Een vrije wereldhandel betekent dat ook de derdewereldlanden hun markten open moeten stellen - Hoofdinhoud
Derdewereldlanden hebben vaak hoge importheffingen op industriële goederen en diensten uit de rijke westerse landen. De reden daarvoor is niet alleen het beschermen van hun eigen industrie, maar ook om hun lage nationale inkomen aan te vullen met de inkomsten uit die heffingen. De EU is het in de onderhandelingen niet eens geworden met de ontwikkelingslanden over de afschaffing van invoerheffingen aan beide zijden.
De EU heeft een voorstel gedaan om eigen invoerheffingen met maximaal 60% te verlagen. De industriële heffingen in de EU bedragen overigens gemiddeld nog maar 4%. De ontwikkelingslanden hoefden hun heffingen volgens het laatste voorstel maar voor twee derde deel af te schaffen, en de armste landen zouden hun heffingen zelfs helemaal niet hoeven te beperken.
Buiten het feit dat het openen van de markten voor diensten en industriële goederen belangrijke investeringen in ontwikkelingslanden kan opleveren, vindt de EU dat zij voldoende tegemoet is gekomen aan de wensen van deze landen; de derdewereldlanden hadden akkoord moeten gaan met het voorstel van de EU en hun markten (gedeeltelijk) open moeten stellen.