Montesquieu Institute: from science to society

Aristoteles

"Hieruit blijkt dat de polis behoort tot de dingen die van nature bestaan, dat de mens van nature een politiek dier is (...)"

 Aristoteles © Giovanni Dal'Orto

Net als Plato was Aristoteles (384-322 v. Chr.) een criticus van de democratie in Athene. Aristoteles werd geboren in Macedonië waar hij banden had met het hof, dankzij zijn vader die hofarts was. Toen hij zeventien was, ging hij naar Athene en werd daar leerling aan de academie van Plato.

Aristoteles bracht een deel van zijn leven door als leraar van Alexander de Grote aan het Macedonische hof, die toen nog de troonopvolger was, en richtte later in Athene zijn eigen lyceum op. In zijn boek Politica gaf hij een beschrijving van de ideale staat en een analyse van regeringsvormen. Met zijn theorie gaf hij een aanzet tot de republikeinse traditie.

Gedachtegoed

Aristoteles was van mening dat alles een eindbestemming had. Die eindbestemming bepaalde ook de natuur die dingen hadden. Zo was de stadstaat voor Aristoteles de meest natuurlijke vorm van gemeenschap. Deze had zich al ontwikkeld tot zijn eindbestemming die in zijn natuur lag vastgelegd. Daaraan vooraf kwam nog het gezin en het dorp. De stadstaat, ook wel polis genoemd, was voor Aristoteles de hoogste vorm van gemeenschap.

Een mens kon dan ook alleen een goed leven leidden als zij als actief (politiek) burger van een stadstaat leefde. Het goede leven zou objectief vast te stellen zijn. Een gelukkig leven kon men alleen hebben als men het midden hield tussen extremen. Dit betekende dat een mens verschillende deugden moest nastreven. Kortom, het goede leven kon alleen geleefd worden in een stadstaat, door vrije burgers. Voor vrouwen, kinderen en slaven was dit echter niet haalbaar; zij waren minder rationeel, en dus niet gelijk aan vrije burgers.

Elke staat had verschillende functies en klassen nodig om zelfstandig te kunnen bestaan. Bij elke klasse (boeren, ambachtslieden, handelaren, militairen, priesters en politici of rechters) hoorde een bepaalde functie. Aristoteles was van mening dat politieke functies alleen door militairen, priesters, politici en rechters vervuld mochten worden. Zij hielden zich namelijk niet bezig met materiële zaken. Hij zag wel in dat dit in de praktijk moeilijk haalbaar was. Als het gaat om regeren telde voor Aristoteles dan ook het gewone volk mee, met uitzondering van vrouwen, kinderen en slaven. Het gehele volk had gezamenlijk namelijk meer kennis dan de deskundigen, daarbij telde ook praktische kennis mee.

De ideale staat moest in de eerste plaats haalbaar zijn, en Aristoteles zag om zich heen dat er verschillende regeringsvormen waren. Hij maakte dan ook allereerst onderscheid tussen een regering van één, velen en weinigen. Een goede regering werd geleid door het algemeen belang en was in overeenstemming met de wet. Een slechte regering berustte daarentegen op eigenbelang en werd volstrekt willekeurig geleid. Tot slot maakte hij nog onderscheid tussen een regering van de armen en van de rijken. In zijn beeld van een ideale staat was er sprake van een brede middenlaag van boeren en werden de politieke functies evenwichtig verdeeld over alle klassen.

Bronnen

  • Tjitske Akkerman (2005). De kwetsbare democratie: sleutelteksten uit de politieke theorie. Amsterdam: Spinhuis.
  • Tjitske Akkerman (2010). Democratie: de Europese grondslagen van het moderne idee. Amsterdam: Spinhuis.