Gedelegeerde verordening (EU) Nr. …/.. van de Commissie van 16.1.2012 tot aanvulling van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de energieprestatie van gebouwen (herziening) middels het vaststellen van een vergelijkend methodologisch kader voor het berekenen van kostenoptimale niveaus van minimumenergieprestatie-eisen voor gebouwen en onderdelen van gebouwen - Montesquieu Institute

Montesquieu Institute from science to society

Contents

enveloppe

Sharing

1.

Text

 

- -

RAAD VAN Brussel, 17 januari 2012 (18.01)

(OR. en)

DE EUROPESE UNIE

5441/12

-

ENER 14 ENV 22 DELACT 1

INGEKOMEN DOCUMENT

van:

de heer Jordi AYET PUIGARNAU, directeur, namens de secretaris- generaal van de Europese Commissie

ingekomen: 16 januari 2012

aan: de heer Uwe CORSEPIUS, secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie

Nr. Comdoc.: C(2011) 10050 definitief

Betreft: Gedelegeerde verordening (EU) Nr. .../.. van de Commissie van 16.1.2012 tot aanvulling van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de energieprestatie van gebouwen (herziening) middels het vaststellen van een vergelijkend methodologisch kader voor het berekenen van kostenoptimale niveaus van minimum- energieprestatie-eisen voor gebouwen en onderdelen van gebouwen

EUROPESE COMMISSIE

Brussel, 16.1.2012 C(2011) 10050 definitief

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. .../.. VAN DE COMMISSIE

van 16.1.2012

tot aanvulling van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad

betreffende de energieprestatie van gebouwen (herziening) middels het vaststellen van

een vergelijkend methodologisch kader voor het berekenen van kostenoptimale niveaus

van minimumenergieprestatie-eisen voor gebouwen en onderdelen van gebouwen

(Voor de EER relevante tekst)

TOELICHTING

1. - ACHTERGROND VAN DE GEDELEGEERDE HANDELING

1.1. - Algemeen

Het terugdringen van het energieverbruik in de Europese gebouwen is een hoeksteen van het Europees energie(-efficiëntie)- en klimaatbeleid en van de Europa 2020-strategie. Zowel de recente EU-strategie voor energiebeleid

1 als het Energie-efficiëntieplan2 geven aan dat er

verdere actie nodig is in deze sector, in het bijzonder op het vlak van bestaande gebouwen.

Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking)3 is een

van de in de tweede strategische toetsing van het energiebeleid van 2008 aangekondigde maatregelen

4 die noodzakelijk zijn om op schema te blijven en tegen 2020 de Europese 20%-

doelstelling op het vlak van energie-efficiëntie te verwezenlijken. De transformatie van de bestaande gebouwen in de EU zal echter pas lang na 2020 afgerond worden en de 20%- doelstelling kan enkel als een tussenstap worden gezien. De recente routekaart van de Commissie naar een concurrerende koolstofarme economie

5 heeft aangetoond dat de uitstoot

in de bouwsector tegen 2050 met ongeveer 90% kan worden verminderd. Op langere termijn is dat een meer dan gemiddelde bijdrage, doordat de technologische oplossingen die nodig zijn voor een koolstofarme maatschappij in de bouwsector in tegenstelling tot de vervoerssector, bijvoorbeeld nu al beschikbaar zijn.

Als de bouwsector die belangrijke bijdrage moet leveren tegen het midden van deze eeuw, dan moeten er zo snel mogelijk kostenoptimale minimumeisen voor de energieprestatie worden gesteld. Verschillende recente studies hebben de negatieve gevolgen van suboptimale renovaties op de lange termijn aangetoond, waarbij besparingspotentieel decennialang vast komt te zitten. Hetzelfde geldt voor nieuwe infrastructuur. Dit zogenaamde 'lock in'-effect kan enkel worden voorkomen door wettelijke eisen vast te leggen op niveaus die rekening houden met alle besparingen die benut kunnen worden tijdens de geschatte economische levensduur van het gebouw. Op die manier kan het inherente marktfalen op het gebied van de energie- efficiëntie van gebouwen vanwege de lange terugverdientijd, de risicoperceptie van kredietverstrekkers en het feit dat particuliere beleggers niet op de hoogte zijn van de beschikbare technologieën worden aangepakt.

1.2. - Doelstellingen van het voorstel

Overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking) moet de Commissie uiterlijk op 30 juni 2011 een vergelijkend methodologisch kader vaststellen voor de berekening van de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestatie voor gebouwen en onderdelen van gebouwen.

Krachtens Richtlijn 2002/91/EG betreffende de energieprestatie van gebouwen6 (die vanaf

1 februari 2012 wordt ingetrokken)7 moeten de lidstaten minimumeisen voor de

energieprestatie van gebouwen vastleggen op basis van een nationale berekeningsmethodiek.

De richtlijn bevat echter geen eisen of richtsnoeren die bepalen hoe dat moet gebeuren. Overeenkomstig Richtlijn 2010/31/EU zijn de lidstaten momenteel verplicht om ervoor te zorgen dat er minimumeisen voor de energieprestatie van gebouwen, gebouwunits en onderdelen van gebouwen worden vastgesteld met het oog op het bereiken van kostenoptimale niveaus. Om die kostenoptimale niveaus te bepalen, moeten de lidstaten een door de Commissie vastgesteld vergelijkend methodologisch kader gebruiken, aangevuld met de relevante nationale parameters. Indien het resultaat van die berekeningen en vergelijking aantoont dat de vigerende minimumeisen inzake energieprestatie beduidend minder energie- efficiënt zijn dan de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestatie, geeft de betrokken lidstaat de Commissie een schriftelijke verantwoording voor dit verschil. Voor zover het verschil niet kan worden verantwoord, wordt er een plan opgesteld om het verschil te verminderen.

Richtlijn 2010/31/EU bevat voorts de bepaling dat alle nieuwe gebouwen uiterlijk op 31 december 2020 bijna-energieneutraal moeten zijn (voor nieuwe gebouwen waarin overheidsinstanties zijn gehuisvest die eigenaar zijn van deze gebouwen geldt dit reeds na 31 december 2018). Deze doelstelling wordt in het methodologisch kader onder meer behandeld door maatregelen/varianten/pakketten die nodig zijn voor het bouwen van een bijna-energieneutraal gebouw in de berekening op te nemen. Het kostenoptimaal methodologisch kader kan ook helpen om het verschil met volledige kostenefficiëntie, en daarna met de kostenoptimaliteit van bijna-energieneutrale gebouwen, transparant te maken.

Het vergelijkend methodologisch kader is niet hoofdzakelijk bedoeld om de minimumeisen voor de energieprestatie te harmoniseren, maar wel om ervoor te zorgen dat elke Europese lidstaat binnen zijn eigen context een vergelijkbaar ambitieniveau hanteert. De lidstaten stellen de prestatie-eisen vast aan de hand van lokale factoren, zoals de klimatologische omstandigheden, de beschikbaarheid van hulpbronnen en de economische ontwikkeling. Zo wordt een billijke behandeling van lidstaten met verschillende niveaus van vooruitgang en ervaring gegarandeerd. Op die manier sluit het methodologisch kader ook volledig aan op de geest van Richtlijn 2010/31/EU, die bedoeld is als een kaderrichtlijn die voldoende ruimte laat aan de lidstaten om de bepalingen uit de richtlijn op de meest gepaste manier toe te passen. Een dergelijke benadering kan de ambitieniveaus dichter bij elkaar brengen en een zekere druk vanuit de omgeving teweegbrengen, zoals reeds werd aangegeven in de begeleidende effectbeoordeling bij het voorstel voor Richtlijn 2010/31/EU.

1.3. - Consistentie met andere beleidsdomeinen en doelstellingen van de EU

De consistentie met gerelateerde Europese wetgeving werd gewaarborgd. In Richtlijn 2010/31/EU worden de definities van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen gebruikt en wordt rekening gehouden met de daarin vastgelegde verplichtingen met betrekking tot gebouwen.

9

Het kostenoptimaal methodologisch kader zal door de lidstaten ook worden gebruikt om minimumeisen voor de energieprestatie van technische bouwsystemen vast te stellen. In deze context wordt de consistentie met de eisen voor het ecologisch ontwerp voor bouwgerelateerde producten zoals ketels en luchtbehandelingsapparaten gewaarborgd. Richtlijn 2009/125/EG betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten

10 maakt het mogelijk om

Europese minimumeisen vast te stellen voor dergelijke producten met het oog op het garanderen van het vrij verkeer van die producten op de interne markt. Overeenkomstig Richtlijn 2010/31/EU kan het doel van kostenefficiënte of kostenoptimale energie- efficiëntieniveaus in bepaalde omstandigheden rechtvaardigen dat lidstaten eisen in verband met kostenefficiëntie en -optimaliteit vaststellen die in de praktijk beperkingen met zich meebrengen voor bepaalde ontwerpen van gebouwen en technische opties en kan dit het gebruik van energiegerelateerde producten met een betere energieprestatie stimuleren. In Richtlijn 2009/125/EG en Richtlijn 2010/31/EU wordt ook een vergelijkbare aanpak gehanteerd voor de kostenberekening op basis van de levenscyclus. De benadering van de totale kosten is een variant van de kostenberekening op basis van de levenscyclus, waarbij rekening wordt gehouden met het gebruik en, indien van toepassing, de eindfase van de levenscyclus, waarbij ook voor de disconteringsvoet een vergelijkbare aanpak wordt gehanteerd. In de onlangs aangenomen verordening inzake bouwproducten

11 wordt bij het

beoordelen van het energieverbruik van dergelijke producten eveneens gebruik gemaakt van kostenberekening op basis van de gehele levenscyclus.

Deze verordening van de Commissie, tot slot, werd opgesteld op basis van bestaande definities en concepten voor kostenberekening die ontwikkeld werden voor de Europese norm EN 15459. Voor de berekening van de energieprestatie van gebouwen en onderdelen van gebouwen wordt aanbevolen om de bestaande CEN-normen te gebruiken, hoewel gelijkwaardige nationale procedures aanvaard worden op voorwaarde dat zij voldoen aan bijlage I en artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2010/31/EU.

benoemen.12 Naast de nationale deskundigen werd ook een evenwichtige vertegenwoordiging

van belanghebbenden uitgenodigd, onder wie fabrikanten van energie-efficiënte technologieën (zowel voor systemen als voor gebouwen), de gehele bouwketen waaronder deskundigen op het gebied van bijna-energieneutrale gebouwen, deskundigen op het gebied van EU-normalisering, eigenaars van vastgoed en huurdersorganisaties, vertegenwoordigers van banken en dienstverleners in de energiesector. Gezien het heterogene karakter van de bouwsector bleef de deelname beperkt tot vertegenwoordigers van overkoepelende organisaties uit de EU. De uitnodigingen waren gebaseerd op een screening van de belanghebbenden door de diensten van de Commissie en de oorspronkelijke lijst werd op aanvraag gewijzigd. Tot slot waren ook academische deskundigen, waaronder vertegenwoordigers van het Internationaal Energieagentschap tijdens beide vergaderingen aanwezig.

2.1. - De eerste vergadering met deskundigen van 16 maart 2011

Het doel van de eerste bijeenkomst, waarop 46 deelnemers van de lidstaten en 43 andere belanghebbenden aanwezig waren, was tweeledig: input van deskundigen krijgen over de vraagstukken in verband met het toepassingsgebied en de methodologie en een beter inzicht verwerven in de huidige methodologieën voor kostenefficiëntie die in de lidstaten worden toegepast.

Om de vraagstukken rond toepassingsgebied en methodologie te behandelen, werd vóór de vergadering aan de deskundigen een document met 23 vragen toegezonden die betrekking hadden op:

· de behoefte aan consistentie tussen de bijna-energieneutrale doelstelling en de kostenoptimale eisen;

· de mate van detaillering nodig voor de referentiegebouwen en andere inputgegevens;

· het perspectief voor kostenoptimaliteit (macroniveau of niveau van de individuele investeerder);

·

belanghebbenden. De vergaderdocumenten werden tegelijk ook tijdig en op passende wijze toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad. Alle vergaderdocumenten waaronder de presentaties van de vier lidstaten en de ontvangen schriftelijke bijdragen werden gepubliceerd op de website van de Commissie.

Samenvatting van de antwoorden tijdens de eerste vergadering met deskundigen en hoe er rekening mee is gehouden:

Hoewel de meningen van de deskundigen en belanghebbenden tijdens de vergadering of schriftelijk geuit voor of na de vergadering erop wezen dat een aanzienlijke meerderheid positief staat tegenover de opname van verlichtingsystemen voor de niet-residentiële sector in en de uitsluiting van de afbraakfase uit het toepassingsgebied van deze gedelegeerde handeling, was men minder eensgezind over andere kwesties betreffende het toepassingsgebied en de methodologie.

Over referentiegebouwen:

De presentaties van de lidstaten en de tussenkomsten wezen op uiteenlopende methodologische benaderingen en mate van detaillering. Duitsland hanteert een veelomvattende catalogus terwijl Nederland werkt met slechts enkele referentiegebouwen in de residentiële sector en aangepaste gebruikspatronen voor de niet-residentiële sector. Denemarken werkt niet met complete typologieën voor referentiegebouwen maar gaat uit van voorbeeldgebouwen. Niet alle lidstaten beschikken over een gegevensbank voor de thans gebruikte referentiegebouwen.

Hoewel veel belanghebbenden stelden dat de typologieën voor bestaande gebouwen de huidige (gemiddelde) gebouwenvoorraad zo goed mogelijk moeten weerspiegelen, wezen de nationale deskundigen op het feit dat een 'statistisch representatief' referentiegebouw erg ingewikkeld en onrealistisch zou zijn.

Anderzijds leek men over het algemeen te accepteren dat de definitie van een referentiegebouw voor nieuwe gebouwen niet te gedetailleerd hoeft te zijn wat de bouwschil en de bouwsystemen betreft, omdat men in dit geval slechts te maken heeft met de basisomtrek en het gebruikspatroon. Een nationale deskundige wees op het feit dat voor nieuwe gebouwen ook al gebruik kan worden gemaakt van de subcategorieën van gebouwen om bij voorbaat zeer inefficiënte opties uit te sluiten (bijvoorbeeld gordijngevels). Bovendien werd gesteld dat het referentiegebouw niet alleen representatief moet zijn voor de energieprestatie maar ook voor de kostenstructuur van de nationale gebouwenvoorraad.

Over de kostenoptimaliteit op het niveau van onderdelen van gebouwen:

Er werd van gedachten gewisseld over de details van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp en Richtlijn 2010/31/EU en hoe deze onderling verbonden zijn. Er werd gewezen op het feit dat de producten waarop de richtlijn inzake ecologisch ontwerp betrekking heeft steeds deel uitmaken van een systeem (ze werken in verschillende klimaatomstandigheden met wisselende vraag naar warmte en koeling) en dat de nationale bouwwetgeving daarom vaak extra normen oplegt boven op de producteisen.

Over andere inputgegevens, met name voor de kostenberekeningen:

Het idee om een calculatieperiode van 30 jaar aan te houden kreeg meer bijval dan kritiek. De belanghebbenden brachten uiteenlopende ideeën naar voren over de vraag of het zinvol is te werken met verschillende calculatieperioden voor niet-residentiële en residentiële gebouwen.

De meningen van de nationale deskundigen liepen uiteen van calculatieperiodes van 60 jaar tot minder dan 20 jaar. Er werd ook gewezen op het feit dat voor de calculatieperiode ook nog gebruik kan worden gemaakt van restwaarden als de geschatte economische levensduur van het gebouw langer zou zijn. Een academisch deskundige benadrukte dat het erg moeilijk zou worden om prijzen te voorspellen voor een periode van meer dan 30 jaar. De belanghebbenden vonden het voorbarig om rekening te houden met een mogelijk hogere toekomstige waarde van energie-efficiëntere gebouwen.

Gezien deze discussies wordt voorgesteld om vast te houden aan een calculatieperiode van 30 jaar voor residentiële gebouwen maar een kortere calculatieperiode van 20 jaar toe te staan voor niet-residentiële, commerciële gebouwen op grond van de kortere beleggingscycli voor deze gebouwen. Vanwege de voorbeeldrol van de overheid moet voor openbare gebouwen ook worden uitgegaan van een calculatieperiode van 30 jaar. De lidstaten behouden hun vrijheid bij het vaststellen van de geschatte nationale economische levenscycli van zowel gebouwen als onderdelen van gebouwen zoals verlangd door de Richtlijn.

Over de vraag voor wie de kostenoptimaliteit moet worden gedefinieerd:

De lidstaten bieden hier geen eenduidigheid omdat de ene lidstaat ervoor pleit om alleen uit te gaan van een particulier perspectief, een andere lidstaat voorstander is van uitsluitend een maatschappelijke benadering en weer andere lidstaten beide principes omarmen. Andere belanghebbenden waren eveneens verdeeld over dit punt. Vastgoedeigenaars en vertegenwoordigers van socialehuisvestingsmaatschappijen willen uitgaan van de specifieke kenmerken van gehuurde gebouwen terwijl onderzoekers het macroperspectief benadrukken. Volgens één onderzoeker kan het kostenoptimum op macro-economisch niveau 117% hogere eisen met zich meebrengen dan op particulier niveau; er is echter geen overeenstemming over de vraag hoe ruim het macro-economische bereik moet worden gedefinieerd. Ook werd gewezen op de kleine verschillen in de berekeningen die voor beide moeten worden opgesteld. Ondanks de meningsverschillen over macro- versus microniveau waren de meesten van mening dat de lidstaten éénzelfde benadering moeten aanhouden.

kostenoptimaal en voordeliger dan maatregelen op basis van energie-efficiëntie; de daaruit voortvloeiende discussie was vooral gericht op kwesties in verband met systeemgrenzen (bijvoorbeeld het gebouw of de omgeving).

Verschillende meningen kwamen naar voren over de vraag of voor oplossingen die op hernieuwbare energie gebaseerd zijn ook de kostenefficiëntie moet worden aangetoond.

Socialehuisvestingsmaatschappijen wezen erop dat alleen het terugdringen van de energievraag zal leiden tot lagere energiefacturen voor huurders. Een andere belanghebbende vreesde dat de eis voor bijna-energieneutrale gebouwen kan leiden tot een vertraging in de bouw van nieuwe infrastructuur. Hoewel exacte gegevens over de nationale toepassing van de bijna-energieneutrale definitie in alle EU-lidstaten nu nog niet bekend zijn, ging men er in het algemeen van uit dat de definitie van kostenoptimaliteit tegen 2013 een eerste stap kan zijn in de richting van het bijna-energieneutrale doel voor 2019 (openbare sector)/2021 (alle nieuwe gebouwen) zoals vastgesteld in de Richtlijn.

Over de energieprijsontwikkelingen:

De deskundigen wezen op het belang van de elektriciteitsprijs en de prijs van CO

2 die deel

moet uitmaken van de voorspellingen voor de prijsontwikkeling van energie. Een deskundige wees op het belang van een verplichte gevoeligheidsanalyse met betrekking tot de energieprijsontwikkelingen. Denemarken vroeg aandacht voor het feit dat de energieprijsontwikkelingen gemakkelijker te voorspellen zijn op macroniveau dan vanuit particulier perspectief en dat ook aandacht moet worden gegeven aan mogelijke prijsdalingen voor producten en diensten.

2.2. - De tweede vergadering met deskundigen van 6 mei 2011

De tweede vergadering met deskundigen op 6 mei 2011 werd bijgewoond door 73 personen.

De meesten van hen hadden ook deelgenomen aan de eerste bijeenkomst. Bij deze gelegenheid waren op hun verzoek ook enkele andere organisaties van belanghebbenden toegevoegd aan de lijst met genodigden. De discussie werd gevoerd aan de hand van een werkdocument waarin een eerste ontwerp voor een gedelegeerde handeling en een rapporteringsmodel waren opgenomen. Deze stukken waren op 20 april en 4 mei 2011 voorgelegd aan alle deskundigen en ook toegezonden aan de operationele mailbox van het Europees Parlement en aan het contactpunt van de Raad.

· het minimumaantal te berekenen referentiegebouwen wordt van 16 verlaagd naar 9, met vooral een kleinere last voor het vaststellen van referentiegebouwen in de niet-residentiële sector;

· vermindering van de eisen inzake berekening en rapportering over de nodige maatregelen voor bijna-energieneutrale gebouwen zodat de lidstaten alleen verplicht zijn maatregelen op te nemen die gebaseerd zijn op hernieuwbare energiebronnen en maatregelen die nodig zijn om de bijna-energieneutrale eis voor nieuwe gebouwen te behalen;

· daarnaast hoeven de lidstaten geen maatregelen in de berekening op te nemen wanneer het meteen al duidelijk is dat zulke maatregelen (nog) niet kostenoptimaal zijn;

  • met slechts één tegenstem van een belanghebbende stemden verschillende lidstaten en andere belanghebbenden in met de wens dat de bijzondere situatie in verhuurde gebouwen geen invloed mag hebben op het vaststellen van eisen en dat deze voor de lidstaten slechts een aanbeveling moet zijn voor nadere bestudering. De tekst werd in die zin gewijzigd;
  • een verplichte gevoeligheidsanalyse vond voor- en tegenstanders. De uiteindelijk voorgestelde aanpak houdt in dat van de lidstaten een gevoeligheidsanalyse wordt gevraagd voor minimaal de energieprijsontwikkelingen en voor verschillende disconteringsvoeten gezien de significante invloed van deze parameters op de uitkomsten van de berekeningen en gezien het feit dat zulke analyses al in de helft van de lidstaten worden verricht;
  • de beschrijving van kostenelementen waarmee rekening moet worden gehouden bij investeringen (Richtlijn 2010/31/EU, bijlage III) werd uit de tekst verwijderd en zal worden opgenomen in de leidraad omdat deze beschrijving nooit volledig kan zijn en geen recht doet aan alle (opkomende) technologieën. Er werd benadrukt dat deze beschrijving zelfs in de leidraad niet meer dan indicatief kan zijn;

2.3. - Input van nationale deskundigen via de Concerted Action

De ervaringen bij het vaststellen van eisen op nationaal niveau tijdens de zogeheten Concerted Action for the EPBD

13 (coördinatiewerkzaamheden voor de energieprestatie van gebouwen)

kregen eveneens aandacht. De Concerted Action is een forum dat de uitvoerende instanties van 29 landen samenbrengt en dat wordt geleid door het Comité voor de uitvoering van de richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen. Doel van het forum is de uitwisseling van beste praktijken voor de tenuitvoerlegging van de Richtlijn. In het kader van de Concerted Action vulden de nationale uitvoerende instanties twee uitvoerige vragenlijsten in over nationale studies en benaderingen van de vaststelling van kostenoptimale eisen.

Een tijdelijke werkgroep binnen de Concerted Action organiseerde in september 2010 en april 2011 sessies over dit onderwerp. Een vertegenwoordiger van de Concerted Action bracht tijdens de tweede vergadering met deskundigen van 6 mei 2011 verslag uit over de voornaamste conclusies van de werkgroep. De werkgroep had vooral aandacht voor de uitvoeringsproblemen in verband met de vaststelling van referentiegebouwen voor de bestaande gebouwenvoorraad, voor de vraag hoe kostenoptimale niveaus uit de berekeningen kunnen worden afgeleid en hoe kosten en prijzen kunnen worden vastgesteld. Dit onderstreepte de behoefte aan een eenvoudige aanpak in dit stadium die niet teveel parameters harmoniseert en ook niet te veel rapportering vergt. De werkgroep formuleerde bovendien de aanbeveling om een toetsing uit te voeren zodra meer kennis beschikbaar is. De Commissie wees erop dat een herziening van de gedelegeerde handeling in de komende jaren geen uitvoerbare optie is maar stelde dat de niet-bindende leidraad kan worden gebruikt voor actualiseringen.

De presentatie van de Concerted Action tijdens de vergadering met deskundigen van 6 mei 2011 (gebaseerd op een vragenlijst die werd ingevuld door 20 nationale overheden) wees uit dat elf lidstaten kostenoptimale niveaus op microniveau berekenen en dat vier andere lidstaten de berekeningen verrichten vanuit beide perspectieven. Op dit moment werken acht lidstaten niet met referentiegebouwen terwijl negen lidstaten dat wel doen. Negen landen berekenen het verbruik van primaire energie, drie landen de geleverde energie en acht landen hanteren andere parameters. De helft van de lidstaten voert al een gevoeligheidsanalyse uit. De helft van de lidstaten denkt dat maatregelen op basis van hernieuwbare energie moeten worden opgenomen in de berekening van de kostenoptimaliteit. Klimaatgegevens vormen geen probleem en zijn beschikbaar in de lidstaten. De meeste lidstaten maken geen (volledig) gebruik van EN 15459 voor hun kostenberekeningen.

kostenefficiëntiebenaderingen gehanteerd in de VS, bijvoorbeeld in Florida17 en op

Amerikaans federaal niveau18 en bestaande projecten van Intelligente energie voor Europa

(IEE) waaronder ASIEPI19, EPA-NR20 en TABULA21 werden in ogenschouw genomen.

3. - JURIDISCHE ASPECTEN VAN HET VOORSTEL

De gedelegeerde handeling vult Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking) aan, in het bijzonder die bepalingen van de Richtlijn die lidstaten verzoeken om minimumeisen voor de energieprestatie vast te stellen met het oog op het bereiken van kostenoptimale niveaus.

De onderhavige verordening gaat vergezeld van een niet-bindende leidraad die lidstaten in aanmerking dienen te nemen aangezien deze verduidelijkt hoe het methodologisch kader moet worden toegepast.

· Subsidiariteitsbeginsel

In het voorgestelde vergelijkend methodologisch kader behouden de lidstaten een ruime vrijheid zoals voor de berekening van energieprestatie-eisen waarbij nationale procedures mogen worden behouden mits ze in overeenstemming zijn met bijlage I en artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2010/31/EU. Zo bevat het voorstel slechts beperkte eisen en richtsnoeren voor de selectie van referentiegebouwen.

Het voorstel legt de volgende inputgegevens vast:

· calculatieperiode,

· jaar van aanvang voor de berekeningen,

· kostencategorieën.

Overeenkomstig het voorstel moet de kostenoptimaliteit worden berekend zowel op macro- economisch niveau (exclusief belastingen en subsidies, maar inclusief de koolstofkosten) als op financieel niveau (waarbij de prijzen worden gebruikt als betaald door de eindgebruiker, inclusief toepasselijke belastingen en heffingen en wanneer mogelijk subsidies, maar zonder daar bovenop rekening te houden met de kosten voor vermindering van de broeikasgas- emissies). Het is echter nog steeds aan de lidstaten om uiteindelijk te beslissen welke van deze berekeningen de nationale referentie wordt voor de berekening van de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestatie overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2010/31/EU.

Bovendien verschaft het voorstel informatie over energieprijsontwikkelingen voor olie, gas, steenkool en elektriciteit.

De lidstaten vullen het methodologisch kader aan door:

· de geschatte economische levensduur van gebouwen en onderdelen van gebouwen te bepalen;

· de disconteringsvoeten te kiezen;

· kostengegevens voor energieprijzen, producten, systemen, onderhoudskosten, operationele kosten en loonkosten vast te stellen;

· energieprijsontwikkelingen voor energiedragers te bepalen en de primaire- energiefactoren vast te stellen;

· een gevoeligheidsanalyse voor de belangrijkste inputparameters uit te voeren: energieprijsontwikkelingen en disconteringsvoeten vanuit verschillende oogpunten (inclusief zowel een bredere beleidsvisie als de financiële visie van een typische belegger).

Zoals vereist bij bijlage III bij Richtlijn 2010/31/EU gaat de onderhavige gedelegeerde handeling over een methodologisch kader vergezeld van richtsnoeren voor het gebruik van het kader voor de berekening van kostenoptimale niveaus. In tegenstelling tot de gedelegeerde handeling zijn de begeleidende richtsnoeren niet-bindend.

· Rechtsgrondslag

De voorgestelde verordening is een gedelegeerde handeling als bedoeld in artikel 5 van Richtlijn 2010/31/EU die gebaseerd is op artikel 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

· Evenredigheidsbeginsel

levensduur voor de laagste kosten wordt gekozen en dat de voordelen gedurende de levensduur opwegen tegen de kosten.

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. .../.. VAN DE COMMISSIE

van 16.1.2012

tot aanvulling van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad

betreffende de energieprestatie van gebouwen (herziening) middels het vaststellen van

een vergelijkend methodologisch kader voor het berekenen van kostenoptimale niveaus

van minimumenergieprestatie-eisen voor gebouwen en onderdelen van gebouwen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herziening)

22 en met name artikel 5, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Richtlijn 2010/31/EU bepaalt dat de Commissie middels een gedelegeerde handeling een vergelijkend methodologisch kader vaststelt voor de berekening van de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestatie voor gebouwen en onderdelen van gebouwen.

(2) Het is de verantwoordelijkheid van de lidstaten om minimumeisen vast te stellen voor de energieprestatie van gebouwen en onderdelen van gebouwen. De eisen moeten worden vastgesteld met het oog op het bereiken van kostenoptimale niveaus. Het is aan de lidstaten om te besluiten of de nationale referentie die wordt gebruikt als het uiteindelijke resultaat van de kostenoptimaliteitsberekeningen degene is welke is berekend vanuit macro-economisch perspectief (waarbij wordt gekeken naar de kosten en baten van investeringen in energie-efficiëntie voor het geheel van de samenleving), dan wel die waarbij een strikt financieel uitgangspunt is gebruikt (waarbij uitsluitend naar de investering zelf wordt gekeken). De nationale minimumeisen inzake energieprestaties mogen niet meer dan 15 procent lager liggen dan de uitkomst van de kostenoptimaliteitsberekeningen, genomen als nationale referentie. Het kostenoptimale niveau ligt binnen het bereik van prestatieniveaus waar de kosten-batenanalyse over de gehele levensduur positief is.

(4) Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten

23 voorziet in de vaststelling

van minimumeisen inzake energieprestatie voor dergelijke producten. Bij het vaststellen van nationale eisen voor technische bouwsystemen moeten de lidstaten de toepassingsmaatregelen die in deze richtlijn zijn vastgesteld in aanmerking nemen. De voor de berekeningen overeenkomstig deze verordening te gebruiken prestaties van bouwproducten moeten worden vastgesteld overeenkomstig de voorschriften van Verordening 2011/305/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad.

(5) Het doel van kostenefficiënte of kostenoptimale energie-efficiëntieniveaus kan in bepaalde

omstandigheden rechtvaardigen dat lidstaten kostenefficiënte of

kostenoptimale eisen vaststellen voor onderdelen van gebouwen die in de praktijk beperkingen zouden opleggen aan sommige bouwontwerpen of technische ontwerpen alsmede het gebruik zouden stimuleren van energiegerelateerde producten die de energieprestatie verbeteren.

(6) De stappen waaruit het vergelijkend methodologisch kader bestaat zijn uiteengezet in bijlage III van Richtlijn 2010/31/EU en omvatten het vaststellen van referentiegebouwen, de definitie van energie-efficiëntiemaatregelen die op deze referentiegebouwen moeten worden toegepast, de beoordeling van de behoefte aan primaire energie van deze maatregelen en de berekening van de kosten (d.w.z. de netto contante waarde) van deze maatregelen.

(7) Het gemeenschappelijk kader voor de berekening van de energieprestatie zoals vastgelegd in bijlage I van Richtlijn 2010/31/EU is ook van toepassing op de kostenoptimale kadermethodologie voor alle stappen, met name de stap van de berekening van de energieprestatie van gebouwen en onderdelen van gebouwen.

(8) Om het vergelijkend methodologisch kader aan de nationale omstandigheden aan te passen, moeten de lidstaten het volgende vaststellen: de geraamde economische levensduur van een gebouw en/of onderdeel van een gebouw, de juiste kosten van energiedragers,

berekeningen, de in overweging te nemen kostencategorieën en de te hanteren calculatieperiode.

(10) Het vaststellen van een gemeenschappelijke calculatieperiode conflicteert niet met het recht van de lidstaten om de geschatte economische levensduur van gebouwen en/of onderdelen van gebouwen te bepalen, aangezien die laatste zowel langer als korter dan de vastgestelde calculatieperiode kan zijn. De geraamde economische levensduur van een gebouw of onderdeel van een gebouw heeft slechts een beperkte invloed op de calculatieperiode, aangezien de laatste veeleer wordt bepaald door de renovatiecyclus van een gebouw, zijnde het tijdsbestek waarna een gebouw een ingrijpende renovatie ondergaat.

(11) Kostenberekeningen en kostenramingen met veel aannames en onzekerheden, inclusief bijvoorbeeld energieprijsontwikkelingen in de loop van de tijd, gaan gewoonlijk gepaard met een gevoeligheidsanalyse waarin de robuustheid van de belangrijkste inputparameters wordt getaxeerd. Voor de kostenoptimaliteitsberekeningen zouden in de gevoeligheidsanalyse ten minste de energieprijsontwikkelingen en de disconteringsvoet aan de orde moeten komen; idealiter moet de gevoeligheidanalyse ook de toekomstige ontwikkelingen op het gebied van de technologiekosten als input voor een herziening van de berekeningen omvatten.

(12) Het vergelijkend methodologisch kader moet de lidstaten in staat stellen de resultaten van de kostenoptimaliteitsberekeningen te vergelijken met de vigerende minimumeisen inzake energieprestatie en het resultaat van de vergelijking te gebruiken om te garanderen dat minimumeisen inzake energieprestatie worden vastgesteld met als doel kostenoptimale niveaus te bereiken. De lidstaten moeten ook overwegen minimumenergieprestatie-eisen op kostenoptimaal niveau vast te stellen voor die categorieën van gebouwen waarvoor tot op heden geen minimum- energieprestatie-eisen bestaan.

(13) De kostenoptimale methodologie is technologisch neutraal en er is geen sprake van een voorkeur voor een technologische oplossing boven een andere. Zij garandeert een competitie van maatregelen/pakketten/varianten met betrekking tot de geraamde levensduur van een gebouw of onderdeel van een gebouw.

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Overeenkomstig artikel 5, bijlage I en bijlage III van Richtlijn 2010/31/EU stelt deze verordening een vergelijkend methodologisch kader vast waarmee de lidstaten de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestatie voor nieuwe en bestaande gebouwen en onderdelen van gebouwen kunnen berekenen.

Het methodologisch kader bevat regels voor de vergelijking van maatregelen op het gebied van energie-efficiëntie, maatregelen betreffende hernieuwbare energiebronnen en pakketten en varianten op dergelijke maatregelen, gebaseerd op de primaire-energieprestaties en op de kosten die aan de implementatie ervan worden toegerekend. In dit kader wordt ook uiteengezet hoe deze regels moeten worden toegepast op de gekozen referentiegebouwen met als doel de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestatie vast te

stellen.

Artikel 2

Definities

Naast de definities in artikel 2 van Richtlijn 2010/31/EU gelden de volgende definities, met daarbij de opmerking dat voor de berekening op macro-economisch niveau de van toepassing zijnde heffingen en belastingen moeten worden uitgesloten:

(1) totale kosten : het totaal van de huidige waarde van de initiële investeringskosten, het totaal van de lopende kosten, de kosten van broeikasgasemissies en de vervangingswaarde (vanaf het jaar van aanvang), alsmede de verwijderingskosten indien van toepassing. Voor de berekening op macro-economisch niveau wordt een extra kostencategorie, namelijk de kosten van de broeikasgasemissies , geïntroduceerd;

(6) lopende kosten : jaarlijkse onderhoudskosten, exploitatiekosten en energiekosten;

(7) verwijderingskosten : de kosten voor deconstructie aan het einde van de levensduur van een gebouw of onderdeel van een gebouw, verwijdering van onderdelen van gebouwen die nog niet het einde van hun levensduur hebben bereikt, transport en

hergebruik;

(8) jaarlijkse kosten : het totaal van lopende kosten en periodieke kosten of vervangingskosten die in een bepaald jaar zijn betaald;

(9) vervangingskosten : een vervangende investering voor een onderdeel van een gebouw afhankelijk van de geraamde economische levensduur tijdens de calculatieperiode;

(10) kosten van broeikasgasemissies : de geldwaarde van schade aan het milieu veroorzaakt door CO

2-emissies die betrekking hebben op het energieverbruik in

-

gebouwen;

(11) referentiegebouw : een hypothetisch of echt referentiegebouw waarin de typische bouwgeometrie en bouwsystemen vertegenwoordigd zijn, dat wat betreft bouwschil en bouwsystemen een typische energieprestatie laat zien, een typische functionaliteit en een typische kostenstructuur heeft in de lidstaat en representatief is wat betreft klimaatomstandigheden en geografische locatie;

(12) disconteringsvoet : een bepaalde waarde voor het vergelijken van de waarde van geld op verschillende tijdstippen uitgedrukt in reële cijfers;

(13) disconteringsfactor : een vermenigvuldigend cijfer om een kasstroom die op enig moment plaatsvindt om te rekenen naar zijn equivalente waarde van het begin. Deze is afgeleid van de disconteringsvoet;

(14) jaar van aanvang : het jaar waarop een willekeurige berekening is gebaseerd en op basis waarvan de calculatieperiode wordt vastgesteld;

(15) calculatieperiode : de periode waarop de berekening betrekking heeft, gewoonlijk uitgedrukt in jaren;

-

maatregelen met betrekking tot bouwsystemen en/of maatregelen die gebaseerd zijn op hernieuwbare energiebronnen;

(21) subcategorieën van gebouwen : categorieën van gebouwtypes die verder onderverdeeld zijn volgens grootte, leeftijd, bouwmateriaal, gebruikspatroon, klimaatzone of andere criteria dan de criteria die zijn vastgesteld in bijlage I, artikel 5, van Richtlijn 2010/31/EU. Juist voor dergelijke subcategorieën worden over het algemeen referentiegebouwen vastgesteld;

(22) geleverde energie : energie, uitgedrukt per energiedrager, geleverd aan het technische bouwsysteem door de systeemgrens heen, om te voorzien in de bedoelde toepassingen (verwarming, koeling, ventilatie, warm water voor het huishouden, verlichting, apparaten etc.) of om elektriciteit te produceren;

(23) energie voor verwarming en koeling : warmte die aan een geklimatiseerde ruimte moet worden geleverd of eraan moet worden onttrokken om gedurende een bepaalde tijd de gewenste temperatuur te handhaven;

(24) geëxporteerde energie : energie, uitgedrukt per energiedrager, geleverd door het technische bouwsysteem door de systeemgrens heen en gebruikt buiten de

systeemgrens;

(25) geklimatiseerde ruimte : ruimte waar bepaalde omgevingsparameters zoals temperatuur, vochtigheid etc. worden gereguleerd met behulp van technische middelen zoals verwarming en koeling enz.;

(26) energie uit hernieuwbare bronnen : energie uit hernieuwbare niet-fossiele bronnen, namelijk wind, zon, aerothermische, geothermische en hydrothermische energie en energie

uit de oceanen, waterkracht, biomassa, stortgas, gas van

rioolzuiveringsinstallaties en biogassen.

Artikel 3

Vergelijkend methodologisch kader

(d) voor de bepaling van de koolstofkosten als benedengrens de geraamde koolstoftarieven binnen het emissiehandelssysteem overeenkomstig bijlage II.

  • 3. 
    De lidstaten vullen het vergelijkend methodologisch kader aan door ten behoeve van de berekeningen het volgende vast te stellen:

(a) de geraamde economische levensduur van een gebouw en/of een onderdeel van een gebouw;

(b) de disconteringsvoet;

(c) de kosten voor energiedragers, producten, systemen, onderhoudskosten, operationele kosten en arbeidskosten;

(d) de primaire-energiefactoren;

(e) de energieprijsontwikkelingen waarvan wordt uitgegaan voor alle

energiedragers, rekening houdend met de informatie in bijlage II bij deze verordening.

  • 4. 
    De lidstaten streven ernaar de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestatie te berekenen en aan te nemen met betrekking tot die categorieën van gebouwen waarvoor tot op heden geen specifieke minimumeisen inzake de energieprestatie gelden.
  • 5. 
    De lidstaten voeren een analyse uit om de gevoeligheid van de

berekeningsuitkomsten voor veranderingen in de toegepaste parameters vast te stellen, die ten minste de impact van verschillende energieprijsontwikkelingen omvat, alsmede disconteringsvoeten voor de macro-economische en financiële berekeningen en idealiter ook andere parameters die naar verwachting substantieel van invloed zullen zijn op de uitkomsten van de berekeningen zoals de prijsontwikkelingen voor andere producten dan energie.

aan de inachtneming van de resultaten van de kostenoptimaliteitsberekening voor hetzelfde referentiegebouw.

  • 2. 
    Als de lidstaten referentiegebouwen dusdanig hebben gedefinieerd dat het resultaat van de kostenoptimaliteitsberekening van toepassing is op verscheidene categorieën van gebouwen, mogen zij dit resultaat gebruiken opdat minimumenergieprestatie- eisen worden vastgesteld met het oog op het bereiken van de kostenoptimale niveaus voor alle relevante categorieën van gebouwen.

Artikel 5

Evaluatie van de kostenoptimaliteitsberekeningen

  • 1. 
    De lidstaten evalueren hun kostenoptimaliteitsberekeningen tijdig voor de toetsing van de minimumeisen inzake energieprestatie overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2010/31/EU. Voor deze evaluatie wordt met name gekeken naar de prijsontwikkelingen voor de inputkostengegevens en eventueel moet moeten deze ontwikkelingen bij de tijd worden gebracht.
  • 2. 
    De resultaten van deze evaluatie worden de Commissie toegezonden als onderdeel van het in artikel 6 van deze verordening bedoelde verslag.

Artikel 6

Rapportering

  • 1. 
    De lidstaten brengen aan de Commissie verslag uit over alle inputgegevens en veronderstellingen die zij voor de berekeningen en de resultaten van die berekeningen hebben gebruikt. In dit verslag worden de gebruikte conversiefactoren voor primaire energie vermeld, de resultaten van de berekeningen op macro- economisch en financieel niveau, de gevoeligheidsanalyse zoals bedoeld in artikel 3, lid 5, van deze verordening en de veronderstelde energie- en koolstoftarief- ontwikkelingen.

Artikel 7

Inwerkingtreding en toepassing

  • 1. 
    Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking

ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie .

  • 2. 
    Zij is van toepassing met ingang van 9 januari 2013 op door overheidsinstanties betrokken gebouwen en met ingang van 9 juli 2013 op andere gebouwen met uitzondering van artikel 6, punt 1, van deze verordening dat in werking treedt op 30 juni 2012, overeenkomstig Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen, artikel 5, punt 2, tweede alinea.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, op 16.1.2012 -

Voor de Commissie -

De Voorzitter -

José Manuel BARROSO

BIJLAGE I

Methodologisch kader voor vaststelling kostenoptimale niveaus

1. VASTSTELLING VAN REFERENTIEGEBOUWEN

(1) De lidstaten stellen referentiegebouwen vast voor de volgende gebouwencategorieën:

  • 1) 
    eengezinswoningen;
  • 2) 
    appartementencomplexen en meergezinswoningen;
  • 3) 
    kantoorgebouwen.

(2) Naast kantoorgebouwen stellen de lidstaten referentiegebouwen vast voor andere niet-residentiële gebouwencategorieën zoals vermeld in bijlage I, punt 5, d) tot en met i), van Richtlijn 2010/31/EU waarvoor specifieke energieprestatie-eisen bestaan.

(3) Als een lidstaat in het verslag, waarnaar wordt verwezen in artikel 6 van deze verordening, kan aantonen dat een vastgesteld referentiegebouw van toepassing kan zijn op meer dan een gebouwencategorie, mag deze lidstaat het aantal gehanteerde referentiegebouwen en dus ook het aantal berekeningen verminderen De lidstaten dienen deze aanpak te rechtvaardigen op basis van een analyse die aantoont dat een referentiegebouw dat wordt gebruikt voor meerdere gebouwencategorieën representatief is voor het gebouwenbestand van alle bestreken categorieën.

(4) Voor elke gebouwencategorie wordt minstens één referentiegebouw vastgesteld voor nieuwe gebouwen en minstens twee voor bestaande gebouwen die in aanmerking komen voor een ingrijpende renovatie. Referentiegebouwen kunnen worden vastgesteld op basis van subcategorieën van gebouwen (bv. onderscheiden naar omvang,

ouderdom, kostenstructuur, bouwmateriaal, gebruikspatroon of

klimaatzone) die rekening houden met de kenmerken van het nationale gebouwenbestand. Referentiegebouwen en hun kenmerken dienen overeen te stemmen met de structuur van bestaande of geplande eisen inzake energieprestaties.

(8) De lidstaten berekenen ook kostenoptimale niveaus voor minimale prestatie-eisen voor onderdelen van gebouwen die zijn geïnstalleerd in bestaande gebouwen of zij ontlenen die aan de berekeningen die werden verricht op gebouwniveau. Bij het vaststellen van de eisen voor onderdelen van gebouwen, geïnstalleerd in bestaande gebouwen, moeten de kostenoptimale eisen zoveel mogelijk rekening houden met de interactie van dat gebouwonderdeel met het gehele referentiegebouw en andere onderdelen van gebouwen.

(9) De lidstaten trachten de kostenoptimale eisen te berekenen en vast te stellen op het niveau van de individuele technische bouwsystemen voor bestaande gebouwen of deze te ontlenen aan de berekeningen die werden verricht op gebouwniveau, niet alleen voor verwarming, koeling, warm water, airconditioning en ventilatie (of een combinatie van dergelijke systemen) maar ook voor verlichtingssystemen voor niet- residentiële gebouwen.

2. IDENTIFICATIE VAN ENERGIE-EFFICIËNTIEMAATREGELEN, - MAATREGELEN

GEBASEERD OP HERNIEUWBARE ENERGIEBRONNEN EN/OF PAKKETTEN EN

VARIANTEN VAN DERGELIJKE MAATREGELEN VOOR ELK REFERENTIEGEBOUW

(1) Energie-efficiëntiemaatregelen voor zowel nieuwe als bestaande gebouwen worden gedefinieerd voor alle inputparameters voor de berekening die directe of indirecte effecten hebben op de energieprestaties van het gebouw, met inbegrip van alternatieve zeer efficiënte systemen zoals regionale energiebevoorradingssystemen en andere alternatieven zoals vermeld in artikel 6 van Richtlijn 2010/31/EU.

(2) De verschillende maatregelen mogen worden gebundeld in pakketten maatregelen of varianten. Als bepaalde maatregelen niet passen in een plaatselijke, economische of klimatologische context, moeten de lidstaten dit aangeven in hun verslag aan de Commissie, in overeenstemming met artikel 6 van deze verordening.

(3) De lidstaten identificeren ook maatregelen/pakketten/varianten bij het gebruik van hernieuwbare energie voor zowel nieuwe als bestaande gebouwen. Bindende bepalingen zoals vermeld in de nationale toepassing van artikel 13 van Richtlijn 2009/28/EG worden beschouwd als één maatregel/pakket/variant die/dat in die lidstaat moet worden toegepast.

berekeningen dienen deze maatregelen/pakketten/varianten echter in ogenschouw te worden genomen.

(6) De geselecteerde energie-efficiëntiemaatregelen en maatregelen op basis van hernieuwbare energiebronnen en pakketten/varianten dienen in overeenstemming te zijn met de basiseisen voor bouwwerken zoals vermeld in bijlage I bij Verordening 305/2011 en gespecificeerd door de lidstaten. Zij moeten ook in overeenstemming zijn met de luchtkwaliteit- en binnenmilieuniveaus volgens CEN standaard 15251 met betrekking tot de luchtkwaliteit binnenshuis of gelijkwaardige nationale normen.

In de gevallen waarin de maatregelen leiden tot verschillende comfortniveaus wordt dit transparant gemaakt in de berekeningen.

3. BEREKENING VAN DE PRIMAIRE-ENERGIEVRAAG DIE VOORTVLOEIT UIT DE

TOEPASSING VAN DEZE MAATREGELEN EN PAKKETTEN VAN MAATREGELEN OP EEN

REFERENTIEGEBOUW

(1) De energieprestatie wordt berekend overeenkomstig het algemeen

gemeenschappelijk kader van bijlage I bij Richtlijn 2010/31/EU.

(2) Voor het berekenen van de energieprestaties van maatregelen/pakketten/varianten berekenen de lidstaten, voor de nationaal gedefinieerde vloeroppervlakte, eerst de behoefte van energie voor verwarming en koeling. Vervolgens berekenen zij de geleverde energie voor ruimteverwarming, koeling, ventilatie, huishoudelijk warm water en verlichtingssystemen.

(3) Hernieuwbare energie die ter plaatse wordt geproduceerd, wordt afgetrokken van de primaire-energievraag en de geleverde energie.

(4) De lidstaten berekenen het hieruit resulterende primaire-energieverbruik door toepassing van primaire-energieconversiefactoren die worden vastgesteld op nationaal niveau. In het verslag waarnaar wordt verwezen in artikel 6 van deze verordening rapporteren de lidstaten deze primaire-energieconversiefactoren aan de Commissie.

4. BEREKENING VAN DE TOTALE KOSTEN UITGEDRUKT IN NETTO CONTANTE WAARDE

VOOR ELK REFERENTIEGEBOUW

4.1. Kostencategorieën

(1) De lidstaten definiëren en beschrijven de volgende te hanteren afzonderlijke

kostencategorieën:

  • a) 
    initiële investeringskosten;
  • b) 
    lopende kosten. De lopende kosten omvatten de kosten voor periodieke vervanging van onderdelen van gebouwen en kunnen ook, wanneer van toepassing, de opbrengst omvatten van geproduceerde energie waarmee de lidstaten bij de financiële berekening rekening kunnen houden;
  • c) 
    energiekosten. Deze weerspiegelen de totale energiekosten, inclusief de energieprijs, capaciteitstarieven en netwerktarieven;
  • d) 
    verwijderingskosten wanneer van toepassing.

Voor de berekening op macro-economisch niveau stellen de lidstaten bovendien de volgende kostencategorie vast:

  • e) 
    kosten van broeikasgasemissies. Hiertoe behoren ook de gekwantificeerde en in geld uitgedrukte, in aanmerking genomen operationele kosten van CO

2 die

voortkomen uit broeikasgasemissies in tonnen CO

2-equivalent over de

calculatieperiode.

4.2. Algemene beginselen voor de kostenberekening

(1) Bij het inschatten van de ontwikkeling van energiekosten kunnen de lidstaten gebruik maken van de prognoses inzake de energieprijsontwikkelingen van bijlage II bij deze verordening voor olie, gas, steenkool en elektriciteit, te beginnen met de gemiddelde absolute energieprijzen (uitgedrukt in euro) voor deze energiebronnen in het jaar van de berekening.

worden vermeld als werkelijke kosten exclusief inflatie. De kosten worden vermeld

op landniveau.

(4) Bij het vaststellen van de totale kosten van een maatregel/pakket/variant kunnen de volgende kosten buiten beschouwing worden gelaten:

  • a) 
    kosten die gelijk zijn voor alle beoordeelde maatregelen/pakketten/varianten;
  • b) 
    kosten in verband met onderdelen van gebouwen die geen invloed hebben op de energieprestaties van een gebouw.

Voor de berekening van de totale kosten moeten alle overige kosten wel in de berekening worden meegenomen.

(5) De restwaarde wordt vastgesteld door middel van een lineaire afschrijving van de initiële investerings- of vervangingskosten van een bepaald onderdeel van een gebouw tot het einde van de calculatieperiode verdisconteerd ten opzichte van het begin van de calculatieperiode. De afschrijvingsperiode wordt gebaseerd op de economische levensduur van een gebouw of onderdeel van een gebouw. Voor het bepalen van de restwaarde van onderdelen van gebouwen kan een correctie nodig zijn voor de kosten van verwijdering uit het gebouw aan het einde van de geraamde economische levensduur van het gebouw.

(6) De verwijderingskosten, wanneer van toepassing, worden verdisconteerd en worden afgetrokken van de eindwaarde. Eventueel moeten zij in een eerste stap worden berekend door middel van een discontering met als uitgangspunt de geschatte economische levensduur tot het einde van de calculatieperiode en in een tweede stap verdisconteerd naar het begin van de calculatieperiode.

(7) Aan het einde van de calculatieperiode worden de verwijderingskosten (indien van toepassing) of de restwaarde van de componenten en onderdelen van het gebouw in ogenschouw genomen om de eindkosten vast te stellen over de geschatte economische levensduur van het gebouw.

worden opgenomen in de berekening, maar de lidstaten kunnen ervoor kiezen subsidies terzijde te laten, waarbij zij er echter voor moeten zorgen dat in dat geval zowel subsidies als ondersteuningsregelingen voor technologie, maar ook eventuele bestaande subsidies voor energietarieven, buiten de berekening worden gehouden.

(2) De totale kosten van gebouwen en onderdelen van gebouwen worden berekend door totalisering van de verschillende kostensoorten waarna de disconteringsvoet (door middel van een disconteringsfactor) daarop in mindering wordt gebracht. Dit heeft tot doel de kosten uit te drukken als de waarde in het jaar van aanvang plus de verminderde restwaarde. Dit levert de volgende berekening op:

( )=+

C

g C

I (C

a ,i ( )

j ×R

d ( )

i )

-V

f , ( )

j

j i =1

waarbij: -

gelijk is aan de calculatieperiode

C

g() gelijk is aan de totale kosten (onder verwijzing naar jaar van aanvang

) over de calculatieperiode

C

I gelijk is aan de initiële investeringskosten voor een maatregel of een

pakket maatregelen j

C

a,I (j) gelijk is aan de jaarlijkse kosten gedurende jaar i voor een maatregel of

een pakket maatregelen j

V

f, (j) gelijk is aan de restwaarde van een maatregel of een pakket

maatregelen j aan het einde van de calculatieperiode (verdisconteerd

naar het jaar van aanvang )

R

d (i) gelijk is aan de disconteringsfactor voor jaar i gebaseerd op de

disconteringsvoet r die moet worden berekend

4.4. Berekening van de totale kosten bij een macro-economische berekening

(1) Bij de bepaling van de totale kosten bij een macro-economische berekening met betrekking tot een maatregel/pakket/variant zijn de relevante prijzen waarmee rekening moet worden gehouden, de prijzen exclusief alle toepasselijke belastingen, BTW, heffingen en subsidies.

(2) Bij de bepaling van de totale kosten op macro-economisch niveau van een maatregel/pakket/variant moet bovenop de onder punt 4.1 genoemde kostencategorieën een nieuwe kostencategorie, namelijk de kosten van broeikasgasemissies, worden opgenomen zodat de aangepaste methodologie voor de berekening van de totale kosten als volgt is:

Waarbij:

C c, i(j) gelijk is aan de koolstofkosten van een maatregel of een pakket maatregelen j

gedurende jaar i

(3) De lidstaten berekenen de cumulatieve koolstofkosten van

maatregelen/pakketten/varianten over de calculatieperiode door uit te gaan van de som van de jaarlijkse broeikasgasemissies vermenigvuldigd met de verwachte tarieven voor een ton CO

2-equivalent in het kader van elk jaar

uitgereikte broeikasgasemissierechten, waarbij initieel een benedengrens wordt gehanteerd van minimaal 20 euro per ton CO

2-equivalent in het tijdvak tot en

met 2025, 35 euro in het tijdvak tot en met 2030 en 50 euro na 2030, dit overeenkomstig

gevoeligheidsanalyse uit betreffende de disconteringsvoeten waarbij zij minimaal twee disconteringsvoeten gebruiken, elk uitgedrukt in reële termen voor de macro- economische berekening, alsook twee disconteringsvoeten voor de financiële berekening. Eén van de disconteringsvoeten die voor de gevoeligheidanalyse voor de macro-economische berekening moet worden gebruikt, moet 3% bedragen uitgedrukt in reële termen. De lidstaten voeren een gevoeligheidsanalyse uit op de scenario's voor de energieprijsontwikkelingen voor alle energiedragers die in belangrijke mate worden gebruikt in gebouwen in de eigen nationale context. Aanbevolen wordt om in de gevoeligheidsanalyse ook andere cruciale inputgegevens op te nemen.

6. VASTSTELLING VAN EEN KOSTENOPTIMAAL NIVEAU VAN ENERGIEPRESTATIES

VOOR ELK REFERENTIEGEBOUW

(1) De lidstaten vergelijken voor elk referentiegebouw de totale kostenresultaten, berekend voor verschillende energie-efficiëntiemaatregelen en maatregelen gebaseerd op hernieuwbare energiebronnen en pakketten/varianten van deze maatregelen.

(2) Als de uitkomst van de kostenoptimaliteitsberekeningen leidt tot dezelfde totale kosten voor verschillende niveaus van energieprestatie, worden de lidstaten aangemoedigd om uit te gaan van de eisen die resulteren in een lager gebruik van primaire energie als basis voor de vergelijking met de bestaande minimumeisen voor

de energieprestatie.

(3) Zodra besloten is of de macro-economische, dan wel de financiële berekening de nationale referentie wordt, worden gemiddelden van de berekende kostenoptimale energieprestatieniveaus voor alle gebruikte referentiegebouwen samen berekend ter vergelijking met de gemiddelden van de bestaande energieprestatie-eisen voor dezelfde referentiegebouwen. Dit is bedoeld om het verschil te berekenen tussen bestaande energieprestatie-eisen en de berekende kostenoptimale niveaus.

BIJLAGE II

Informatie over geraamde energieprijsontwikkelingen over de lange termijn.

Voor hun berekeningen kunnen de lidstaten rekening houden met de geraamde prijsontwikkelingstrends voor brandstof en elektriciteit zoals bepaald door de Europese Commissie op een tweejaarlijks bijgewerkte basis. Deze updates zijn beschikbaar op de volgende website: http://ec.europa.eu/energy/observatory/trends_2030/index_en.htm

Tot wanneer langeretermijnprognoses beschikbaar komen, kunnen deze trends verder dan 2030 worden geëxtrapoleerd.

Informatie betreffende de geraamde koolstoftariefontwikkelingen op de lange termijn

Voor hun macro-economische berekeningen moeten de lidstaten een benedengrens hanteren voor de verwachte koolstoftarieven binnen het emissiehandelssysteem in het referentiescenario van de Commissie voor het tijdvak tot 2050, uitgaande van de tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving, maar zonder koolstofafvang (eerste regel in de onderstaande kolom). In de prognoses wordt momenteel uitgegaan van een tarief per ton van 20 euro tot en met 2025, 35 euro tot en met 2030 en 50 euro na 2030, gemeten in reële en constante prijzen 2008, aan te passen aan de gekozen berekeningsdatums en -methodologie (zie onderstaande tabel). Wanneer de berekeningen met betrekking tot de kostenoptimaliteit worden herzien, moeten door de Commissie geleverde geactualiseerde scenario's in verband met de koolstoftarieven worden gebruikt.

Ontwikkeling van de koolstoftarieven 2020 2025 2030 2035 2040 2045 2050

Referentie (verspreide actie, prijs fossiele brandstoffen - referentie)

16,5 20 36 50 52 51 50

Effect. Techn. (gezam. actie, prijs fossiele brandstoffen

  • laag)

25 38 60 64 78 115 190

BIJLAGE III

Model voor het verslag van de lidstaten ter rapportering aan de Commissie

overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2010/31/EU en artikel 6 van deze

verordening

1. REFERENTIEGEBOUWEN

1.1. Rapporteer over de referentiegebouwen voor alle gebouwencategorieën en hoe zij representatief zijn voor het gebouwenbestand aan de hand van tabel 1 (bestaande gebouwen) en tabel 2 (nieuwe gebouwen). Aanvullende gegevens kunnen in een bijlage worden toegevoegd.

1.2. Geef de definitie van de referentie voor m² vloeroppervlakte gebruikt in uw land en hoe dit wordt berekend.

1.3. Som de selectiecriteria op die werden gebruikt om elk referentiegebouw te definiëren (zowel nieuw als bestaand): bv. statistische analyse op basis van gebruik, ouderdom, geometrie,

klimaatzones, kostenstructuren, bouwmateriaal, enz., ook de

klimatologische omstandigheden binnen en buiten, en geografische locatie.

1.4. Duid aan of uw referentiegebouw een voorbeeldgebouw, virtueel gebouw, enz. is.

1.5. Geef aan wat de onderliggende dataset is voor de nationale stock van bestaande gebouwen.

Tabel 1 Referentiegebouw voor bestaande gebouwen (ingrijpende renovatie)

Ten aanzien van bestaande gebouwen Geometrie van het gebouwDelen van raam- opper- vlakte op

de bouwschil

en ramen zonder invallend zonlicht Vloer- opper- vlak mOmschrij- ving van het gebouw Omschrij- ving van de gemiddelde bouw- technologieGemiddelde energie- prestatie Eisen op component- niveau (typische waarde)

24 - 2

25

262

Subcategorie 2 enz. - - - - - -

2) Appartementen- complexen en meergezins- woningen en subcategorieën - - - - - - - - - - - - -

3) Kantoor- gebouwen en subcategorieën - - - - - - - - - - - - -

  • 4) 

    Andere niet- residentiële gebouwen- categorieën

Tabel 2: Referentiegebouw voor nieuwe gebouwen

Ten aanzien van nieuwe gebouwen Geometrie van het gebouwDelen van raam- opper- vlakte op

de bouwschil

en ramen zonder invallend zonlicht Vloer- opper- vlak mTypische energieprestatie Eisen op component- niveau

27 - 2

kWh/m2,a

zoals gebruikt

in de bouw- voor- schriften

meergezinswoningen en subcategorieën - - - -

3) Kantoorgebouwen en subcategorieën - - - - - - -

  • 4) 
    Andere niet- residentiële gebouwen- categorieën - - - - - - - - -

Tabel 3 Voorbeeld van een basisrapporteringstabel met voor de energieprestatie relevante gegevens

Hoeveelheid Eenheid Omschrijving

beknopte omschrijving van de gebruikte berekeningsmethode (bv. met verwijzing naar EN ISO 13790) en opmerking over het/de gebruikte berekeningsinstrument(en).

methode en instrument(en)

Berekening

primaire-waarden van conversiefactoren van geleverde naar primaire energie (per energiedrager) gebruikt voor de berekening.

energieconversiefactoren

locatie - naam van de stad met aanduiding van breedtegraad en lengtegraad.

graaddagen voor verwarming (HDD) - HDD

te evalueren overeenkomstig EN ISO 15927-6, met specificatie van de calculatieperiode.

Klimatologische graaddagen voor koeling (CDD) - CDD

omstandigheden

bron van klimatologische gegevensset - geef referenties over klimatologische gegevensset gebruikt voor de berekening.

omschrijving van het terrein bv. landelijk gebied, voorstedelijk, stedelijk. Leg uit of er al dan niet rekening is gehouden met de aanwezigheid van gebouwen in de buurt.

in verband met het verwarmde/geconditioneerde luchtvolume (EN 13790), waarbij de horizontale dimensie van de zuidgerichte gevel als 'lengte' wordt beschouwd.

Geometrie van

gebouw lengte x breedte x hoogte - m x m x m

aantal verdiepingen -

O/V (oppervlakte-volumeverhouding) m2/m3

zuiden %

verhouding van oosten %

raamoppervlak tot totale

oppervlakte van de bouwschil noorden %

westen %

oriëntatie ° azimuthoek van de zuidgevel (mate waarin de 'zuidgerichte' gevel afwijkt van de zuidelijke richting).

gebruik van gebouw overeenkomstig de gebouwencategorieën voorgesteld in bijlage 1 bij Richtlijn 2010/31/EU.

gemiddelde thermische winst van bewoners W/m2

Interne winsten totaal elektrisch vermogen van het volledig verlichtingssysteem van de geconditioneerde ruimtes (alle lampen + bedieningsapparatuur van het verlichtingssysteem).

specifiek elektrisch vermogen van het verlichtingssysteem W/m2

specifiek elektrisch vermogen van elektrische apparatuur W/m2

gewogen K-waarde van alle muren: K_muur = ( K_muur_1 · O_muur_1 + K_muur_2 · O_muur_2 + ....... + K_muur_n · O_muur_n ) / (O_muur_1 + O_muur_2 + ..... + O_muur_n); hier betekenen: K_muur_i = K-waarde van muur type i; O_muur_i = totale oppervlakte van muur type i

Onderdelen van

gebouwen gemiddelde K-waarde van muren W/m2K

gemiddelde K-waarde van dak W/m2K hetzelfde als voor de muren.

gemiddelde K-waarde van kelder W/m2K hetzelfde als voor de muren.

hetzelfde als voor de muren; het moet rekening houden met de koudebrug wegens het raamkozijn en de tussenstijlen (overeenkomstig EN ISO 10077-1).

gemiddelde K-waarde van ramen W/m2K

totale lengte m

koudebruggen

gemiddelde lineaire

warmtedoorgangscoëfficiënt W/mK

buitenmuren J/m2K

thermische capaciteit per

oppervlakte-eenheid binnenmuren J/m2K te evalueren overeenkomstig EN ISO 13786.

platen J/m2K

soort zonwering vb. zonneblind, rolluik, gordijn, etc.

totale zonne-energiedoorgangscoëfficiënt van beglazing (voor straling loodrecht op de beglazing),

hier: gewogen waarde overeenkomstig de oppervlakte van verschillende ramen (te evalueren volgens EN 410)

beglazing -

gemiddelde g-waarde van

totale zonne-energiedoorgangscoëfficiënt voor beglazing en buitenzonwering te evalueren overeenkomstig EN 13363-1/-2

beglazing+zonwering -

Infiltratiesnelheid (luchtverversingen per uur) 1/u bv. berekend voor een drukverschil binnen/buiten van

50 Pa

Bouwsystemen luchtverversingen per uur 1/u

ventilatiesysteem

warmteterugwinningsefficiëntie %

opwekking %

efficiëntie van distributie % te evalueren overeenkomstig EN 15316-1, EN 15316- 2-1, EN 15316-4-1, EN 15316-4-2, EN 15232 EN 14825, EN 14511

verwarmingssysteem

emissie %

controle %

opwekking %

distributie %

efficiëntie van koelsysteem te evalueren overeenkomstig EN 14825, EN 15243, EN 14511, EN 15232

emissie %

controle %

efficiëntie van opwekking %

(huishoudelijk) te evalueren overeenkomstig EN 15316-3-2, EN 15316-3-3.

warmwatersysteem distributie %

Instelpunten en winter °C

schema's gebouw instelpunt temperatuur operatieve binnentemperatuur

zomer °C

winter % relatieve vochtigheid binnen, indien van toepassing: 'Vochtigheid heeft slechts een klein effect op thermische gewaarwording en waargenomen luchtkwaliteit in de ruimtes van sedentaire bewoning'

(EN 15251).

instelpunt vochtigheid

zomer %

werkingsschema's en bewoning geef opmerkingen of referenties (EN of nationale normen, etc.) over de voor de berekening gebruikte schema's.

controles

verlichting

toestellen

ventilatie

verwarmingssysteem

koelsysteem

Energiebehoefte/-1) ... kWh/a

verbruik gebouw (thermische) energiebijdrage

van voornaamste uitgevoerde 2) ... kWh/a bv. zonnekas, natuurlijke ventilatie, daglicht, enz.

passieve strategieën

  • 3) 
    ... kWh/a

energiebehoefte voor verwarming - kWh/a warmte te leveren aan of te winnen uit een geconditioneerde ruimte om de bedoelde temperatuuromstandigheden tijdens een bepaalde periode te behouden.

energiebehoefte voor koeling - kWh/a

warmte die moet worden geleverd aan de nodige hoeveelheid huishoudelijk warm water om de temperatuur ervan te doen stijgen van de koude waterleidingtemperatuur naar de vooraf vastgestelde leveringstemperatuur op het leveringspunt.

energiebehoefte voor huishoudelijk warm water - kWh/a

latente warmte in de waterdamp die moet worden geleverd aan of gewonnen uit een geconditioneerde ruimte door een technisch bouwsysteem voor het behoud van een gespecificeerde minimale of maximale vochtigheid in die ruimte (indien van toepassing).

energiebehoefte voor andere doeleinden (bevochtiging,

ontvochtiging) kWh/a

energiegebruik voor ventilatie kWh/a elektrische energie-input naar het ventilatiesysteem voor luchtverplaatsing en warmteterugwinning (de energie-input voor het voorverwarmen van de lucht is niet inbegrepen) en energie-input naar de

bevochtigingssystemen om te voldoen aan de bevochtigingsbehoefte.

energiegebruik voor binnenverlichting kWh/a

elektrische energie-input naar het verlichtingssysteem en andere toestellen/systemen.

energiegebruik voor andere doeleinden (toestellen,

buitenverlichting, aanvullende systemen, enz.) kWh/a

thermische energie uit hernieuwbare energiebronnen (bv. thermische zonnecollectoren)

kWh/a

energie uit hernieuwbare bronnen (die niet worden uitgeput door winning, zoals zonne-energie, wind, waterkracht, hernieuwde biomassa) of warmtekrachtkoppeling.

Energieopwekking elektrische energie opgewekt in het gebouw en ter plaatse gebruikt

op de bouwplaats kWh/a

elektrische energie opgewekt in het gebouw en geëxporteerd naar de markt

kWh/a

elektriciteit kWh/a energie, uitgedrukt per energiedrager, geleverd aan de technische bouwsystemen door de systeemgrens heen, om te voldoen aan de vormen van gebruik waarmee rekening is gehouden (verwarming, koeling, ventilatie, huishoudelijk warm water, verlichting, toestellen, enz.).

geleverde energie fossiele brandstof kWh/a

andere (biomassa,

Energieverbruik stadsverwarming/-koeling, etc.) kWh/a

primaire energie kWh/a energie die geen omzetting of transformatie heeft ondergaan

2. SELECTEREN VAN VARIANTEN/MAATREGELEN/PAKKETTEN

2.1. Rapporteer in een tabel de kenmerken van de geselecteerde

maatregelen/pakketten/varianten die toegepast worden voor de kostenoptimale berekening. Vermeld eerst de meest gebruikte technologieën en oplossingen en pas daarna de innovatievere. Als er vanuit voorgaande berekeningen bewijsmateriaal is dat maatregelen verre van kostenoptimaal zijn, moet er geen tabel worden ingevuld. Dit dient echter afzonderlijk aan de Commissie te worden gerapporteerd. U mag het onderstaande model gebruiken, maar let er wel op dat de genoemde voorbeelden louter ter illustratie dienen.

Tabel 4: voorbeeldtabel voor het opsommen van de geselecteerde varianten/maatregelen

Elke berekening dient naar hetzelfde comfortniveau te verwijzen. Pro forma dient elke maatregel/pakket/variant in het aanvaardbare comfort te voorzien. Als er verschillende comfortniveaus in acht genomen worden, is er geen basis tot vergelijking meer.

Maatregel Referentie - -

Variant 1 Variant 2 Enz.

Dakisolatie

Muurisolatie

Ramen 5,7 W/m2K 2,7 W/m2K 1,9 W/m2K

(omschrijving) (omschrijving) (omschrijving)

Percentage raamoppervlak van de totale bouwschil

energiebronnen

Verandering van energiedrager

Enz.

De opsomming van maatregelen dient louter ter illustratie.

Voor de bouwschil: in W/m 2 K

Voor systemen: efficiëntie

Er kunnen verschillende niveaus van verbetering worden geselecteerd (bijvoorbeeld: verschillende waarden van de warmtedoorgangscoëfficiënt voor ramen)

3. BEREKENING VAN DE PRIMAIRE-ENERGIEVRAAG VAN DE MAATREGELEN

3.1. Energieprestatiebeoordeling

3.1.1. Rapporteer de berekeningsprocedure voor de energieprestatiebeoordeling die is toegepast op het referentiegebouw en de aangenomen maatregelen/varianten.

3.1.2. Geef referenties van relevante wetgeving, regelgeving, standaarden en normen.

3.1.3. Vul de calculatieperiode (20 of 30 jaar), het berekeningsinterval (jaarlijks, maandelijks of dagelijks) en het gebruik van klimaatgegevens per referentiegebouw

in.

3.2. Berekening van de energievraag

3.2.1. Rapporteer de resultaten van de energieprestatieberekening voor elke

maatregel/pakket/variant van elk referentiegebouw, waarbij ten minste wordt gedifferentieerd tussen energiebehoefte voor verwarming en koeling, energiegebruik, geleverde energie en primaire-energievraag.

Tabel 5 Outputtabel voor de berekening van de energievraag

Vul één tabel in voor elk referentiegebouw en elke gebouwencategorie, voor alle geïntroduceerde maatregelen.

Referentiegebouw

Maatregel/p akket/varian

t van maatregelen Energie- behoefte Energieverbruik Geleverde energie gespecificeerd volgens bron Vraag naar primaire energie in kWh/m2, a Besparing van primaire energie in vergelijking met het referentiegebouw

(zoals beschreven

in tabel 4) Voor verwa rming Voor koeli

ng Verwar ming Koeling Ventilatie Warm Verlichting

tapwate

r

Vul één tabel in voor elk referentiegebouw

Het verslag mag worden beperkt tot de belangrijkste maatregelen/pakketten, maar er dient te worden aangegeven hoeveel berekeningen er in totaal zijn uitgevoerd. Als er vanuit voorgaande berekeningen bewijsmateriaal is dat maatregelen verre van kostenoptimaal zijn, moet er geen tabel worden ingevuld. Dit dient echter afzonderlijk aan de Commissie te worden gerapporteerd.

3.2.2. Rapporteer de samenvatting van de in het land gebruikte primaire- energieconversiefactoren in een aparte tabel.

3.2.3. Duid de geleverde energie per drager aan in een aanvullende tabel

4. BEREKENING VAN DE TOTALE KOSTEN

4.1. Bereken de totale kosten voor elke variant/pakket/maatregel aan de hand van de volgende tabellen die verwijzen naar een scenario waarin de energieprijs laag, gemiddeld of hoog is. De kostenberekening voor het referentiegebouw moet worden vastgelegd op 100%.

4.2. Rapporteer de bron van de toegepaste energieprijsontwikkeling.

4.3. Rapporteer de toegepaste disconteringsvoet voor de financiële en de macro- economische berekening en het resultaat van de onderliggende gevoeligheidsanalyse voor telkens ten minste twee verschillende interestpercentages.

Tabel 6 Outputgegevens en berekeningen van totale kosten

Vul de tabel in voor elk referentiegebouw, éénmaal voor de macro-economische berekening en éénmaal voor de financiële berekening. Vul de kostengegevens in de nationale valuta in.

Variant/pak ket/maatreg

el zoals vermeld in tabel 5 Initiële investering skosten (verwijzen

d naar het jaar Jaarlijkse gebruikskosten Calculatieperi odeKosten van broeikasgass enemissies (uitsluitend voor de macro- economisch

e berekening)Restwaa rde

28 Disconteri ngsvoet (verschille nde disconterin gsvoeten voor de macro- economisc

he en de financiële berekening )Geschatte economisch

e levensduur Verwijderi ngskosten (indien van toepassing )Berekende totale kosten

20, 30 jaar

van Jaarlijkse onderhouds- kosten Operationel

e kosten Energiekosten

aanvang) 29 volgens

brandstof

In het scenario 'gemiddelde energieprijs'

28 Voor woningen en openbare gebouwen moet een calculatieperiode van 30 jaar, voor commerciële, niet voor bewoning bestemde gebouwen een calculatieperiode van 20 jaar in acht genomen worden.

29 Voor wat betreft de vervanging van onderdelen tijdens de calculatieperiode moet er rekening worden gehouden met de effecten van (verwachte) toekomstige prijsontwikkelingen.

4.4. Rapporteer de inputparameters die u hebt gebruikt voor de berekening van de totale kosten (bv. loonkosten, koolstofkosten, technologiekosten, enz.).

4.5. Voer de berekening uit op de gevoeligheidsanalyse voor de belangrijkste kosten en voor de energiekosten en de toegepaste disconteringsvoet voor zowel de macro- economische als de financiële berekening. Gebruik voor deze verschillende kostensoorten telkens een aparte tabel zoals de bovenstaande tabel.

4.6 Geef, voor de macro-economische berekeningen, aan welke de veronderstelde kosten zijn van de broeikasgassenemissies.

5. KOSTENOPTIMAAL NIVEAU VOOR REFERENTIEGEBOUWEN

5.1. Rapporteer het economisch optimale energieprestatieniveau in primaire energie (kWh/m

2 per jaar of, indien er een systeemgebonden aanpak wordt aangenomen, in

de relevante eenheid, bv. U-waarde) voor elk geval in verhouding tot de referentiegebouwen en geef daarbij aan of dit het kostenoptimale niveau is, berekend op macro-economisch of op financieel niveau.

  • 6. 
    VERGELIJKING

6.1. Als het verschil significant is, geef dan de reden voor het verschil op en ook een plan met de gepaste stappen om dit verschil te verminderen als het niet (volledig) gerechtvaardigd kan worden.

Tabel 7 Vergelijkingstabel voor zowel nieuwe als bestaande gebouwen

Referentiegebouw Kostenoptimale marge/niveau (van- naar) Huidige vereisten voor referentiegebouwen Verschil

Plan om het niet te rechtvaardigen verschil te verkleinen:

2.

Original view

afbeelding document
 
 

3.

More information

8 mrt
'11
COM(2011)109 - Energy Efficiency Plan 2011


8 mrt
'11
COM(2011)112 - Roadmap for moving to a competitive low carbon economy in 2050


10 nov
'10
COM(2010)639 - Energy 2020 A strategy for competitive, sustainable and secure energy


13 nov
'08
COM(2008)780 - Energy performance of buildings (recast)


13 nov
'08
COM(2008)781 - Second Strategic Energy Review : an EU energy security and solidarity action plan


25 jun
'08
COM(2008)399 - Framework for the setting of ecodesign requirements for energy related products


23 mei
'08
COM(2008)311 - Harmonised conditions for the marketing of the construction products


23 jan
'08
COM(2008)19 - Promotion of the use of energy from renewable sources


11 mei
'01
COM(2001)226 - Energy performance of buildings


19 dec
'86
COM(1986)756 - Approximation of the laws, regulations and administrative provisions of the member states relating to construction products


 
publication date 17-01-2012
reference 5441/12

Contents