselen en bepalingen betreffende steunverlening voor plattelandsontwikkeling van het EOGFL-Garantie.
· De nadere regels voor de toepassing van de bovenbedoelde beginselen worden door de Commissie volgens de procedure van het Comité van beheer vastgesteld.
Verhoging van de bijdrage van de Gemeenschap
Het cofinancieringspercentage voor het tijdelijke instrument voor plattelandsontwikkeling zal in de regio's van Doelstelling 1 worden verhoogd tot maximaal 80% voor de acht betrokken maat- regelen
Aanvullende maatregelen:
Om in de specifieke behoeften van de nieuwe lidstaten te voorzien, is de EU van oordeel dat de kandidaat-lidstaten een aantal aanvullende vrijwillige maatregelen moeten kunnen genieten. Die maatregelen zouden beschikbaar zijn voor het tijdvak 2004-2006, worden gefinancierd door de kredieten van het EOGFL-Garantie voor plattelandsontwikkeling, en worden opgenomen in de Plannen voor Plattelandsontwikkeling die door de Commissie moeten worden goedgekeurd.
1.
Steun voor semi-zelfvoorzieningsbedrijven die een herstructurering ondergaan
Semi-zelfvoorzieningsbedrijven die voor eigen consumptie produceren, maar ook een deel van hun productie in de handel brengen en die het potentieel hebben om uit te groeien tot in commercieel opzicht levensvatbare bedrijven, zijn kenmerkend voor verscheidene kandidaat-lidstaten. Om die bedrijven te helpen om de uitdaging van de toetreding aan te gaan, is de EU van mening dat het passend zou zijn een specifieke maatregel te treffen om semi-zelfvoorzieningsbedrijven die een herstructurering ondergaan, bij te staan. Die tijdelijke inkomenssteun voor semi-zelfvoorzienings- bedrijven zal de cash flow-problemen, alsmede de moeilijkheden in verband met het gezinsinkomen verlichten, terwijl voorts wordt gewerkt aan de herstructurering die de commerciële toekomst van de bedrijven veilig moet stellen.
De maatregel bestaat in de toekenning van een vast jaarlijks steunbedrag van hoogstens 1 000 euro per bedrijf. Om voor die steun in aanmerking te komen, dienen de bedrijven een bedrijfsplan in te dienen waaruit de toekomstige economische levensvatbaarheid van het bedrijf blijkt, waarin gedetailleerd wordt uiteengezet welke investeringen vereist zijn, en waarin specifieke mijlpalen en doelstellingen zijn opgenomen.
De steun zal maximaal vijf jaar worden toegekend, en na drie jaar zal de regeling opnieuw worden bekeken. Indien de in het bedrijfsplan vermelde mijlpalen niet zijn bereikt op het ogenblik dat de regeling na drie jaar opnieuw wordt bekeken, zullen geen verdere betalingen worden verricht; er zal evenwel geen terugbetaling worden geëist van reeds betaalde steun.
De betrokken lidstaat draagt de verantwoordelijkheid voor het vaststellen van de gedetailleerde voorwaarden om in aanmerking te komen; die voorwaarden moeten worden opgenomen in de beschrijving van de maatregel in het plan voor plattelandsontwikkeling dat door de Commissie moet worden goedgekeurd. Die voorwaarden moeten een duidelijke omschrijving omvatten van het begrip "semi-zelfvoorzieningsbedrijf", en dienen in het bijzonder de minimum- en/of maximum- omvang van de bedrijven te vermelden, alsmede het aandeel van de productie dat thans in de handel wordt gebracht, en/of het inkomenspeil van de bedrijven die in aanmerking komen voor steun krachtens deze maatregel. In de beschrijving van de maatregel dient ook de inhoud van het bedrijfs- plan te worden gepreciseerd; dat plan moet voldoende alomvattend zijn om te kunnen dienen als basis voor een verzoek om investeringssteun.
Er mag steun worden verleend voor de oprichting van producentengroeperingen en om hun administratieve werking te vergemakkelijken, tijdens de eerste vijf jaar volgende op die van hun erkenning.
Die bepalingen gelden voor producentengroeperingen die zijn opgericht met het oog op de gezamenlijke aanpassing van de productie en de afzet van de leden van de groepering aan de eisen van de markt, met het oog op het gezamenlijk in de handel brengen van goederen, inclusief de centralisering van de verkoop, de voorbereiding van de verkoop en de levering aan bulkkopers, alsmede op de vaststelling van gemeenschappelijke regels voor informatie over de productie, in het bijzonder wat de oogst en de beschikbaarheid betreft, en die door de betrokken lidstaat formeel zijn erkend.
De steun die wordt toegekend aan producentengroeperingen die worden erkend na de datum van toetreding gedurende de eerste vijf jaar na de datum van hun erkenning, dient ter dekking van de kosten van de oprichting en de werking van de producentenorganisatie, en bestaat uit een vast bedrag.
Het steunbedrag zal voor elke producentenorganisatie worden vastgesteld op basis van haar jaarlijks in de handel gebrachte productie, en mag niet meer bedragen dan:
-
a)gedurende het eerste, tweede, derde, vierde en vijfde jaar 5%, respectievelijk 5%, 4%, 3% en 2% van de waarde van de in de handel gebrachte productie tot een bedrag van 1 000 000 euro, en,
-
b)gedurende het eerste, tweede, derde, vierde en vijfde jaar 2,5%, respectievelijk 2,5%, 2,0%, 1,5%
en 1,5% van de waarde van de in de handel gebrachte productie boven 1 000 000 euro.
Het steunbedrag mag voor geen enkele producentenorganisatie de volgende bedragen overschrijden:
100 000 euro tijdens het eerste jaar
100 000 euro tijdens het tweede jaar
80 000 euro tijdens het derde jaar
60 000 euro tijdens het vierde jaar
50 000 euro tijdens het vijfde jaar
De EU is van oordeel dat een specifieke wijziging van het voorgestelde tijdelijke instrument voor plattelandsontwikkeling voor Malta passend zou kunnen zijn, aangezien er sectoren zijn waarin de totale productie zo gering is dat de bestaande percentages niet zouden volstaan. De EU is evenwel van oordeel dat die wijziging beperkt moet blijven tot sectoren waarin de totale productie extreem klein is, en dat de sector slechts voor de wijziging in aanmerking kan komen wanneer de produ- centenorganisatie een minimumaandeel van het totaal aantal producenten en de totale productie van de sector aantrekt. Voorts is de EU van oordeel dat verhoging van de percentages niet de aan- gewezen aanpak van dit vraagstuk is, zoals Malta vraagt, maar veeleer de instelling van een minimumsteun (dusdanig berekend dat de minimumkosten voor de instelling van een producenten- organisatie zijn gedekt). Om te kunnen nagaan of die wijziging nodig is, verzoekt de EU Malta om de Commissie zo spoedig mogelijk informatie te verstrekken over de sectoren die in aanmerking zouden kunnen komen, de totale productie daarvan en het aantal producenten, alsmede een raming van de minimumkosten die voor de instelling van een kleinschalige producentenorganisatie moeten worden gemaakt. De EU is van oordeel dat de Commissie vóór de toetreding een besluit moet nemen over een eventuele minimumsteun en het niveau daarvan.
3.
Ondersteuning van landbouwers om aan de EU-normen te voldoen
De EU is van oordeel dat voor het tijdvak 2004-2006 een nieuwe tijdelijke, uit het tijdelijk instrument voor plattelandsontwikkeling van het EOGFL-Garantie te financieren maatregel moet worden ingesteld, teneinde landbouwers de kosten te helpen dragen in verband met de naleving van de EU-normen inzake milieu, hygiëne, welzijn, voedselveiligheid en arbeidsveiligheid, die aan- zienlijk hogere eisen kunnen inhouden dan de voorheen bestaande nationale normen. Die kosten kunnen de vorm aannemen van noodzakelijke extra investeringen, extra werkbelasting of het verlies van bepaalde inkomsten ten gevolge van wijzigingen in de bedrijfsvoering.
De maatregel zal bestaan in een tijdelijke en degressieve jaarlijkse betaling die zal worden verricht tot het tijdstip waarop aan de norm moet zijn voldaan en in ieder geval voor ten hoogste vijf jaar.
De maximale betaling tijdens het eerste jaar bedraagt 200 EUR/ha of een passend, op een andere grondslag berekend bedrag (bijvoorbeeld grootvee-eenheid voor normen in verband met het welzijn van dieren, of per bedrijf voor normen in verband met arbeidsveiligheid. Tijdens de daaropvolgende jaren wordt de betaling in gelijke stappen herleid tot nul. De nadere regels voor de toepassing van deze maatregel, met name de voorschriften om overcompensatie te voorkomen en te voorzien in de mogelijkheid een algemeen maximum te bepalen voor het bedrag dat aan de individuele land- bouwers wordt betaald, alsook de regelingen inzake de controle op de naleving van de des- betreffende normen bij het verstrijken van de ondersteuningsmaatregel, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 50, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1260/1999.
Om in aanmerking te komen voor steun uit hoofde van deze maatregel moet een door een landbouwer ingediende aanvraag om investeringssteun aan landbouwbedrijven uit hoofde van titel II, hoofdstuk I, van Verordening (EG) nr. 1257/1999 worden goedgekeurd (inclusief de investeringen die ertoe zullen leiden dat aan alle relevante normen wordt voldaan) of moet een plan worden voorgelegd voor verbeteringen en/of wijzigingen in de bedrijfsvoeringspraktijk die nodig zijn om aan de relevante normen te beantwoorden, opgesteld of gecertificeerd door een persoon met een erkende deskundigheid (bijvoorbeeld een landbouwadviseur). Alle kosten voor het opstellen van dit plan zouden in aanmerking kunnen worden genomen uit hoofde van de maatregel inzake advies- en voorlichtingsdiensten. Voor steun uit hoofde van deze maatregel zouden alleen landbouwers in aanmerking komen die kunnen aantonen dat hun landbouwbedrijf reeds economisch levensvatbaar is, of het bij het verstrijken van de ondersteuningsmaatregel zal zijn.
4.
Technische bijstand
De EU stelt voor om voor het tijdvak 2004-2006 te voorzien in technische bijstand in verband met de door het EOGFL-Garantie gefinancierde maatregelen op het gebied van plattelandsontwikkeling, teneinde te zorgen voor een vlotte overgang van SAPARD naar het acquis inzake plattelands- ontwikkeling. Die technische bijstand zal worden verleend volgens de regels ter zake op grond van de Structuurfondsen, in het bijzonder EOGFL-Oriëntatie.
5.
Nieuwe specifieke tijdelijke maatregelen om voltijdse landbouwers bij te staan bij de aanpassing aan het nieuwe marktklimaat
De EU is van oordeel dat het gerechtvaardigd zou zijn te voorzien in specifieke tijdelijke gerichte steun om voltijdse landbouwers in Malta bij te staan bij de aanpassing aan de veranderingen van het marktklimaat die het gevolg zijn van de afschaffing van de heffingen. De EU neemt nota van de specifieke omstandigheden van dit unieke geval en benadrukt dat het daardoor in geen geval als precedent kan gelden. Tegen deze achtergrond kan de EU bij wijze van uitzondering instemmen met het verzoek van Malta om een tijdelijke strikt tot de lopende programmeringsperiode beperkte steunverlening. Deze maatregel zal voorzien in inkomenssteun om de cash-flowproblemen en de moeilijkheden in verband met het gezinsinkomen tijdens de aanpassingsperiode te verlichten. De EU is van oordeel dat een specifiek ontworpen en gerichte maatregel meer aangewezen zou zijn dan de voorheen onder de punten 11/12/13 van CONF-M 70/02 voorgestelde wijziging van de maatregel ter ondersteuning van semi-zelfvoorzieningsbedrijven die een herstructurering ondergaan.
De EU is van oordeel dat het aangewezen zou zijn drie soorten betalingen krachtens deze maatregel in te stellen, namelijk een betaling per hectare voor geïrrigeerde landbouwgrond, een betaling per hectare voor niet-geïrrigeerde landbouwgrond en een betaling op basis van het aantal grootvee- eenheden tijdens een referentieperiode voor veeteeltbedrijven. De betalingen zullen worden vastgesteld in verhouding tot de verwachte daling van de inkomsten van het landbouwbedrijf ten gevolge van de afschaffing van de heffingen en eventuele daaruit voortvloeiende dalingen van de prijzen voor landbouwproducten. De betalingen zijn tijdelijk, beperkt tot maximaal vijf jaar, en degressief. Aangezien deze maatregel is bedoeld om landbouwers en hun gezinnen bij te staan in de periode van aanpassing, en in het bijzonder om hen de mogelijkheid te bieden in hun levens- onderhoud te voorzien tot de herstructurering positieve gevolgen op de landbouwinkomsten heeft, dient een maximumbedrag per landbouwbedrijf te worden ingesteld dat in verhouding staat tot de gemiddelde inkomsten in Malta en het aantal voltijdsequivalenten dat in het bedrijf is tewerk- gesteld. De EU verzoekt Malta om de Commissie zo spoedig mogelijk informatie te verstrekken over de verwachte gevolgen van de afschaffing van heffingen op de landbouwinkomsten, zodat de Commissie vóór de toetreding volgens de bovenstaanden beginselen een besluit kan nemen over de passende maximumbedragen voor de drie categorieën van activiteiten.
Er moeten vrijwaringsmaatregelen worden genomen ter voorkoming van doublures of over- compensatie van deze maatregel die gericht is op voltijdse landbouwers, met de productspecifieke overheidssteun van het speciaal marktbeleidprogramma voor de Maltese landbouw. Deze vrij- waringsmaatregelen moeten worden behandeld bij de nadere regelingen betreffende de maatregel die in het plan voor plattelandsontwikkeling moet worden opgenomen.
Wijzigingen en uitbreidingen van bestaande maatregelen:
1.
Investeringen in landbouwbedrijven (hoofdstuk I van Verordening (EG) nr. 1257/1999)
De voorwaarden om voor deze maatregel in aanmerking te komen zullen bij wijze van uitzondering als volgt worden aangepast voor de nieuwe lidstaten tijdens de periode 2004-2006:
Investeringssteun zal worden toegekend aan landbouwbedrijven waarvoor kan worden aangetoond dat zij economisch levensvatbaar zijn nadat de investeringen zijn gerealiseerd.
De EU is van oordeel dat voor de periode 2004-2006 het maximum van de overheidsfinanciering van steun uit hoofde van deze maatregel voor de nieuwe lidstaten moet worden bepaald op 50 % buiten de minder ontwikkelde regio's en op 60 % in de minder ontwikkelde regio's, met een mogelijkheid van 5 % extra voor jonge landbouwers.
Er zal steun worden verleend aan bedrijven die voldoen aan minimumnormen met betrekking tot milieu, hygiëne en welzijn van dieren, of waaraan een overgangsperiode na de toetreding is toegestaan om aan de minimumnormen te voldoen. Het bedrijf moet aan alle desbetreffende EU- normen voldoen aan het einde van de gespecificeerde overgangsperiode of aan het einde van de investeringsperiode, indien dat vroeger valt. Alle andere voorwaarden om in aanmerking te komen blijven dezelfde als gestipuleerd in het bestaande acquis.
3.
Steun voor het verrichten van advies- en voorlichtingsdiensten (nieuw streepje in artikel 33 van Verordening (EG) nr. 1257/1999)
Verordening (EG) nr. 1257/1999 voorziet in steunverlening voor de oprichting van diensten ter ondersteuning van het bedrijfsbeheer voor de landbouw (artikel 33, derde streepje). Gelet op de behoeften van de landbouwers in de kandidaat-lidstaten op het stuk van advies en bijstand, dient een specifieke maatregel te worden getroffen om advies- en voorlichtingsdiensten aan de landbouwers aan te bieden tijdens de periode 2004-2006.
De steun uit hoofde van deze maatregel zou kunnen dienen voor het opstellen van bedrijfsplannen, het opstellen van verzoeken om maatregelen op het gebied van plattelandsontwikkeling (bijvoor- beeld landbouwinvesteringsregelingen, milieuprogramma's voor de landbouw, voorbereiding van verklaringen met betrekking tot de maatregel inzake het voldoen aan de normen), advies en voor- lichting met betrekking tot de naleving van goede landbouwpraktijken (een noodzakelijke voor- waarde om te kunnen deelnemen aan milieuprogramma's voor de landbouw en om in aanmerking te komen voor probleemgebiedbetalingen).
Zowel publieke als particuliere advies- en voorlichtingsdiensten komen in aanmerking voor steun op grond van deze regeling in het kader van dienstverrichting aan landbouwers.
Steun voor activiteiten van het type LEADER+
Het communautaire LEADER+-initiatief zal voor het tijdvak 2004-2006 niet afzonderlijk worden toegepast.
De EU stelt voor om in de plaats daarvan activiteiten van het type LEADER+ te integreren in de algemene programma's. Met deze maatregel wordt vooral beoogd ervaring op te doen met de LEADER-aanpak, aangezien de operationele periode van de lokale actiegroepen (LAG's) beperkt zal zijn.
In de regio's van Doelstelling 1 zal deze maatregel worden gefinancierd door het EOGFL-Oriëntatie en deel uitmaken van de programmering van de Structuurfondsen.
De uitvoering van LEADER+ in de nieuwe lidstaten dient te worden toegespitst op actie 1 van LEADER+ - "Geïntegreerde territoriale strategieën voor plattelandsontwikkeling met een proef- karakter".
De steun uit hoofde van de overgangsmaatregel in het kader van LEADER+ ten behoeve van de nieuwe lidstaten zal beschikbaar zijn voor:
(1)
Uitgaven voor de verwerving van vaardigheden op het stuk van de LEADER-methode.
Alle plattelandsgebieden van de nieuwe lidstaten komen in principe in aanmerking voor deze maatregel. De op grond van deze maatregel te financieren acties zouden vooral worden toegespitst op de voorbereiding van lokale plattelandsgemeenschappen op de uitvoering van benaderingen van het LEADER-type na 2006. De in aanmerking komende acties zouden o.a. betrekking hebben op studies van de lokale omgeving, het oprichten van representatieve plaatselijke partnerschappen voor plattelandsontwikkeling, de opstelling van geïntegreerde ontwikkelingsstrategieën en het opstellen van verzoeken om steun.
en/of
(2)
De selectie van een beperkt aantal lokale proefactiegroepen en de cofinanciering van de uitvoering van hun lokale ontwikkelingsstrategieën. Deze mogelijkheid zal alleen beschikbaar zijn in regio's van de nieuwe lidstaten waar al voldoende administratieve capaciteit voorhanden is en waar al voldoende ervaring is opgedaan met benaderingen van het type "lokale plattelandsontwikkeling" om tijdens de korte programmeringsperiode LAG's te kunnen laten functioneren. De keuze van de LAG's moet plaatsvinden volgens transparante procedures met een concurrentieel karakter. De selectiecriteria voor de LAG's zullen voldoende garanties moeten bieden dat de ontwikkelingsstrategieën van potentiële LAG's binnen de beperkte programmeringsperiode kunnen worden uitgevoerd. Die LAG's moeten voldoende slagvaardig zijn om het hele gamma aan acties waarin de LEADER+- richtsnoeren voorzien, te kunnen uitvoeren.
Die proef-LAG's zouden ook in aanmerking komen voor deelneming aan interterritoriale en grensoverschrijdende samenwerkingsacties uit hoofde van Actie nr. 2 van LEADER+.
Afwijking teneinde rekening te houden met de nood aan onderhoud en instandhouding van stapelmuren ("rubble walls")
De EU neemt nota van het verzoek van Malta om het onderhoud en de instandhouding van stapelmuren in aanmerking te laten komen voor bijstand overeenkomstig het hoofdstuk milieumaatregelen voor de landbouw van Verordening (EG) nr. 1257/1999, en om de betaling te berekenen op basis van de lengte van de stapelmuren die moeten worden onderhouden.
De EU kan dit verzoek aanvaarden. De EU is evenwel van oordeel dat muren die geen terrassen ondersteunen, maar louter kleine percelen scheiden, niet in aanmerking komen. De EU is tevens van oordeel dat de betaling per strekkende meter moet worden berekend op basis van de werkelijke kosten voor het onderhoud van de muren. Wat betreft de maximumbedragen voor die betalingen aanvaardt de EU dat, gelet op de geringe grootte van de terrassen in Malta en bijgevolg de grote lengte aan muren per hectare, de bestaande maximumbedragen in de bijlage bij Verordening (EG)
nr. 1257/99 als bedoeld in artikel 24, lid 2, ontoereikend zijn voor de dekking van de werkelijke kosten voor het onderhoud van deze muren. De EU stelt derhalve voor om een specifieke permanente afwijking toe te staan van de in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1257/99, vermelde maximumbedragen als bedoeld bij artikel 24, lid 2, en dus een hoger maximumbedrag per hectare toe te staan voor milieuwerkzaamheden voor de landbouw op het gebied van onderhoud en instandhouding van stapelmuren ter ondersteuning van terrassen in Malta. Het maximumbedrag per hectare dat krachtens deze afwijking kan worden betaald, moet worden vastgesteld in verhouding tot de werkelijke kosten per meter voor het onderhoud van stapelmuren en de lengte per hectare van de steunmuren voor terrassen, rekening houdend met de breedte van de terrassen. De EU verzoekt Malta om deze gegevens zo spoedig mogelijk ter beschikking van de Commissie te stellen, zodat het passende maximumbedrag vóór de toetreding bij besluit van de Commissie kan worden
vastgesteld.
48. Uitzondering op Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad wat betreft de als compen-
satie voor probleemgebieden betaalbare maximumbedragen
De EU neemt er nota van dat Malta dit verzoek heeft ingetrokken.
49. Verzoek om pretoetredingssteun
De EU neemt nota van het verzoek van Malta om in de periode vóór de toetreding in aanmerking te komen voor een speciaal toetredingsprogramma voor landbouw en plattelandsontwikkeling. De EU onderstreept dat dit verzoek buiten het kader van de toetredingsonderhandelingen moet worden behandeld.
Nieuw 49 bis. Bescherming van de bossen in de Gemeenschap tegen brand (Verordening (EEG)
nr. 2158/92 van de Raad)
De EU wijst erop dat Verordening (EEG) nr. 2158/92 vanaf 31.12.2002 wordt ingetrokken.
Om zicht te krijgen op de gebieden waar een risico van bosbranden bestaat en te voorzien in passende brandpreventiemaatregelen, verzoekt de EU Malta om zijn grondgebied al naar gelang het risico van bosbranden in te delen in gebieden met een hoog, een middelgroot en een laag risico. Een naar de mate van brandrisico ingedeeld gebied moet normaliter overeenstemmen met een bestuursentiteit van ten minste niveau NUTS III. Alleen gebieden waar het permanente of cyclische risico van bosbranden een ernstige bedreiging van het milieuevenwicht en de veiligheid van personen en goederen vormt of een factor die het proces van woestijnvorming van landbouwgebieden versnelt, mogen als gebieden met een hoog risico worden aangemerkt. Gebieden waar het risico van bosbranden niet permanent of cyclisch is, maar een ernstige bedreiging voor het ecosysteem van het bos vormt, kunnen als gebieden met een middelgroot risico worden aangemerkt. Alle andere gebieden worden als gebieden met een laag risico aangemerkt.
De EU verzoekt Malta om plannen ter bescherming tegen bosbranden op te stellen voor de gebieden met een hoog en middelgroot risico van bosbranden. Die plannen omvatten een beschrijving van de huidige situatie in het betrokken gebied op het stuk van preventie en toezicht, de geassocieerde partners en de coördinatiestructuur, alsook de maatregelen, methoden en technieken die worden gebruikt om de bossen tegen brand te beschermen.
De indeling van de gebieden met een risico van bosbranden dient te worden opgenomen in de plattelandsontwikkelingsplannen die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1257/1999 worden voorgelegd (d.w.z. als onderdeel van het structuurfondsenprogramma in de gebieden van Doelstelling 1, en als onderdeel van het door het EOGFL-Garantie gefinancierde plattelandsontwikkelingplan in andere gebieden). De plannen kunnen maatregelen tot preventie van bosbranden omvatten voor de gebieden met een hoog of middelgroot risico die door de EU overeenkomstig hoofdstuk VIII van Verordening (EG) nr. 1257/1999 worden medegefinancierd. Deze maatregelen moeten sporen met het door Malta opgestelde bosbrandpreventieplan.
De EU zal de voortgang die met de overname en de uitvoering van het acquis wordt gemaakt, tijdens de gehele duur van de onderhandelingen blijven volgen. Er zal bijzondere aandacht worden besteed aan het volgen van de daadwerkelijke instelling door Malta van de structuren van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en aan de daadwerkelijke nakoming door Malta van zijn toezeggingen met betrekking tot de naleving van de veterinaire en fytosanitaire controles aan de buitengrenzen, het nieuwe acquis op het gebied van TSE en het acquis ter bescherming van de volksgezondheid dat van toepassing is op inrichtingen die betrokken zijn bij de productie en het in de handel brengen van producten van dierlijke oorsprong, en de invoering van een systeem voor de verwerking van dierlijk afval. Er zal eveneens bijzondere aandacht worden besteed aan de daad- werkelijke uitvoering van het plantenpaspoortstelsel voor planten en plantaardige producten, de registratie van gewasbeschermingsmiddelen en de controle van residuen. Een definitieve beoor- deling van de overeenstemming van de wetgeving en het beleid van Malta met het acquis en van de uitvoering van het acquis zal pas in een later stadium van de onderhandelingen mogelijk zijn. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan het verband met andere onderhandelingshoofd- stukken, met name vrij verkeer van goederen, vrij kapitaalverkeer, statistiek, regionaal beleid en coördinatie van de structurele middelen, milieu, consumentenbelangen en bescherming van de gezondheid (met name wat betreft het systeem voor snelle uitwisseling van gegevens), samen- werking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, douane-unie en externe betrekkingen. De EU verzoekt Malta om, naast alle informatie die de EU met het oog op de onderhandelingen over dit hoofdstuk kan verlangen en die aan de Conferentie moet worden verstrekt, geregeld gedetail- leerde schriftelijke informatie aan de Associatieraad te verstrekken over de voortgang die met de overname en de uitvoering van het acquis wordt gemaakt.
Gezien het bovenstaande zal de conferentie te gelegener tijd op dit hoofdstuk terugkomen.
Voorts herinnert de EU eraan dat er voor de afsluiting van de onderhandelingen nieuw acquis kan zijn ontstaan.
_______________________
| publication date | 30-10-2002 |
|---|---|
| reference | 13201/02 |
