Montesquieu Institute: from science to society

Maarten Luther

"Daarom: in zaken die de zaligheid der ziel betreffen, mag niets dan Gods Woord geleerd en aangenomen worden." 

 
Maarten Luther © unknown
Bron: wikkicommons

De Duitse monnik en theoloog Maarten Luther (1483-1546) werd geboren in het dorp Eisleben. Hij was zoon van een ambachtsman die financieel in staat was zijn zoon rechten te laten studeren. Desondanks besloot Luther het klooster in te gaan toen hij 22 was.

Tijdens de Reformatie in Duitsland en Zwitserland was Luther een van de leidende figuren. In zijn belangrijkste politieke geschrift, Over de wereldlijke overheid (1523), beschreef Luther zijn visie op de verhouding tussen de kerk en de staat. Luther was bekend om zijn kritiek op het heersende gezag, terwijl hij tegelijk ook pleitte voor gehoorzaamheid aan het heersende gezag.

Gedachtegoed

Luther's visie op de relatie tussen God en de gelovige betekende een enorme omwenteling voor de middeleeuwse geloofsbeleving. Volgens Luther zou er tussen God en de mens geen bemiddeling nodig zijn, een taak die tot dan toe door de geestelijkheid vervuld werd. De mens kon zelf een directe relatie met God hebben en mede hierom vertaalde Luther de bijbel in het Duits. Daarnaast was het toenmalig standpunt dat men Gods genade alleen kon verwerven door middel van goede werken, wat in de praktijk neerkwam op zaken zoals het afkopen van zonden. Ook hierin sloeg Luther een andere weg in; men kon alleen door het geloof vergeving van de zonden krijgen.

In zijn eerste boek, Oproep aan de christelijke adel van de Duitse natie (1520), richtte Luther zich op de status van de geestelijkheid. Luther nam als uitgangspunt dat in de ogen van God elke christen gelijk was. Iedereen mocht dus ook de geloofsleer beoordelen. Toch riep Luther voornamelijk de adel op om de corruptie binnen de kerk aan de kaak te stellen. Hij vertrouwde erop dat de wereldlijke autoriteiten hun gezag zouden aanwenden om de corruptie te bestrijden. In zijn daarop volgende boek, Over de wereldlijke overheid: in hoeverre moet men gehoorzamen, was zijn toon al een stuk meer wantrouwend. Hij had gemerkt dat de adel en vorsten niet allèèn positief tegenover zijn oproep om corruptie te bestrijden stonden, maar er hierdoor ook juist vijandigheid ontstond.

Luther maakte onderscheid tussen een werelds en een geestelijk rijk. Hierop baseerde hij dat de kerk en de wereldse autoriteiten strikt gescheiden moesten worden, en zich niet in elkaars rijk mochten mengen. De regeringswijze van de wereld, het regeren door het zwaard, zou niet in het geestelijke rijk van toepassing zijn. Toch kon Luther er niet onderuit dat de hervormingen van de kerk van bovenaf doorgevoerd moesten worden. Een complete scheiding van de geestelijke en wereldse rijken bleek niet haalbaar.

Gehoorzaamheid aan het gezag was essentieel volgens Luther, want het gezag zou door God ingesteld zijn. Toch was een bepaalde vorm van verzet wel redelijk, namelijk het passief verzet. Dit was toegestaan als het wereldlijk gezag verder wilde gaan dan het uitoefenen van zijn wereldse taken en zich in het geestelijk rijk wilde mengen. 

Ook stelde Luther dat als de overheid zou vragen om iets anders te geloven, men niet moest gehoorzamen. Als de overheid hierop zou gaan straffen, dan moest men dit slechts ondergaan. Toen de strijd verhevigde en de Lutherse vorsten in opstand kwamen tegen de keizer, werd het echter lastig voor Luther om bij dit standpunt te blijven. Hierop koos hij ervoor om onderscheid te maken tussen verzet van lagere overheden en van verzet van het volk. Lagere overheden, zoals magistraten, waren net als de hogere overheden door God ingesteld. Zij mochten zich dus verzetten als de hogere overheden hun eigen opdracht niet gehoorzaamden.

Bronnen

  • Tjitske Akkerman (2005). De kwetsbare democratie: sleutelteksten uit de politieke theorie. Amsterdam: Spinhuis.
  • Tjitske Akkerman (2010). Democratie: de Europese grondslagen van het moderne idee. Amsterdam: Spinhuis.