- -
RAAD VAN Brussel, 18 oktober 2011 (19.10)
(OR. en)
DE EUROPESE UNIE
15425/11
Interinstitutioneel dossier:
2011/0282 (COD) -
AGRISTR 57 CODEC 1665
VOORSTEL
van:
de Europese Commissie
d.d.: 17 oktober 2011
Nr. Comdoc.: COM(2011) 627 definitief
Betreft: Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)
Hierbij gaat voor de delegaties het voorstel van de Commissie dat bij brief van de heer Jordi AYET PUIGARNAU, directeur, aan de heer Uwe CORSEPIUS, secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie, is toegezonden.
EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 12.10.2011 COM(2011) 627 definitief
2011/0282 (COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor
Plattelandsontwikkeling (ELFPO)
{SEC(2011) 1153} {SEC(2011) 1154}
TOELICHTING
1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
In haar voorstel inzake het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-20201 zet de
Commissie het begrotingskader en de voornaamste leidraden voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) uiteen. Op basis daarvan komt zij met een reeks verordeningen tot vaststelling van het wetgevingskader voor het GLB voor de periode 2014-2020, en met een beoordeling van de effecten van alternatieve scenario's voor de ontwikkeling van het beleid.
De huidige hervormingsvoorstellen zijn gebaseerd op de mededeling over het GLB tot 20202.
Daarin geeft Commissie aan welke globale beleidsopties een antwoord moeten bieden op de uitdagingen waarmee de landbouw en de plattelandsgebieden zullen worden geconfronteerd, en moeten leiden tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het GLB, namelijk 1) een rendabele voedselproductie, 2) een duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen en klimaatactie, en 3) een evenwichtige territoriale ontwikkeling. Zowel tijdens de interinstitutionele besprekingen
3 als gedurende het overleg met de belanghebbende partijen in
het kader van de effectbeoordeling bleek een breed draagvlak te bestaan voor de leidraden in de mededeling die richting moeten geven aan de hervorming.
Gedurende het proces bleken alle partijen het erover eens te zijn dat het efficiënte gebruik van de hulpbronnen moet worden bevorderd om, overeenkomstig de Europa 2020-strategie, te komen tot een slimme, duurzame en inclusieve groei van de landbouw en de plattelandsgebieden in de EU, en bleken zij tevens de mening te delen dat hiervoor moet worden uitgegaan van de bestaande structurering van het GLB rond twee pijlers die aan de hand van op elkaar aansluitende instrumenten dezelfde doelstellingen nastreven. De eerste pijler omvat enerzijds de rechtstreekse betalingen en de marktmaatregelen die de landbouwers in de EU moeten verzekeren van een jaarlijks basisbedrag ter ondersteuning van hun inkomen, en anderzijds de steun bij specifieke marktverstoringen. De tweede pijler heeft betrekking op maatregelen voor plattelandsontwikkeling in het kader waarvan de lidstaten met inachtneming van een gemeenschappelijk kader meerjarenprogramma's opstellen en cofinancieren
plattelandsgebieden in de hele EU. Naar aanleiding van hetzelfde hervormingsproces gaan echter steeds meer stemmen op voor een betere verdeling van de steun over en binnen de lidstaten en voor doelgerichtere maatregelen om milieuproblemen aan te pakken en om beter op te treden tegen de toegenomen marktvolatiliteit.
De hervormingen uit het verleden hadden vooral tot doel te reageren op endogene problemen gaande van enorme overschotten tot voedselveiligheidscrises, en hebben hun nut voor de EU, zowel op intern als op internationaal niveau, zeker bewezen. Dit neemt echter niet weg dat het merendeel van de uitdagingen die zich nu voordoen, wordt veroorzaakt door factoren die buiten de landbouw liggen en dus een breder opgezette beleidsaanpak vergen.
Het inkomen van landbouwers zal naar verwachting onder druk blijven staan in verband met het toenemende aantal risico's, de afnemende productiviteit en de krappere marges als gevolg van de duurder wordende productiemiddelen. Daarom is het noodzakelijk de inkomenssteun te handhaven en de instrumenten te verbeteren om de risico's beter te kunnen beheren en het hoofd te kunnen bieden aan crisissituaties. Het is voor de levensmiddelensector en de mondiale voedselzekerheid van vitaal belang dat de landbouwsector stevig op zijn poten staat.
Tegelijkertijd wordt van de landbouwsector en van de plattelandsgebieden verwacht dat zij zich harder inspannen om de in de Europa 2020-agenda ingebedde ambitieuze klimaat- en energiedoelstellingen en biodiversiteitstrategie waar te maken. De landbouwers samen met de bosbouwers de voornaamste grondbeheerders zullen steun nodig hebben bij het invoeren en in stand houden van landbouwsystemen en -praktijken die met name bijdragen tot de verwezenlijking van doelstellingen op het gebied van milieu en klimaat. Marktprijzen alleen volstaan namelijk niet om hen ertoe aan te zetten dergelijke collectieve goederen te leveren.
Om de inclusieve groei en cohesie te bevorderen, is het tevens van essentieel belang de diverse mogelijkheden die inherent zijn aan de plattelandsgebieden, optimaal te benutten.
Het toekomstige GLB wordt dus geen beleid dat uitsluitend is afgestemd op een klein, weliswaar wezenlijk, segment van de economie van de Unie, maar wél een beleid van strategisch belang voor de voedselzekerheid en het ecologische en territoriale evenwicht. Precies hierin ligt de toegevoegde waarde van een echt gemeenschappelijk EU-beleid. Met een dergelijk beleid worden de beperkte begrotingsmiddelen immers zo efficiënt mogelijk gebruikt wanneer het erop aankomt in de hele EU een duurzame landbouw te handhaven, grensoverschrijdende problemen zoals de klimaatverandering aan te pakken, de solidariteit tussen de lidstaten te verstevigen en tegelijkertijd voldoende flexibiliteit bij de beleidstenuitvoerlegging in te bouwen om tegemoet te komen aan lokale behoeften.
noodreserve voor crisissituaties, en 2) een Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering met een ruimere werkingssfeer.
De voornaamste componenten van het wetgevingskader van het GLB voor de periode 2014-2020 zijn vastgesteld in de volgende verordeningen:
-
-Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (verordening rechtstreekse betalingen);
-
-Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke marktordening voor landbouwproducten ("Integrale-GMO-verordening");
-
-Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake steun voor
plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor
Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (verordening plattelandsontwikkeling);
-
-Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (horizontale verordening);
-
-Voorstel voor een verordening van de Raad houdende maatregelen tot vaststelling van steun en restituties in het kader van de gemeenschappelijke marktordening voor landbouwproducten;
-
-Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad, wat de toepassing van de rechtstreekse betalingen aan landbouwers voor 2013 betreft;
-
-Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1234/2007, wat de bedrijfstoeslagregeling en de steun voor wijnbouwers betreft.
begunstigden. Met name wordt nagegaan hoe het recht van de begunstigden op bescherming van hun persoonsgegevens het best kan worden verzoend met het beginsel van de transparantie.
2. RESULTATEN VAN DE RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN
EFFECTBEOORDELING
Op basis van een evaluatie van het huidige beleidskader en een analyse van de toekomstige uitdagingen en behoeften, wordt in de effectbeoordeling de impact van drie alternatieve scenario's beoordeeld en vergeleken. Dit is het resultaat van een lang proces dat in april 2010 van start is gegaan onder leiding van een uit vertegenwoordigers van verschillende diensten samengestelde groep die uitvoerige kwantitatieve en kwalitatieve analyses heeft onderzocht
en
onder meer een basissituatie heeft samengesteld in de vorm van
middellangetermijnprojecties voor de landbouwmarkten en de landbouwinkomens tot 2020, en een modellering heeft opgesteld van de impact van de verschillende beleidsscenario's op de economische variabelen van de sector.
De drie scenario's die in de effectbeoordeling zijn uitgewerkt, worden hieronder toegelicht. 1) Een aanpassingsscenario: het huidige beleidskader wordt voortgezet, met weliswaar een aantal correcties van de voornaamste tekortkomingen, zoals de verdeling van de rechtstreekse betalingen. 2) Een integratiescenario: het beleid wordt ingrijpend gewijzigd door de rechtstreekse
betalingen doelgerichter en "groener" te maken, door het
plattelandsontwikkelingsbeleid strategischer toe te passen en beter te coördineren met andere beleidsgebieden van de EU en door de rechtsgrondslag te verruimen met het oog op meer samenwerking tussen de producenten. 3) Een heroriënteringsscenario: het beleid wordt uitsluitend op het milieu gericht en de rechtstreekse betalingen worden geleidelijk uitgefaseerd aangezien ervan wordt uitgegaan dat de productiecapaciteit ook zonder steun op peil blijft en dat de sociaaleconomische behoeften van de plattelandsgebieden in het kader van andere beleidsgebieden kunnen worden ingevuld.
De drie scenario's zijn opgesteld tegen de achtergrond van de economische crisis en de druk op de overheidsfinanciën (waarop de EU heeft gereageerd met de Europa 2020-strategie en het voorstel voor het meerjarig financieel kader) en kennen elk een ander gewicht toe aan de drie beleidsdoelstellingen van het toekomstige GLB, dat tot doel heeft een concurrerende en duurzame landbouw in vitale plattelandsgebieden tot stand te brengen. Met het oog op een betere afstemming op de Europa 2020-strategie, met name wat het efficiënte gebruik van hulpbronnen betreft, wordt het van steeds essentiëler belang de productiviteit van de landbouw te verbeteren via onderzoek, kennisoverdracht en het stimuleren van samenwerking en innovatie (onder meer in het kader van het Europees Partnerschap voor innovatie voor de productiviteit en duurzaamheid van de landbouw). Hoewel het GLB het handelsverstorende beleidskader inmiddels achter zich heeft gelaten, wordt verwacht dat de landbouwsector in de EU verder onder druk zal komen staan van de liberalisering, met name in het kader van de ontwikkelingsagenda van Doha en de vrijhandelsovereenkomst met de Mercosur.
12.1.2011 is een bijeenkomst van een adviescomité gehouden. De voornaamste punten worden hieronder samengevat
6.
De belanghebbende partijen zijn het er grotendeels over eens dat een sterk, op twee pijlers
gebaseerd GLB nodig is om de uitdagingen (voedselzekerheid, duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen en territoriale ontwikkeling) aan te gaan.
De meeste respondenten vinden dat het GLB een rol moet spelen bij het stabiliseren van
markten en prijzen.
De belanghebbende partijen hebben uiteenlopende meningen over de gerichtheid van de
steun (met name de herverdeling van de rechtstreekse betalingen en de plafonnering van de betalingen).
Men is het erover eens dat beide pijlers in belangrijke mate kunnen bijdragen tot het
intensiveren van klimaatgerelateerde maatregelen en van de milieuprestatie ten bate van de samenleving in de EU. Het brede publiek pleit ervoor dat de betalingen in het kader van de eerste pijler doelgerichter worden gebruikt; veel landbouwers vinden dat dat nu al gebeurt.
De respondenten willen dat alle delen van de EU, ook de probleemgebieden, delen in de
toekomstige groei en ontwikkeling.
Een groot aantal respondenten legt de nadruk op de integratie van het GLB en andere
beleidsgebieden, zoals milieu, gezondheid, handel en ontwikkeling.
Het GLB kan in overeenstemming met de Europa 2020-strategie worden gebracht aan de
hand van innovatie, ontwikkeling van concurrerende ondernemingen en de levering van collectieve goederen aan de EU-burger.
De vergelijking van de drie alternatieve beleidsscenario's in het kader van de effectbeoordeling heeft de volgende resultaten opgeleverd.
Het heroriënteringsscenario zou leiden tot een versnelde structurele aanpassing in de landbouwsector dankzij een verschuiving van de productie naar de meest kostenefficiënte gebieden en rendabele sectoren. Met dit scenario zouden aanzienlijk meer financiële middelen naar milieu gaan, maar zou de sector aan de andere kant worden blootgesteld aan grotere risico's omdat er maar beperkte ruimte bestaat voor interventie op de markt. Bovendien zou zowel de samenleving als het milieu zware klappen krijgen, aangezien de minst concurrerende gebieden hun inkomens en natuurlijke omgeving danig achteruit zouden zien gaan omdat het hefboomeffect van de combinatie rechtstreekse betalingen - randvoorwaarden verloren zou gaan.
Met het integratiescenario en de daarmee gepaard gaande doelgerichtere en "groenere"
rechtstreekse betalingen worden nieuwe paden ingeslagen. Volgens de analyse is "vergroening" tegen een redelijke kostprijs voor de landbouwers een haalbare kaart. Nadeel is evenwel dat dit onvermijdelijk een grotere administratieve belasting met zich zal brengen. Ook is het mogelijk de plattelandsontwikkeling een nieuw elan te geven op voorwaarde dat de lidstaten en de regio's de nieuwe mogelijkheden efficiënt benutten en het gemeenschappelijk strategisch kader (met daarin ook de andere EU-fondsen) de synergie met de eerste pijler niet tenietdoet en de kenmerkende sterke punten van de plattelandsontwikkeling niet verzwakt. Als men erin slaagt het juiste evenwicht te bereiken, zou langetermijnduurzaamheid van de landbouw en de plattelandsgebieden het meest gebaat zijn bij dit scenario.
Op basis van het voorgaande wordt in de effectbeoordeling geconcludeerd dat het integratiescenario er op de meest evenwichtige manier in slaagt het GLB geleidelijk af te stemmen op de strategische doelstellingen van de EU. Hetzelfde evenwicht is trouwens terug te vinden bij de tenuitvoerlegging van de verschillende componenten in de wetgevingsvoorstellen. Eveneens van essentieel belang is dat een evaluatiekader wordt ontwikkeld om de prestatie van het GLB te meten aan de hand van een gemeenschappelijke reeks aan beleidsdoelstellingen gekoppelde indicatoren.
Vereenvoudiging was een belangrijke bekommernis in het hele proces en moet op diverse manieren haar beslag krijgen, bijvoorbeeld bij het stroomlijnen van de randvoorwaarden en van de marktinstrumenten en bij het ontwerpen van de regeling voor kleine landbouwers. Bovendien moet het "vergroenen" van de rechtstreekse betalingen zo worden vormgegeven dat de administratieve belasting, onder meer op het gebied van controlekosten, tot een minimum wordt beperkt.
3. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL
Voorgesteld wordt de bestaande tweepijlerstructuur van het GLB te handhaven, met verplichte algemeen toepasselijke jaarlijkse maatregelen onder de eerste pijler, aangevuld met optionele, beter op de specifieke nationale en de regionale kenmerken toegesneden maatregelen in het kader van de meerjarige programmeringsaanpak onder de tweede pijler. Met de nieuwe vormgeving van de rechtstreekse betalingen wordt beoogd de synergieën met de tweede pijler beter te benutten en de tweede pijler onder te brengen in een gemeenschappelijk strategisch kader dat een betere coördinatie mogelijk maakt met andere EU-fondsen die gedeeld worden beheerd.
doeltreffende manier worden benaderd en de begrotingsmiddelen op de meest efficiënte manier worden gebruikt. Bovendien wordt voorgesteld de bestaande onderverdeling van de instrumenten in twee pijlers te behouden. Dit biedt de lidstaten meer ruimte voor het vinden van op hun specifieke lokale omstandigheden toegesneden oplossingen en voor het cofinancieren van de tweede pijler. Het nieuwe Europees Partnerschap voor innovatie en de toolkit voor risicobeheer worden eveneens onder de tweede pijler ondergebracht. Tegelijkertijd wordt het beleid beter afgestemd op de Europa 2020-strategie (inclusief een gemeenschappelijk kader waaronder ook de andere EU-fondsen zullen vallen) en wordt een aantal verbeteringen en vereenvoudigingen ingevoerd. Tot slot blijkt uit de in het kader van de effectbeoordeling verrichte analyse duidelijk dat niet-optreden kosten met zich zou brengen in de vorm van negatieve economische, ecologische en sociale gevolgen.
De Verordening plattelandsontwikkeling is gebaseerd op de strategische benadering die in de lopende periode is ingevoerd en die een positief effect heeft gesorteerd in de zin dat de lidstaten op grond van een SWOT-analyse strategieën en programma's ontwikkelen om de interventie optimaal toe te snijden op de specifieke nationale en regionale situatie. Het nieuwe uitvoeringsmechanisme moet de strategische benadering versterken onder meer door op EU-niveau
duidelijk omschreven gemeenschappelijke prioriteiten voor
plattelandsontwikkeling vast te stellen (met de respectieve gemeenschappelijke doelindicatoren) en door de opgedane ervaring te gebruiken om de nodige aanpassingen aan te brengen.
Voorts omvat de Verordening plattelandsontwikkeling het Europese innovatiepartnerschap "Productiviteit en duurzaamheid in de landbouw" dat erop gericht is het efficiënte gebruik van hulpbronnen te stimuleren, bruggen te slaan tussen onderzoek en de praktische toepassing ervan en innovatie in het algemeen aan te moedigen. Het partnerschap wordt ten uitvoer gelegd door operationele groepen die verantwoordelijk zijn voor innovatieve projecten, en wordt ondersteund door een netwerk.
Op grond van het door de Commissie op 6 oktober 2011 ingediende voorstel waarin gemeenschappelijke regels worden vastgesteld voor alle fondsen die opereren in het kader van het gemeenschappelijke strategische kader moet de tweede pijler van het GLB op gecoördineerde wijze aansluiten op de eerste pijler en op andere Europese fondsen (met name het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij). De fondsen worden op EU-niveau ondergebracht in een gemeenschappelijk strategisch kader dat op nationaal niveau ten uitvoer wordt gelegd aan de hand van partnerschapscontracten, met inbegrip van gemeenschappelijke doelstellingen en regels voor hun werking. Het vaststellen van gemeenschappelijke regels voor alle fondsen die opereren in het kader van een gemeenschappelijk strategisch kader maakt het voor zowel begunstigden als nationale autoriteiten eenvoudiger om de projecten te beheren en vergemakkelijkt ook de uitvoering van geïntegreerde projecten.
-
-bevordering van de overdracht van kennis en innovatie in landbouw-, bosbouw- en plattelandsgebieden;
-
-versterking van het concurrentievermogen van alle vormen van landbouw en versteviging van de rendabiliteit van de landbouwbedrijven;
-
-verbetering van de organisatie van de voedselketen en van het risicobeheer in de landbouwsector;
-
-herstel, instandhouding en versterking van de ecosystemen die afhankelijk zijn van de landbouw en de bosbouw;
-
-bevordering van het efficiënte gebruik van hulpbronnen en ondersteuning van de omslag naar een koolstofarme en klimaatbestendige economie in de landbouw-, de voedsel- en de bosbouwsector;
-
-bevordering van sociale inclusie, armoedebestrijding en economische ontwikkeling
in plattelandsgebieden.
Deze prioriteiten moeten als basis voor de programmering worden gebruikt en voor elk prioriteit
moeten streefindicatoren worden vastgesteld. De Verordening
plattelandontwikkeling bevat tevens voorschriften voor de voorbereiding, de goedkeuring en de herziening van programma's die grotendeels overeenkomen met de momenteel bestaande voorschriften, en biedt bovendien de mogelijkheid om subprogramma's op te stellen (bijv. voor
jonge landbouwers, kleine landbouwbedrijven, berggebieden en korte
voorzieningsketens)
De lijst van individuele maatregelen is gestroomlijnd en naar aanleiding van een herziening van de individuele maatregelen is een en ander aangepast om rekening te houden met opmerkingen die in de lopende periode zijn gemaakt op het gebied van de werkingssfeer, de uitvoering en de benutting van programma's. Aangezien de meeste maatregelen potentieel onder meer dan één doelstelling of prioriteit vallen, wordt afgezien van de indeling in assen. Programmering op basis van prioriteiten moet voor goed gebalanceerde programma's zorgen. Voorts wordt een nieuwe maatregelen voor biologische landbouw ingevoerd, alsmede een nieuwe afbakening van gebieden met specifieke natuurlijke beperkingen. De mogelijkheid tot steunverlening ten bate van gezamenlijke milieuacties wordt verbeterd.
bieden aan de ernstige volatiliteit die naar verwachting ook op middellange termijn de landbouwmarkten zal blijven bepalen.
De afschaffing van de assen zal eveneens tot een grotere stroomlijning van de programmering door de lidstaten leiden.
Tot slot wordt voorgesteld voort te bouwen op het gemeenschappelijke toezicht- en evaluatiekader (voortaan "monitoring- en evaluatiekader") dat in de lopende periode is ingevoerd. Dit kader zal wel worden vereenvoudigd en verbeterd op basis van de opgedane ervaring. Met het oog op de monitoring en de evaluatie zal een gemeenschappelijke lijst van indicatoren aan de beleidsprioriteiten worden gekoppeld.
4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
Krachtens het voorstel inzake het meerjarig financieel kader zou landbouw per slot van rekening een gemeenschappelijk beleid van strategisch belang zoals voorheen een aanzienlijk deel van de EU-begroting toegewezen krijgen. Dit komt erop neer dat voor de verwezenlijking van de kerndoelstellingen van het landbouwbeleid in de periode 2014-2020 317,2 miljard euro wordt uitgetrokken voor de eerste pijler en 101,2 miljard euro voor de tweede pijler (cijfers uitgedrukt in lopende prijzen).
Bovenop de hierboven genoemde financiële middelen voor de eerste en de tweede pijler wordt nog een extra bedrag van 17,1 miljard euro geoormerkt voor onderzoek en innovatie (5,1 miljard euro), voedselveiligheid (2,5 miljard euro), voedselverstrekking voor de meest hulpbehoevenden in het kader van andere posten van het meerjarig financieel kader (2,8 miljard euro), een nieuwe reserve voor crises in de landbouwsector (3,9 miljard euro) en het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (maximaal 2,8 miljard euro). Dit alles samen brengt de totale begroting voor het GLB in de periode 2014-2020 op 435,6 miljard euro.
Wat de verdeling van de steun over de lidstaten betreft, wordt voorgesteld dat indien lidstaten op het gebied van rechtstreekse betalingen minder dan 90 % van het EU-gemiddelde ontvangen, het verschil tusen het niveau van hun rechtstreekse betalingen en dat niveau van 90 % met een derde wordt verkleind. De nationale maxima in de verordening over de rechtstreekse betalingen worden op die grondslag berekend.
2011/0282 (COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor
Plattelandsontwikkeling (ELFPO)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen
42 en 43,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie7,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité8,
Gezien het advies van het Comité van de Regios9,
Na raadpleging van de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure10,
Overwegende hetgeen volgt:
(1) In de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, getiteld "Het GLB tot 2020: inspelen op de uitdagingen van de toekomst inzake voedsel, natuurlijke hulpbronnen en territoriale evenwichten"
Verordening (EG) nr. 1698/2005 te worden ingetrokken en te worden vervangen door een nieuwe verordening.
(2) Het beleid inzake plattelandsontwikkeling moet de regeling inzake de rechtstreekse betalingen en de marktmaatregelen in het kader van het GLB flankeren en aanvullen en aldus bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dat beleid zoals omschreven in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna "het Verdrag" genoemd). Het beleid inzake plattelandsontwikkeling moet worden opgesteld met inachtneming van de belangrijke beleidsprioriteiten uit de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010, getiteld "Europa 2020 - Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei"
13 (hierna "de Europa 2020-strategie" genoemd)
en in overeenstemming zijn met de algemene doelstellingen van het beleid inzake economische en sociale samenhang zoals omschreven in het Verdrag.
(3) Aangezien de doelstelling van deze verordening, te weten plattelandsontwikkeling, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt wegens de samenhang ervan met de overige instrumenten van het GLB, de omvang van de verschillen tussen de verschillende plattelandsgebieden en de beperkte financiële middelen van de lidstaten in een uitgebreide Unie, aangezien deze doelstelling derhalve beter op EU-niveau kan worden verwezenlijkt, dankzij de meerjarige garantie van EU-financiering en de concentratie van die financiering op de EU-prioriteiten, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel zoals neergelegd in artikel 5, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Overeenkomstig het in artikel 5, lid 4, van dat Verdrag neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.
(4) Ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van de onderhavige verordening moet de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen aan de Commissie worden gedelegeerd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden passend overleg pleegt, onder meer met deskundigen. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen zorgen voor gelijktijdige, snelle en adequate toezending van de desbetreffende documenten aan het Europees Parlement en de Raad.
milieu, innovatie en de matiging van en de aanpassing aan de klimaatverandering. Matigingsmaatregelen moet zowel betrekking hebben op de beperking van emissies in de landbouw en bosbouw van belangrijke activiteiten zoals dierlijke productie, het gebruik van meststoffen als op het behoud van koolstofputten en de verbetering van koolstofvastlegging met betrekking tot grondgebruik, veranderingen van het grondgebruik en de bosbouwsector. De prioriteit van de Unie met betrekking tot kennisoverdracht en innovatie in de landbouw- en de bosbouwsector moet horizontaal worden
toegepast in aansluiting op de andere EU-prioriteiten voor
plattelandsontwikkeling.
(6) De prioriteiten van de Unie voor plattelandsontwikkeling moeten, rekening houdend met het beginsel dat de vervuiler betaalt, worden nagestreefd in het kader van duurzame ontwikkeling en de bevordering door de Unie van de doelstelling om het milieu te beschermen en te verbeteren zoals omschreven in de artikelen 11 en 19 van het Verdrag. Overeenkomstig de ambitie om ten minste 20 % van de begroting van de Unie aan klimaatveranderingsdoelstellingen te besteden, moeten de lidstaten aan de hand van een door de Commissie goedgekeurde methodologie informatie verstrekken over de steun voor zulke doelstellingen.
(7) De activiteiten van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (hierna "het ELFPO" genoemd) en de concrete acties waaraan dit Fonds bijdraagt, moeten coherent en verenigbaar zijn met de steun van andere instrumenten van het GLB. Om ervoor te zorgen dat de middelen van de Unie optimaal worden toegewezen en efficiënt worden aangewend, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag aan de Commissie worden gedelegeerd wat betreft het vaststellen van uitzonderingen op de regel dat er geen steun uit hoofde van de onderhavige verordening mag worden verleend aan acties die worden gesteund in het kader van gemeenschappelijke marktordeningen.
(8) Om ervoor te zorgen dat de programma's voor plattelandsontwikkeling onverwijld van start gaan en efficiënt worden uitgevoerd, moet de steun uit het ELFPO berusten op het bestaan van een solide administratief kader. De lidstaten moeten daarom de naleving van bepaalde vooraf te vervullen voorwaarden beoordelen. Overeenkomstig het Verdrag moet de EU door middel van haar optreden ten gunste van de plattelandsontwikkeling bijdragen tot de opheffing van ongelijkheden tussen en de bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen en tot non-discriminatie. Een lidstaat moet hetzij een enkel nationaal plattelandsontwikkelingsprogramma voor zijn gehele grondgebied, hetzij een reeks regionale programma's voorbereiden. Elk programma moet, naast een selectie van maatregelen, ook een strategie omvatten aan de hand waarvan de streefdoelen die ten aanzien van de EU-prioriteiten zijn vastgesteld, moeten worden gehaald. De programmering dient in overeenstemming te zijn met de EU-prioriteiten, aangepast te zijn aan de nationale context en een aanvulling te vormen op de andere EU-beleidsgebieden, waaronder het landbouwbeleid, het cohesiebeleid en het gemeenschappelijk visserijbeleid. Lidstaten die opteren voor een reeks regionale programma's, moeten tevens in staat zijn een nationaal kader, zonder afzonderlijke begrotingstoewijzing, voor te bereiden teneinde een gecoördineerde aanpak van natiewijde uitdagingen door de regio's te faciliteren.
subprogramma's dienen betrekking te hebben op, onder meer, jonge landbouwers, kleine landbouwbedrijven, berggebieden en de instelling van een korte voorzieningsketen. De thematische subprogramma's moeten tevens de mogelijkheid bieden de herstructurering van landbouwsectoren met een grote impact op de ontwikkeling van plattelandsgebieden aan te pakken. Met het oog op een efficiëntere toepassing van dergelijke thematische subprogramma's moet de lidstaten worden toegestaan het steunpercentage voor bepaalde concrete acties in het kader van dergelijke programma's te verhogen.
(10) In de plattelandsontwikkelingsprogramma's moeten de behoeften van het betrokken gebied worden omschreven, alsmede een samenhangende strategie voor de invulling van die behoeften overeenkomstig de EU-prioriteiten voor plattelandsontwikkeling. Deze strategie moet worden gebaseerd op de vaststelling van streefdoelen. Voorts moet worden verduidelijkt welke verbanden er bestaan tussen enerzijds de omschreven behoeften en de vastgestelde streefdoelen en anderzijds de maatregelen die zijn geselecteerd om aan deze behoeften tegemoet te komen en deze streefdoelen te halen. Bovendien moeten de plattelandsontwikkelingprogramma's alle gegevens bevatten die nodig zijn om de overeenstemming van deze programma's met de onderhavige verordening te toetsen.
(11) In de plattelandsontwikkelingsprogramma's moeten streefdoelen worden vastgesteld ten aanzien van een voor alle lidstaten gemeenschappelijke reeks van doelindicatoren.
Om deze exercitie te vergemakkelijken, moeten de gebieden waarop deze indicatoren van toepassing zijn, worden vastgesteld in overeenstemming met de EU-prioriteiten. Gezien de horizontale toepassing van de prioriteit kennisoverdracht in de landbouw- en de bosbouwsector moeten maatregelen in het kader van die prioriteit worden beschouwd als maatregelen die van wezenlijk belang zijn in het licht van de voor de resterende EU-prioriteiten vastgestelde streefindicatoren.
(12) Er moeten bepaalde voorschriften voor de programmering en de herziening van plattelandsontwikkelingsprogramma's worden vastgesteld. Voor herzieningen die de strategie van de programma's of de respectieve financiële bijdragen van de Unie onverlet laten, moet een minder zware procedure worden vastgesteld.
Daarom dient tevens steun te worden verleend voor workshops, coaching, demonstratieactiviteiten en voorlichtingsacties, maar ook voor regelingen voor korte uitwisselingen of bezoeken op landbouwbedrijfsniveau. De aldus verworden kennis en informatie moet landbouwers, bosbezitters, actoren in de voedingssector en rurale kmo's in staat stellen om met name concurrerender te werken, efficiënter gebruik te maken van de hulpbronnen, hun milieuprestatie te verbeteren en tegelijkertijd bij te dragen tot de duurzaamheid van de plattelandseconomie. Om ervoor te zorgen dat de acties op het gebied van kennisoverdracht en voorlichting ook daadwerkelijk deze resultaten opleveren, moet van de aanbieders van kennisoverdrachtsdiensten worden geëist dat zij over alle hiertoe vereiste capaciteiten beschikken.
(15) Om ervoor te zorgen dat de kennisoverdrachtsdiensten die organisaties aanbieden, op het gebied van kwaliteit en aard in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het plattelandsontwikkelingsbeleid, dat de financiële middelen doelgerichter worden gebruikt
en dat de regelingen voor uitwisselingen en bezoeken op
landbouwbedrijfsniveau duidelijk worden onderscheiden van soortgelijke acties in het kader van andere EU-regelingen, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd handelingen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag aan te nemen met betrekking tot de minimumkwalificaties van organen die kennisoverdrachtdiensten aanbieden en met betrekking tot de subsidiabele kosten, de duur en de inhoud van regelingen voor uitwisselingen en bezoeken op landbouwbedrijfsniveau.
(16) Bedrijfsadviesdiensten kunnen landbouwers, bosbezitters en kmo's in
plattelandsgebieden helpen het duurzame beheer en de globale prestatie van hun landbouwbedrijf of onderneming te verbeteren. Daarom moet zowel de oprichting van dergelijke diensten als het gebruik van het door hen verstrekte advies door landbouwers, bosbezitters en kmo's worden gestimuleerd. Om de kwaliteit en de doeltreffendheid van het verstrekte advies te versterken, moet worden bepaald dat de adviseurs op zijn minst over minimumkwalificaties moeten beschikken en geregeld opleiding moeten volgen. Bedrijfsadviesdiensten, zoals omschreven in Verordening (EU) nr. HV/2012 van het Europees Parlement en de Raad van [...]
14 moeten de
landbouwers helpen de prestatie van hun landbouwbedrijf te beoordelen en na te gaan waar verbeteringen moeten worden aangebracht op het gebied van de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen, de goede landbouw- en milieucondities, de klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken zoals omschreven in Verordening (EU) nr. RB/2012 van het Europees Parlement en de Raad van [...]
doelstellingen van het plattelandsontwikkelingsbeleid, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot de nadere omschrijving van de minimumkwalificaties van de adviesverstrekkende autoriteiten en organisaties.
(18) De deelname van landbouwers aan uniale of nationale kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen biedt de consumenten garanties inzake de kwaliteit en de kenmerken van het betrokken product of het betrokken productieproces, voegt waarde toe aan de betrokken producten en verstevigt de marktkansen van de betrokken producten. Daarom moeten landbouwers ertoe worden aangemoedigd aan dergelijke regelingen deel te nemen. Aangezien de landbouwers met name bij hun instap in dergelijke regelingen en vervolgens gedurende de eerste jaren van hun deelname aan dergelijke regelingen met extra kosten en verplichtingen worden geconfronteerd die niet volledig door de markt worden gecompenseerd, mag slechts steun worden verleend voor nieuwe deelnames en mag de steunverlening niet langer duren dan vijf jaar. Gezien de specifieke kenmerken van katoen als landbouwproduct, moet het voorgaande tevens van toepassing zijn op kwaliteitsregelingen voor katoen. Om te zorgen voor een efficiënt en doeltreffend gebruik van de begrotingsmiddelen uit het ELFPO, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot EU-kwaliteitsregelingen die onder deze maatregelen mogen vallen.
(19) Om de economische en de milieuprestatie van landbouwbedrijven en rurale ondernemingen te verbeteren, om de efficiënte werking van de sector verwerking en afzet van landbouwproducten te intensiveren, om de voor de ontwikkeling van de landbouw vereiste infrastructuur ter beschikking te stellen en om de voor de verwezenlijking van de milieudoelstellingen vereiste niet-productieve investeringen te ondersteunen, moet steun worden verleend voor fysieke investeringen die tot deze doelstellingen bijdragen. Gedurende de programmeringsperiode 2007 2013 zijn op verschillende gebieden diverse maatregelen ingezet. Om een en ander te vereenvoudigen, maar ook om de begunstigden de kans te geven geïntegreerde projecten met een grotere toegevoegde waarde te ontwerpen en uit te voeren, moeten alle fysieke investeringen in één maatregel worden ondergebracht. De lidstaten moeten bepalen vanaf welke drempel landbouwbedrijven in aanmerking komen voor investeringen ter steun van de rendabiliteit van hun bedrijf en moeten hiertoe gebruik maken van een "SWOT"-analyse (strengths, weaknesses, opportunities and threats sterke en zwakke punten, kansen en bedreigingen) die moet helpen de steun doelgerichter te maken.
tot de vaststelling van de kosten die op grond van deze maatregel voor steun in aanmerking komen.
(21) Het creëren en ontwikkelen van nieuwe economische bedrijvigheid in de vorm van nieuwe landbouwbedrijven, nieuwe ondernemingen of nieuwe investeringen in andere dan landbouwactiviteiten is van essentieel belang voor de ontwikkeling en het concurrentievermogen van de plattelandsgebieden. Een maatregel voor de ontwikkeling van landbouwbedrijven en ondernemingen moet jonge landbouwers helpen zich voor het eerst te vestigen en hun landbouwbedrijf na deze eerste vestiging structureel aan te passen, moet landbouwers helpen om met het oog op diversifiëring andere dan landbouwactiviteiten te ontplooien en moet bijdragen tot de oprichting en de ontwikkeling van niet-agrarische kmo's in landbouwgebieden. Tevens moet de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven die economisch rendabel kunnen zijn, worden aangemoedigd. Om de rendabiliteit van nieuwe activiteiten waarvoor op grond van deze maatregel steun wordt verleend, te garanderen, moet worden bepaald dat de steun slechts mag worden verleend indien een bedrijfsplan wordt ingediend. Steun voor het opstarten van een onderneming mag slechts voor de eerste fase van het bestaan van de onderneming worden verleend en mag niet de vorm van bedrijfssteun aannemen. Lidstaten die ervoor kiezen deze steun in tranches te betalen, krijgen daarom maximaal vijf jaar de tijd om deze tranches uit te betalen. Naast de steun ter aanmoediging van de herstructurering van de landbouwsector, moet steun in de vorm van jaarlijkse betalingen worden verleend aan landbouwers die deelnemen aan de bij titel V van Verordening (EU) nr. DP/2012 ingestelde regeling voor kleine landbouwers die zich ertoe verbinden hun volledige bedrijf en de corresponderende betalingsrechten over te dragen aan een andere landbouwer die niet aan die regeling deelneemt.
(22) De kmo's zijn de ruggengraat van de plattelandseconomie in de Unie. De ontwikkeling van landbouw- en andere bedrijven moet tot doel hebben de werkgelegenheid en het creëren van degelijke banen in plattelandsgebieden te bevorderen, de reeds bestaande banen te behouden, de seizoensgebonden schommelingen in de werkgelegenheid te verminderen, andere sectoren dan de landbouwsector, de agro-industrie
en de
voedingsmiddelenindustrie te ontwikkelen en tegelijkertijd de integratie van ondernemingen en de banden tussen de plaatselijke sectoren te stimuleren. Projecten waarin zowel landbouw, agrarisch toerisme door de bevordering van duurzaam en verantwoord toerisme in plattelandsgebieden, als natuurlijk en cultureel erfgoed zijn geïntegreerd, moeten worden aangemoedigd, net als investeringen in hernieuwbare energie.
kader van de steun voor respectievelijk jonge landbouwers of de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven.
(24) Om het even welke inspanning om het groeipotentieel te ontsluiten en de duurzaamheid van de plattelandsgebieden te bevorderen, zal pas zoden aan de dijk zetten wanneer de plaatselijke infrastructuur en de plaatselijke basisdiensten in de plattelandsgebieden, met inbegrip van vrije tijd en cultuur, worden ontwikkeld, de dorpen worden vernieuwd en het culturele en natuurlijke erfgoed van de dorpen en de plattelandslandschappen wordt opgewaardeerd. Daarom moet steun worden verleend aan hierop gerichte concrete acties, onder meer op het gebied van toegang tot informatie- en communicatietechnologieën en de ontwikkeling van snelle en ultrasnelle breedband. In de lijn van deze doelstellingen moeten stimulerende maatregelen worden genomen ten bate van de ontwikkeling van diensten en infrastructuur die leiden tot sociale inclusie en tot een omkering van de tendens van sociale en economische achteruitgang en ontvolking in de plattelandsgebieden. Met het oog op een optimale doeltreffendheid van dit soort steun, moeten de betrokken concrete acties, indien zulke plannen voorhanden zijn, worden uitgevoerd overeenkomstig de plannen die één of meer plattelandsgemeenten uitwerken met als doel de betrokken gemeenten en gemeentelijke basisdiensten te ontwikkelen. Om voor samenhang met de klimaatdoelstellingen van de Unie te zorgen moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag worden gedelegeerd aan de Commissie wat de vaststelling betreft van nieuwe soorten infrastructuur voor energie uit hernieuwbare bronnen die voor steun in aanmerking komt.
(25) De bosbouw maakt een integrerend deel uit van de plattelandsontwikkeling en de steunverlening voor een duurzaam en klimaatvriendelijk grondgebruik dient zich ook uit te strekken tot de ontwikkeling van het bosareaal en duurzaam bosbeheer. Tijdens de programmeringsperiode 2007-2013 zijn op grond van diverse maatregelen verschillende soorten steun verleend voor investeringen in de bosbouw en voor bosbouwbeheer. Om een en ander te vereenvoudigen en om de begunstigden in staat te stellen geïntegreerde projecten met een grotere toegevoegde waarde te ontwerpen en uit te voeren, moeten alle soorten steun voor investeringen in de bosbouw en voor bosbouwbeheer in één maatregel worden ondergebracht. Deze maatregel moet betrekking hebben op de uitbreiding en de verbetering van de bossen aan de hand van de bebossing van grond enerzijds en de invoering van boslandbouwsystemen waarin extensieve landbouw wordt gecombineerd met bosbouwsystemen anderzijds, op het herstel van door brand of andere natuurrampen beschadigde bossen en preventiemaatregelen
vastgesteld in het licht van de toezeggingen die de Unie en de lidstaten op internationaal niveau hebben gedaan, en op basis van de nationale of subnationale bosprogramma's of gelijkwaardige instrumenten van de lidstaten, waarin rekening dient te worden gehouden met de verbintenissen die zijn aangegaan op de ministeriële conferenties inzake de bescherming van de bossen in Europa. Bosbouwmaatregelen dienen bij te dragen tot de uitvoering van de bosbouwstrategie van de Unie
-
16.Om
ervoor te zorgen dat de bebossing van landbouwgrond in overeenstemming is met de doelstellingen van het milieubeleid moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot de vaststelling van bepaalde minimale milieuvereisten.
(26) Om te zorgen voor een efficiënt en doeltreffend gebruik van de begrotingsmiddelen uit het ELFPO, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot de vaststelling van de voorwaarden waaronder de lidstaten erkennen dat een natuurramp, een plaag of een ziekte heeft plaatsgevonden, en met betrekking tot de vaststelling van de soorten preventieve acties die voor ELFPO-steun in aanmerking komen.
(27) Producentengroeperingen helpen de landbouwers om wat de afzet van hun producten betreft, ook op plaatselijke markten, gezamenlijk de problemen aan te pakken die samenhangen met een toename van de concurrentie en een grotere consolidatie van de stroomafwaartse markten. Daarom dient de oprichting van producentengroeperingen te worden gestimuleerd. Om een optimaal gebruik van de beperkte financiële middelen te garanderen, mag slechts steun worden verleend aan producentengroeperingen die als kmo's worden beschouwd. Om ervoor te zorgen dat een producentengroepering een rendabele entiteit wordt, moet met het oog op de erkenning van deze producentengroepering door de betrokken lidstaat onder meer worden geëist dat deze groepering een bedrijfsplan overlegt. Om de verlening van bedrijfssteun te voorkomen en het stimulerende aspect van de steun te behouden, mag de looptijd van de steunverlening niet langer zijn dan vijf jaar.
(28) Agromilieubetalingen moeten een belangrijke rol blijven spelen in de steun voor de duurzame ontwikkeling van de plattelandsgebieden en in het voldoen aan de toenemende vraag van de samenleving naar milieudienstverlening. Deze betalingen moeten landbouwers en andere grondbeheerders ertoe blijven stimuleren de gehele maatschappij van dienst te zijn door de invoering of verdere toepassing van landbouwproductiemethoden die bijdragen aan het matigen van en de aanpassing aan de klimaatverandering en die verenigbaar zijn met de bescherming en verbetering van het milieu, het landschap en de kenmerken daarvan, de natuurlijke hulpbronnen, de bodem en de genetische diversiteit. In dit verband dient bijzondere aandacht te worden besteed aan de instandhouding van de genetische hulpbronnen in de landbouw en aan de extra behoeften van landbouwsystemen met een hoge natuurwaarde. De betalingen moeten blijven fungeren als een bijdrage in de extra kosten en in de gederfde inkomsten die voortvloeien uit de aangegane verbintenissen, en mogen slechts betrekking hebben op verbintenissen die verder gaan dan de relevante dwingende normen en eisen, overeenkomstig het beginsel dat de vervuiler betaalt. In tal van situaties hebben synergieën die voortvloeien uit verbintenissen die een groep
landbouwers gezamenlijk aangaat, een multiplicatoreffect op de milieu- en klimaatvoordelen. Aan een gezamenlijke actie zijn echter ook aanvullende transactiekosten verbonden die op adequate wijze moeten worden vergoed. Om ervoor te zorgen dat landbouwers en andere grondbeheerders door hen aangegane verbintenissen correct ten uitvoer kunnen leggen, moeten de lidstaten ernaar streven deze actoren van de vereiste vaardigheden en kennis te voorzien. De lidstaten moeten trachten de inspanningen die in de programmeringsperiode 2007-2013 zijn gemaakt op hetzelfde niveau te houden en moeten, via de agromilieu- en klimaatmaatregelen en de maatregelen inzake biologische landbouw en betalingen voor gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen, minimaal 25 % van de totale bijdrage uit het ELFPO aan elk plattelandsontwikkelingsprogramma voor de matiging van en de aanpassing aan de klimaatverandering en voor landbeheer besteden.
(29) Om ervoor te zorgen dat de agromilieu- en klimaatverbintenissen overeenkomstig de globale milieudoelstellingen van de Unie worden gedefinieerd, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot de vaststelling van de voorwaarden voor de jaarlijkse verlenging van de verbintenissen na de eerste periode, de verbintenissen op het gebied van de extensivering of het alternatieve beheer van de veehouderij, op het gebied van de beperking van het gebruik van meststoffen, gewasbeschermingsproducten of andere productiemiddelen, op het gebied van het fokken van plaatselijke rassen die voor de landbouw verloren dreigen te gaan, op het gebied van de instandhouding van de plantaardige genetische hulpbronnen, en op het gebied van de subsidiabele concrete acties inzake de instandhouding van de genetische hulpbronnen in de landbouw.
(30) Betalingen voor de omschakeling naar of het behoud van de biologische landbouw moeten de landbouwers ertoe aanmoedigen aan dergelijke regelingen deel te nemen en op die manier tegemoet te komen aan de stijgende vraag van de samenleving naar milieuvriendelijke landbouwpraktijken en hogere dierenwelzijnsnormen. Om de synergie op het gebied van de biodiversiteitsvoordelen die voortvloeien uit de maatregel te vergroten, moeten landbouwers ertoe worden gestimuleerd collectieve contracten te sluiten of samen te werken zodat grotere aan elkaar grenzende gebieden worden afgedekt. Om te voorkomen dat landbouwers op grote schaal weer omschakelen naar de conventionele landbouw, moeten maatregelen voor de omschakeling naar of het behoud van de biologische landbouw worden gesteund. De betalingen moeten fungeren als een bijdrage in de extra kosten en in de gederfde inkomsten die voortvloeien uit de aangegane verbintenissen, en mogen slechts betrekking hebben op verbintenissen die verder gaan dan de relevante dwingende normen en eisen.
de nadelen te helpen compenseren die in stroomgebieden van rivieren voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid
-
19.De steun moet worden gekoppeld aan
specifieke voorwaarden die in het betrokken plattelandsontwikkelingsprogramma worden beschreven en verder gaan dan de dwingende normen en eisen. Voorts moeten
de
landbouwers bij het algemene ontwerp van hun
plattelandsontwikkelingsprogramma's rekening houden met de specifieke behoeften van de Natura 2000-gebieden.
(32) De betalingen aan landbouwers in berggebieden of in andere gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen dienen bij te dragen tot voortzetting van het gebruik van landbouwgrond en zo tot de instandhouding van landelijke gebieden, alsook tot de instandhouding en de bevordering van duurzame landbouwsystemen. Om de doeltreffende werking van deze steun te garanderen, moeten de betrokken betalingen de landbouwers compenseren voor de gederfde inkomsten en de extra kosten die verband houden met de beperkingen van het desbetreffende gebied.
(33) Om het doelmatige gebruik van de financiële EU-middelen en de gelijke behandeling van landbouwers in de hele Unie te garanderen, moet overeenkomstig objectieve criteria worden gedefinieerd wat wordt verstaan onder berggebieden en onder gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen. In het geval van gebieden met natuurlijke beperkingen moeten deze criteria van biofysieke aard zijn en berusten op degelijk wetenschappelijk bewijsmateriaal. Om de geleidelijke afschaffing van deze betalingen in gebieden die ten gevolge van de toepassing van deze criteria niet langer als gebieden met natuurlijke beperkingen worden beschouwd, te vergemakkelijken, moeten overgangsregelingen worden vastgesteld.
(34) Door steun te verlenen aan landbouwers die zich ertoe verbinden om bij de veehouderij dierenwelzijnsnormen toe te passen die verder gaan dan de relevante dwingende normen, moeten landbouwers verder worden aangemoedigd strenge normen op dit gebied toe te passen. Om ervoor te zorgen dat de dierenwelzijnsverbintenissen in overeenstemming zijn met het globale EU-beleid op dit gebied, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot de omschrijving van gebieden waar in het kader van dergelijke verbintenissen strengere normen voor productiemethoden moeten worden vastgesteld.
te zorgen voor een efficiënt en doeltreffend gebruik van de begrotingsmiddelen uit het ELFPO, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot de soorten concrete acties die voor steun op grond van deze maatregel in aanmerking komen.
(36) Tijdens de programmeringsperiode 2007-2013 is slechts één soort samenwerking expliciet aangemerkt voor steun in het kader van het plattelandsontwikkelingsbeleid, nl. samenwerking voor de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés en technologieën in de landbouw-, de voedings- en de bosbouwsector. Steun voor deze soort samenwerking is weliswaar nog steeds noodzakelijk, maar moet beter worden afgestemd op de vereisten van de kenniseconomie. In dit verband moet de mogelijkheid worden geboden om op grond van deze maatregel projecten die door één marktdeelnemer worden uitgevoerd, te financieren, op voorwaarde dat de resultaten, en dus ook nieuwe praktijken, procedés en producten, worden verspreid. Bovendien is gebleken dat steunverlening ten bate van veel meer soorten samenwerking en meer types van begunstigden, van kleine tot grotere marktdeelnemers, kan bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het plattelandsontwikkelingsbeleid omdat de marktdeelnemers in de plattelandsgebieden geholpen worden de economische, ecologische en andere nadelen van versnippering te overwinnen. Daarom moet het toepassingsgebied van deze maatregel worden uitgebreid. Steun voor het organiseren van gezamenlijke werkprocedés en het delen van voorzieningen en hulpbronnen moet kleine marktdeelnemers helpen om ondanks hun kleinschaligheid toch economisch rendabel te werken. Steun voor horizontale en verticale samenwerking tussen actoren in de voorzieningsketen en voor afzetbevorderingsactiviteiten in een plaatselijk kader moet fungeren als katalysator voor de economisch rationele ontwikkeling van korte voorzieningsketens, plaatselijke markten en lokale voedselketens. Steun voor de collectieve aanpak van milieuprojecten en praktijken moet leiden tot grotere en coherentere milieu- en klimaatvoordelen dan die welke kunnen worden bereikt door individuele marktdeelnemers die los van anderen handelen (bijv. via de toepassing van praktijken op grote niet-opgesplitste grondoppervlakten). De steun in het kader van deze verschillende gebieden moet in diverse vormen worden verleend. Clusters en netwerken zijn van bijzonder belang voor de uitwisseling van deskundigheid en voor de ontwikkeling van nieuwe en gespecialiseerde deskundigheid en nieuwe en gespecialiseerde diensten en producten. Proefprojecten zijn belangrijke instrumenten om te testen of technologieën, technieken en praktijken in verschillende contexten commercieel kunnen worden toegepast en om deze waar nodig aan te passen. Operationele groepen spelen een essentiële rol in het Europees Partnerschap voor
innovatie (European Innovation Partnership , hierna "EIP" genoemd) voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw. Een ander belangrijk instrument zijn de strategieën voor plaatselijke ontwikkeling buiten het kader van de plaatselijke ontwikkeling in het raamwerk van LEADER tussen openbare en particuliere actoren uit plattelandsgebieden en stedelijke gebieden. In tegenstelling tot de aanpak in het kader van LEADER zouden dergelijke partnerschappen en strategieën kunnen worden beperkt tot één sector en/of relatief specifieke ontwikkelingsdoelstellingen, inclusief de hierboven vermelde. Brancheorganisaties dienen tevens in aanmerking te komen voor steun op grond van deze maatregel. De looptijd van de steun mag niet meer dan zeven jaar bedragen, behalve wanneer sprake is van collectieve milieu- en klimaatacties, en dan nog alleen in naar behoren gemotiveerde gevallen.
(37) Als gevolg van de klimaatverandering en de toenemende volatiliteit van de prijzen worden landbouwers momenteel blootgesteld aan steeds grotere economische en ecologische risico's. Een doeltreffend risicobeheer is dan ook steeds belangrijker geworden voor de landbouwers. Daarom moet een risicobeheersmaatregel worden ingevoerd om landbouwers te helpen de meest gebruikelijke risico's waarmee zij te kampen hebben, aan te pakken. Daarom moet op grond van een dergelijke maatregel steun aan landbouwers worden verleend als bijdrage in de premies om de oogst, de dieren en de planten te verzekeren, in de oprichting van onderlinge fondsen en in de vergoeding die uit dergelijke fondsen wordt betaald voor verliezen als gevolg van de uitbraak van dier- en plantenziekten en milieuongevallen. De maatregel dient tevens een inkomensstabiliseringsinstrument te omvatten in de vorm van een onderling fonds voor steunverlening aan landbouwers wier inkomen ernstig is gedaald. Om ervoor te zorgen dat de landbouwers in de hele Unie gelijk worden behandeld, dat de concurrentie niet wordt verstoord en dat de internationale verbintenissen van de Unie worden nageleefd, moeten specifieke voorwaarden voor de steunverlening op grond van deze maatregelen worden vastgesteld. Om te zorgen voor een efficiënt gebruik van de begrotingsmiddelen uit het ELFPO, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot de vaststelling van de minimale en de maximale looptijd van commerciële leningen aan onderlinge fondsen.
(38) De aanpak van de plaatselijke ontwikkeling in het kader van LEADER - waarbij van onderop ten volle rekening wordt gehouden met de multisectorale behoeften voor endogene plattelandsontwikkeling - heeft al een aantal jaren bewezen vruchten af te werpen op het gebied van de bevordering van de ontwikkeling van plattelandsgebieden. Het LEADER-initiatief moet daarom worden voortgezet en verplicht worden toegepast op alle plattelandsontwikkelingsprogramma's.
(39) Om ervoor te zorgen dat de strategieën voor plaatselijke ontwikkeling worden toegepast op het territoriale niveau waarop zij effectief bijdragen tot de verwezenlijking van de prioriteiten van de Unie voor plattelandsontwikkeling en tot innovatie, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot de vaststelling van populatiecriteria voor het door een dergelijke strategie bestreken gebied en de vaststelling van precieze voorbereidings- en dynamiseringskosten die mogen worden gefinancierd.
(41) Tal van plattelandsontwikkelingsmaatregelen die onder deze verordening vallen, hebben onder meer betrekking op investeringen voor concrete acties van zeer uiteenlopende aard. Om ervoor te zorgen dat de uitvoering van deze concrete acties duidelijk verloopt, moet een aantal gemeenschappelijke voorschriften worden vastgesteld waaraan alle investeringen moeten voldoen. Deze gemeenschappelijke voorschriften moeten verduidelijken welke soorten uitgaven als investeringsuitgaven mogen worden beschouwd en moeten er borg voor staan dat alleen steun wordt verleend voor investeringen die een nieuwe waarde aan de landbouw toevoegen. Om rekening te houden met de specifieke kenmerken van bepaalde soorten investeringen, zoals investeringen voor de aankoop van tweedehands materieel en gewone vervangingsinvesteringen, en om tegelijkertijd het efficiënte gebruik van de financiële middelen uit het ELFPO te garanderen, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot de vaststelling van de voorwaarden waaronder bepaalde soorten investeringen als subsidiabele uitgaven mogen worden aangemerkt. Om de uitvoering van investeringsprojecten te vergemakkelijken, moeten de lidstaten in de gelegenheid worden gesteld voorschotten te betalen. Om de doeltreffendheid, de billijkheid en de duurzame impact van de ELFPO-steun te garanderen, moeten voorschriften worden vastgesteld om te garanderen dat investeringen in concrete acties duurzaam zijn en dat de ELFPO-steun niet wordt gebruikt om de concurrentie te verstoren.
(42) Op grond van bepaalde areaalgerelateerde maatregelen in het kader van deze verordening moeten de begunstigden verbintenissen aangaan met een looptijd van ten minste vijf jaar. Tijdens deze periode kan de situatie van zowel het bedrijf als de begunstigde veranderen. Daarom moeten voorschriften worden vastgesteld om te bepalen hoe in dergelijke gevallen te werk moet worden gegaan. Om ervoor te zorgen dat de areaalgerelateerde maatregelen efficiënt worden uitgevoerd en de financiële belangen van de Unie worden gevrijwaard, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot de vaststelling van voorwaarden die van toepassing zijn in het geval van een gedeeltelijke overdracht van een bedrijf en de vaststelling van andere situaties waarin terugbetaling van de steun niet vereist is.
(45) Uit het ELFPO moet in de vorm van technische ondersteuning steun worden verleend voor acties betreffende de uitvoering van plattelandsontwikkelingsprogramma's, onder meer voor kosten in verband met de bescherming van symbolen en afkortingen in het kader van EU-kwaliteitsregelingen met betrekking waartoe op grond van deze verordening steun voor deelname aan die regelingen mag worden verleend, en voor kosten die de lidstaten maken voor het afbakenen van gebieden met natuurlijke beperkingen. Om te zorgen voor een efficiënt gebruik van de begrotingsmiddelen uit het ELFPO, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen met betrekking tot de controleactiviteiten die in het kader van de technische ondersteuning mogen worden gefinancierd.
(46) In het kader van het Europees netwerk voor plattelandsontwikkeling is een netwerk gevormd van nationale netwerken, organisaties en instanties die actief zijn in de verschillende fasen van de uitvoering van de programma's; gebleken is dat een dergelijk overkoepelend netwerk een zeer belangrijke rol kan spelen bij de verbetering van de kwaliteit van de plattelandsontwikkelingsprogramma's door de betrokkenheid van de belanghebbende partijen bij het bestuur van de plattelandsontwikkeling te vergroten en het brede publiek beter te informeren over de baten van de plattelandsontwikkeling. Dit netwerk dient derhalve te worden gefinancierd in het kader van de technische ondersteuning op EU-niveau.
(47) Om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het EIP voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw moet een EIP-netwerk worden opgezet voor het vormen van een netwerk van operationele groepen, adviesdiensten en onderzoekers die betrokken zijn bij de uitvoering van acties die gericht zijn op innovatie in de landbouw. Dit netwerk dient te worden gefinancierd in het kader van de technische ondersteuning op EU-niveau.
(48) Tijdens de programmeringsperiode 2007-2013 is een deskundigencomité evaluatie actief geweest in het kader van het Europees netwerk voor plattelandsontwikkeling.
Om rekening te houden met de specifieke behoeften op het gebied van evaluatie moet voor de programmeringsperiode 2014-2020 een Europees evaluatienetwerk voor plattelandsontwikkeling
worden gevormd waarin alle actoren die bij
prijzen uit te reiken voor een beperkt aantal projecten die op exemplarische wijze aan deze kenmerken voldoen. Deze prijzen moeten een aanvulling vormen op andere financieringsbronnen die in het kader van het plattelandsontwikkelingsbeleid beschikbaar zijn, in die zin dat bijzondere erkenning wordt verleend aan een geschikt toonaangevend
project, ongeacht of dat project tevens via een
plattelandsontwikkelingsprogramma is gefinancierd.
(51) In de plattelandsontwikkelingsprogramma's moeten met steun van het EIP voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw innovatieve acties worden opgenomen ter bevordering van een landbouwsector die efficiënt gebruik maakt van hulpbronnen, productief is en weinig emissies uitstoot. Het EIP moet tot doel hebben een snellere en meer grootschalige toepassing van innovatieve oplossingen te stimuleren. Het EIP moet toegevoegde waarde creëren door het gebruik en de doeltreffendheid van innovatiegerelateerde instrumenten te verbeteren en de synergieën tussen deze instrumenten te versterken. Het EIP moet lacunes dichten door het onderzoek en de praktische uitoefening van de landbouw beter op elkaar te laten uitsluiten.
(52) De innovatieve projecten in het kader van het EIP voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw moeten worden uitgevoerd door operationele groepen waarin landbouwers, onderzoekers, adviseurs, ondernemingen en andere actoren die betrokken zijn bij de innovatie in de landbouwsector, worden samengebracht. De resultaten van dergelijke projecten moeten worden verspreid om ervoor te zorgen dat de hele sector ervan kan profiteren.
(53) Er dient te worden voorzien in de vaststelling van het totale EU-steunbedrag voor plattelandsontwikkeling uit hoofde van deze verordening voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020, de jaarlijkse verdeling ervan en het minimumbedrag dat moet worden geconcentreerd in minder ontwikkelde regio's overeenkomstig het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020 en overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure
20 voor dezelfde periode. De beschikbare
kredieten dienen met het oog op de programmering op forfaitaire basis te worden geïndexeerd.
in elke lidstaat projecten te financieren die betrekking hebben op innovatie om landbouwbedrijven, met inbegrip van grote landbouwbedrijven, te helpen hun concurrentievermogen te verhogen in het kader van de doelstellingen van het GLB. Deze projecten moeten worden geïnitieerd door landbouwers, ongeacht de omvang van hun landbouwbedrijven, operationele groepen in het kader van het EIP of plaatselijke groepen of groepen van partners die betrokken zijn bij de landbouwsector.
(56) De lidstaten moeten alle nodige stappen zetten en adequate voorzieningen treffen om ervoor te zorgen dat hun maatregelen voor plattelandsontwikkeling verifieerbaar en controleerbaar zijn. Met het oog daarop moeten de beheersautoriteit en het betaalorgaan vooraf een beoordeling indienen en zich ertoe verbinden de maatregelen gedurende de hele fase van uitvoering van het programma te beoordelen. Maatregelen die niet aan deze voorwaarde voldoen, moeten worden aangepast.
(57) De Commissie en de lidstaten moeten alle nodige stappen zetten om een goed beheer van de plattelandsontwikkelingsprogramma's te garanderen. De Commissie moet in dit verband adequate controles verrichten en de lidstaten moeten maatregelen nemen om de goede werking van hun beheerssysteem te garanderen.
(58) Per plattelandontwikkelingsprogramma moet één beheersautoriteit verantwoordelijk zijn voor het beheer en de uitvoering. De taken van deze autoriteit moeten in deze verordening worden gespecificeerd. De beheersautoriteit moet haar taken deels kunnen delegeren, met dien verstande dat zij verantwoordelijk blijft voor de doeltreffendheid en correctheid van het beheer. Wanneer een plattelandsontwikkelingsprogramma thematische subprogramma's omvat, moet de beheersautoriteit een andere organisatie kunnen aanwijzen die de betrokken subprogramma's en met name de financiële toewijzingen die in het programma voor die subprogramma's zijn toegewezen, volledig beheert en ten uitvoer legt en er tegelijkertijd voor zorgt dat deze subprogramma's financieel goed worden beheerd.
(59) Met het oog op een geregelde follow-up van de uitvoering van het programma en de mate waarin de vastgestelde doelen van het programma worden verwezenlijkt, moet elk plattelandsontwikkelingsprogramma worden gemonitord. Het aantonen en verbeteren van de doeltreffendheid en de impact van de ELFPO-acties hangt ook af van passende evaluatie tijdens de voorbereiding, uitvoering en afronding van een programma. Hiertoe moeten de Commissie en de lidstaten gezamenlijk een monitoring- en evaluatiesysteem opzetten aan de hand waarvan de voortgang kan worden
uitvoer wordt gelegd. Hiertoe moeten de verantwoordelijkheden van dit comité worden gespecificeerd.
(62) In het kader van de programmamonitoring moet een jaarlijks uitvoeringsverslag worden opgesteld en aan de Commissie toegestuurd.
(63) Elk plattelandsontwikkelingsprogramma moet worden geëvalueerd teneinde de kwaliteit ervan te verbeteren en de resultaten ervan aan te tonen.
(64) De artikelen 107, 108 en 109 van het Verdrag moeten van toepassing zijn op de steun voor de plattelandsontwikkelingsmaatregelen in het kader van deze verordening. Niettemin moet worden vastgesteld dat, gezien de specifieke kenmerken van de landbouwsector, de plattelandsontwikkelingsmaatregelen betreffende concrete acties die onder artikel 42 van het Verdrag vallen en in het kader van en in overeenstemming met deze verordening worden uitgevoerd, alsook betalingen door de lidstaten die zijn bedoeld om aanvullende nationale financiering voor concrete acties voor plattelandsontwikkeling te verlenen en die binnen de werkingssfeer van artikel 42 van het Verdrag vallen, worden uitgesloten van de toepassing van de artikelen 107, 108 en 109 van het Verdrag.
(65) Met het oog op de samenhang met de voor EU-steun in aanmerking komende plattelandsontwikkelingsmaatregelen en met het oog op de vereenvoudiging van de procedures, moet het de lidstaten in het kader van de programmering worden toegestaan aanvullende betalingen te verrichten ter financiering van concrete acties op het gebied van plattelandsontwikkeling waarvoor EU-steun wordt verleend en die onder artikel 42 van het Verdrag vallen, indien deze betalingen overeenkomstig de bepalingen van deze verordening volgens een bepaalde procedure worden gemeld. Om een adequate monitoring van deze betalingen te garanderen, moet de Commissie bij de beoordeling van deze betalingen de criteria toepassen die zijn vastgesteld voor de toepassing van artikel 107 van het Verdrag. Om te voorkomen dat gebruik wordt gemaakt van aanvullende nationale financiering die niet door de Commissie is toegestaan, mag de betrokken lidstaat de door hem voorgestelde aanvullende financiering voor plattelandsontwikkeling pas van kracht laten worden nadat deze is goedgekeurd. Betalingen door de lidstaten die zijn bedoeld om aanvullende nationale financiering voor concrete acties voor platttelandsontwikkeling te verstrekken waarvoor steun van de Unie is verleend en die buiten de werkingssfeer van artikel 42 van het Verdrag vallen, moeten worden aangemeld bij de Commissie overeenkomstig artikel 108, lid 3, van het Verdrag, tenzij zij onder een krachtens Verordening (EG) nr. 994/98 van de Raad
gegevens, met name Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vre verkeer van die gegevens, is van toepassing.
(68) De Commissie dient uitvoeringsbevoegdheden te krijgen teneinde ervoor te zorgen dat deze verordening overal onder gelijke voorwaarden ten uitvoer kan worden gelegd wanneer het gaat om de indiening van de plattelandsontwikkelingsprogramma's, de goedkeuring van programma's en de wijzigingen ervan, de procedures en termijnen voor de goedkeuring van de programma's, de procedures en termijnen voor de goedkeuring van programmawijzigingen, inclusief inwerkingtreding en frequentie van indiening,
specifieke voorwaarden voor de uitvoering van
plattelandsontwikkelingsmaatregelen, de structuur en de werking van op grond van deze verordening opgezette netwerken, de vaststelling van het monitoring- en evaluatiesysteem, de voorschriften voor de werking van het informatiesysteem. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU)
nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren
22.
(69) De nieuwe steunregeling die bij deze verordening wordt ingesteld komt in de plaats van de bij Verordening (EG) nr. 1698/2005 ingestelde steunregeling. Daarom moet Verordening (EG) nr. 1698/2005 worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2014.
(70) Om een vlotte overgang van de bij Verordening (EG) nr. 1698/2005 ingestelde regeling naar de bij de onderhavige verordening ingestelde regeling mogelijk te maken, moet de Commissie ertoe worden gemachtigd overeenkomstig artikel 290 handelingen aan te nemen met betrekking tot de vaststelling van overgangsbepalingen,
INHOUDSOPGAVE
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) ................................................................................................................................... 11
TITEL I Doelstellingen en strategie......................................................................................... 32
Hoofdstuk I Toepassingsgebied en definities........................................................................... 32
Hoofdstuk II Opdracht, doelstellingen, prioriteiten en coherentie........................................... 35
TITEL II Programmering ......................................................................................................... 38
Hoofdstuk I Inhoud van de programmering ............................................................................. 38
Hoofdstuk II Voorbereiding, goedkeuring en wijziging van plattelandsontwikkelingsprogramma's ..................................................................................... 43
TITEL III Steun voor plattelandsontwikkeling ........................................................................ 45
Hoofdstuk I Maatregelen.......................................................................................................... 45
Sectie 1 Individuele maatregelen ............................................................................................. 45
Sectie 2 LEADER .................................................................................................................... 72
Hoofdstuk II Voor verscheidene maatregelen geldende gemeenschappelijke bepalingen ...... 74
Hoofdstuk III Technische ondersteuning en netwerkvorming ................................................. 77
Hoofdstuk II Monitoring .......................................................................................................... 96
Hoofdstuk III Evaluatie ............................................................................................................ 98
TITEL VIII Bepalingen inzake concurrentie ......................................................................... 100
TITEL IX Bevoegdheden van de Commissie, gemeenschappelijke bepalingen en overgangs- en slotbepalingen.................................................................................................................... 101
Hoofdstuk I Bevoegdheden van de Commissie ..................................................................... 101
Hoofdstuk II Gemeenschappelijke bepalingen....................................................................... 102
Hoofdstuk III Overgangs- en slotbepalingen ......................................................................... 103
BIJLAGE I Bedragen en steunpercentages ............................................................................ 105
BIJLAGE II Biofysische criteria voor de afbakening van gebieden met natuurlijke beperkingen ............................................................................................................................ 109
BIJLAGE III Indicatieve lijst van maatregelen en concrete acties die van bijzonder belang zijn voor in artikel 8 bedoelde thematische subcategorieën.......................................................... 111
BIJLAGE IV Vooraf te vervullen voorwaarden voor plattelandsontwikkeling..................... 113
BIJLAGE V Indicatieve lijst van maatregelen die van belang zijn voor een of meer van de prioriteiten van de Unie voor plattelandsontwikkeling .......................................................... 120
TITEL I
Doelstellingen en strategie
Hoofdstuk I
Toepassingsgebied en definities
Artikel 1
Toepassingsgebied
-
1.Bij deze verordening:
(a) worden de algemene bepalingen vastgesteld met betrekking tot de EU-steun voor plattelandsontwikkeling die wordt gefinancierd uit het bij Verordening (EU) nr. HV/2012 opgerichte Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (hierna het "ELFPO" genoemd);
(b) worden de doelstellingen aan de verwezenlijking waarvan het
plattelandsontwikkelingsbeleid moet bijdragen vastgesteld, alsmede de relevante EU-prioriteiten op het gebied van de plattelandsontwikkeling;
(c) wordt het strategische kader voor het plattelandsontwikkelingsbeleid uiteengezet;
(d) worden de maatregelen van het plattelandsontwikkelingsbeleid omschreven;
(e) worden de bepalingen betreffende de programmering, de netwerkvorming, het beheer, de monitoring en de evaluatie vastgesteld op basis van een verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de lidstaten en de Commissie;
de lidstaten ter verwezenlijking van de EU-prioriteiten voor
plattelandsontwikkeling;
(b) "regio": territoriale eenheid van niveau 1 of 2 van de nomenclatuur van territoriale
eenheden voor de statistiek (NUTS-niveaus 1 en 2) in de zin van Verordening (EG)
nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad
23;
(c) "maatregel": een samenstel van concrete acties die bijdragen tot de verwezenlijking
van de EU-prioriteiten voor plattelandsontwikkeling;
(d) "concrete actie": een project, groep van projecten, contract of regeling, of een andere
actie die volgens de voor het betrokken plattelandsontwikkelingsprogramma vastgestelde criteria is gekozen en door een of meer begunstigden wordt uitgevoerd ter verwezenlijking van de EU-prioriteiten voor plattelandsontwikkeling;
(e) "begunstigde": een natuurlijke of rechtspersoon of een andere organisatie uit de
overheids- of de particuliere sector die verantwoordelijk is voor de uitvoering van concrete acties of die steun ontvangt;
(f) "monitoring- en evaluatiesysteem": een door de Commissie en de lidstaten
ontwikkelde algemene aanpak die een beperkt aantal gemeenschappelijke indicatoren betreffende de uitgangssituatie en de financiële uitvoering, de output, de resultaten en de impact van de programma's omvat;
(g) "plaatselijke ontwikkelingsstrategie": een coherent samenstel van op de plaatselijke
doelstellingen en behoeften afgestemde concrete acties dat bijdraagt tot de verwezenlijking van de EU-prioriteiten voor plattelandsontwikkeling en in partnerschap op het passende niveau wordt uitgevoerd;
(h) "steunpercentage": de totale, in procent uitgedrukte overheidsbijdrage aan een
concrete actie;
(i) "overheidsuitgaven": elke overheidsbijdrage aan de financiering van concrete acties
die afkomstig is uit de begroting van de staat, van een regionale of plaatselijke overheid of van de Unie, en elke soortgelijke uitgave. Elke bijdrage aan de financiering van concrete acties die afkomstig is uit de begroting van publiekrechtelijke instanties of verenigingen van een of meer regionale of plaatselijke overheden of publiekrechtelijke instellingen in de zin van Richtlijn 2004/18/EG
(l) "transactiekosten": kosten die verband houden met een verbintenis maar niet
rechtstreeks kunnen worden toegeschreven aan de uitvoering van die verbintenis;
(m) "oppervlakte cultuurgrond (hierna "OCG" genoemd)": oppervlakte cultuurgrond in
de zin van Beschikking 2000/115/EG van de Commissie van 24 november 199926;
(n) "economische verliezen": extra kosten die een landbouwer maakt als gevolg van
door hem genomen uitzonderlijke maatregelen om het aanbod op de betrokken markt of substantieel productieverlies te verminderen;
(o) "ongunstige weersomstandigheden": weersomstandigheden, zoals vorst, stormen,
hagel, ijs, hevige regen of ernstige droogte, die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld;
(p) dierziekten": ziekten die zijn vermeld in de lijst van dierziekten die is opgesteld door
de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE) of in de lijst van dierziekten die is opgenomen in de bijlage bij Beschikking 90/424/EEG van de Raad
27;
(q) "milieuongeval": een specifiek voorval van verontreiniging, besmetting of degradatie
van de kwaliteit van het milieu als gevolg van een specifieke gebeurtenis, met een beperkte geografische uitwerking. Hieronder vallen niet algemene milieurisico's die niet het gevolg zijn van een specifieke gebeurtenis, zoals klimaatverandering of atmosferische verontreiniging;
(r) "natuurramp": een van nature voorkomende gebeurtenis van biotische of abiotische
aard die tot belangrijke verstoringen van de landbouwproductiesystemen en bosstructuren leidt, en uiteindelijk belangrijke economische schade aan de landbouw- en bosbouwsector de veroorzaakt;.
(s) "rampzalige gebeurtenis": een door menselijke activiteit veroorzaakte onvoorziene
gebeurtenis van biotische of abiotische aard die tot belangrijke verstoringen van de landbouwproductiesystemen en bosstructuren leidt, en uiteindelijk belangrijke economische schade aan de landbouw- en de bosbouwsector veroorzaakt;
(w) "thematische doelstellingen": de in artikel 9 van Verordening (EU) nr. [GSK/2012]
van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde thematische doelstellingen28;
(x) "gemeenschappelijk strategisch kader" (hierna "GSK" genoemd): het in artikel 10
van Verordening (EU) nr. [GSK/2010] bedoelde gemeenschappelijk strategisch kader.
-
2.Met betrekking tot de in lid 1, onder u), vastgestelde definitie van een jonge landbouwer wordt de Commissie ertoe gemachtigd overeenkomstig artikel 90 gedelegeerde handelingen aan te nemen inzake de voorwaarden onder welke een rechtspersoon als "jonge landbouwer" kan worden aangemerkt, met inbegrip van de vaststelling van een gratieperiode voor de verwerving van vakbekwaamheid.
Hoofdstuk II
Opdracht, doelstellingen, prioriteiten en coherentie
Artikel 3
Opdracht
Het ELFPO draagt bij tot de Europa 2020-strategie door de duurzame ontwikkeling van het platteland in de hele Unie te bevorderen via instrumenten die complementair zijn aan de andere instrumenten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (hierna het "GLB" genoemd), het cohesiebeleid en het gemeenschappelijk visserijbeleid. Het ELFPO maakt de landbouwsector in de EU territoriaal en ecologisch evenwichtiger, klimaatvriendelijker en - bestendiger en innovatiever.
Artikel 5
EU-prioriteiten voor plattelandsontwikkeling
De verwezenlijking van de prioriteiten van het plattelandsontwikkelingsbeleid en van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei, wordt nagestreefd aan de hand van de volgende zes EU-prioriteiten voor plattelandsontwikkeling, die de desbetreffende thematische doelstellingen van het GSK
weerspiegelen:
(1) bevordering van de kennisoverdracht en innovatie in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden, met bijzondere aandacht voor:
(a) het stimuleren van innovatie en van de kennisbasis in plattelandsgebieden;
(b) het verstevigen van de banden tussen de landbouw- en de bosbouwsector en onderzoek en innovatie;
(c) het stimuleren van een leven lang leren en beroepsopleiding in de landbouw-
en de bosbouwsector;
(2) versterking van het concurrentievermogen van alle landbouwtypen en verbetering van de rendabiliteit van de landbouwbedrijven, met bijzondere aandacht voor:
(a) het faciliteren van de herstructurering van landbouwbedrijven met ernstige structurele problemen, met name landbouwbedrijven met een geringe marktdeelname, marktgerichte landbouwbedrijven in bepaalde sectoren en landbouwbedrijven die hun landbouwactiviteiten moeten diversifiëren;
(b) het faciliteren van de verjonging in de landbouwsector;
(3) bevordering van de organisatie van de voedselketen en van het risicobeheer in de landbouw, met bijzondere aandacht voor:
(5) bevordering van het efficiënte gebruik van hulpbronnen en steun voor de omslag naar een koolstofarme en klimaatbestendige economie in de landbouw-, de voedsel- en de bosbouwsector, met bijzondere aandacht voor:
(a) het bevorderen van een efficiënter watergebruik in de landbouwsector;
(b) het bevorderen van een efficiënter energiegebruik in de landbouw- en de voedingssector;
(c) het faciliteren van de levering en het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, van bijproducten, afvalmateriaal, residuen en andere non- foodgrondstoffen ten bate van de bio-economie;
(d) het reduceren van de stikstofoxide- en de methaanuitstoot door de landbouw;
(e) het bevorderen van koolstofopslag in de landbouw- en de bosbouwsector;
(6) bevordering van sociale inclusie, armoedebestrijding en economische ontwikkeling in plattelandsgebieden, met bijzondere aandacht voor:
(a) het faciliteren van diversifiëring, de creatie van nieuwe kleine ondernemingen en van extra werkgelegenheid;
(b) het stimuleren van de plaatselijke ontwikkeling in plattelandsgebieden;
(c) het verbeteren van de toegankelijkheid, het gebruik en de kwaliteit van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) in plattelandsgebieden.
Alle prioriteiten dragen bij aan de horizontale doelstellingen inzake innovatie, milieu en het matigen van en de aanpassing aan de klimaatverandering.
TITEL II
Programmering
Hoofdstuk I
Inhoud van de programmering
Artikel 7
Plattelandsontwikkelingsprogramma's
-
1.Het ELFPO treedt in de lidstaten op door middel van de programma's voor plattelandsontwikkeling. Aan de hand van deze programma's wordt uitvoering gegeven aan een strategie die moet leiden tot de verwezenlijking van de EU- prioriteiten voor plattelandsontwikkeling met behulp van een samenstel van maatregelen die worden omschreven in titel III en voor de verwezenlijking waarvan om steun uit het ELFPO wordt verzocht.
-
2.Een lidstaat kan hetzij een enkel programma voor zijn gehele grondgebied, hetzij een reeks regionale programma's indienen.
-
3.Lidstaten met regionale programma's kunnen ook een nationaal kader met gemeenschappelijke elementen voor deze programma's en zonder afzonderlijke begrotingstoewijzing ter goedkeuring voorleggen.
-
2.In de thematische subprogramma's kan tevens worden ingespeeld op specifieke behoeften in verband met de herstructurering van landbouwsectoren met een aanzienlijke impact op de ontwikkeling van een specifiek plattelandsgebied.
-
3.De in bijlage I vastgestelde steunpercentages mogen met 10 procentpunten worden verhoogd wanneer sprake is van concrete acties waarvoor steun wordt verleend in het kader van thematische subprogramma's betreffende kleine landbouwbedrijven en korte voorzieningsketens. De maximale steunpercentages betreffende jonge landbouwers en berggebieden mogen overeenkomstig bijlage I worden verhoogd.
De som van beide steunpercentages mag echter niet meer dan 90 % bedragen.
Artikel 9
Inhoud van de plattelandsontwikkelingsprogramma's
-
1.Naast de in artikel 24 van Verordening (EU) nr. [GSK/2012] bedoelde elementen bevat elk plattelandsontwikkelingsprogramma ook:
(a) de in artikel 48 van Verordening (EU) nr. [GSK/2012] bedoelde voorafgaande evaluatie;
(b) een analyse van de situatie aan de hand van sterke en zwakke punten, kansen en bedreigingen (hierna "SWOT-analyse" genoemd - strengths, weaknesses, opportunities and threats) en een omschrijving van de behoeften in het geografische gebied dat wordt bestreken door het programma en, in voorkomend geval, door de in artikel 8 bedoelde thematische subprogramma's.
De analyse wordt opgebouwd rond de EU-prioriteiten voor
plattelandsontwikkeling. Op het gebied van het milieu, op het gebied van de matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering en op het gebied van innovatie wordt voor elke EU-prioriteit voor plattelandsontwikkeling beoordeeld hoe het best aan de specifieke behoeften kan worden voldaan;
-
onder a) bedoelde voorafgaande evaluatie en de onder b) bedoelde analyse;
-
ii)dat de toewijzing van financiële middelen aan de maatregelen van het programma evenwichtig is en voldoende om de gestelde streefdoelen te halen;
-
iii)dat specifieke behoeften in verband met specifieke regionale of subregionale omstandigheden in aanmerking zijn genomen en concreet worden aangepakt via adequaat ontworpen combinaties van maatregelen of thematische subprogramma's;
-
iv)dat een steekhoudende benadering ten opzichte van innovatie, het milieu, met inbegrip van de specifieke behoeften van de Natura 2000- gebieden, en de matiging van en de aanpassing aan de klimaatverandering in het programma is geïntegreerd;
-
v)dat adequate maatregelen worden gepland om de uitvoering van het programma te vereenvoudigen;
-
vi)dat maatregelen zijn genomen om te zorgen voor voldoende capaciteit voor het verstrekken van advies over de regelgevingsvoorschriften en alle aspecten die verbonden zijn met duurzaam beheer in de landbouw en de bosbouw, alsook klimaatactie;
-
vii)dat initiatieven worden gepland om de bewustmaking te bevorderen,
innovatieve acties te stimuleren en operationele groepen in het kader van het EIP voor de duurzaamheid en productiviteit in de landbouw op
te richten;
-
viii)dat, rekening houdend met ter zake relevante streefdoelen, een adequate
benadering is vastgesteld met de beginselen die moeten worden toegepast bij de vaststelling van de criteria voor de selectie van de projecten en bij de plaatselijke ontwikkelingsstrategieën. De lidstaten kunnen in dit verband bepalen dat concrete acties die groepen van landbouwers collectief uitvoeren, voorrang krijgen of in aanmerking komen voor een hoger steunpercentage;
maatregelen inzake de ontwikkeling van landbouwbedrijven en
ondernemingen in plattelandsgebieden;
(g) een beschrijving van de aanpak van innovatie met het oog op een hogere productiviteit en een duurzaam beheer van de hulpbronnen, en de bijdrage tot de verwezenlijking van de in artikel 61 bedoelde doelstellingen van het EIP voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw;
(h) een analyse van de behoeften in verband met de monitoring- en evaluatievoorschriften en het in artikel 49 van Verordening (EU) nr. [GSK/2012] bedoelde evaluatieplan. De lidstaten voorzien in voldoende middelen en in de nodige activiteiten voor de opbouw van de betrokken capaciteit om aan de vastgestelde behoeften tegemoet te komen;
(i) een financieringsplan, met inbegrip van:
-
i)een tabel waarin, met inachtneming van artikel 64, lid 4, de totale, voor elk jaar geplande ELFPO-steun wordt opgenomen. In voorkomend geval wordt het totale ELFPO-steunbedrag uitgesplitst naar kredieten voor de minder ontwikkelde regio's en de financiële middelen die worden overgedragen op grond van artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) nr. RB/2012. De geplande jaarlijkse ELFPO-steun moet verenigbaar zijn met het meerjarig financieel kader;
-
ii)een tabel met voor elke maatregel de soort concrete actie, met daarbij het specifieke ELFPO-steunpercentage en de betrokken technische ondersteuning, alsmede de totale geplande EU-bijdrage en het geldende ELFPO-steunpercentage. In voorkomend geval wordt de bijdrage voor minder ontwikkelde regio's en de bijdrage voor andere regio's afzonderlijk aangegeven in deze tabel;
(j) een indicatorenplan, met voor elk van de in het programma opgenomen EU- prioriteiten voor plattelandsontwikkeling, de indicatoren en de geselecteerde maatregelen met de geplande resultaten en de geplande uitgaven, uitgesplitst naar openbare en particuliere uitgaven;
-
i)de aanwijzing door de lidstaat van alle in artikel 72, lid 2, bedoelde autoriteiten en, ter informatie, een beknopte beschrijving van de beheers- en controlestructuur;
-
ii)een beschrijving van de monitoring- en evaluatieprocedures en de samenstelling van het monitoringcomité;
-
iii)de maatregelen om bekendheid aan het programma te geven, onder meer via het in artikel 55 bedoelde nationale netwerk voor het platteland;
(o) de aanwijzing van de in artikel 5 van Verordening (EU) nr. [GSK/2012] bedoelde partners en de resultaten van het overleg met de partners;
(p) in voorkomend geval, de voornaamste elementen van het in artikel 55, lid 3, bedoelde actieplan en de tevens aldaar bedoelde structuur van het nationale netwerk voor het platteland, alsmede bepalingen voor het beheer ervan die de basis zouden vormen voor de jaarlijkse actieplannen van dit netwerk.
-
2.Indien een plattelandsontwikkelingprogramma thematische subprogramma's bevat, dient elk subprogramma het volgende te bevatten:
(a) een specifieke SWOT-analyse van de situatie en een omschrijving van de behoeften waaraan het subprogramma tegemoet moet komen;
(b) specifieke streefdoelen voor het subprogramma en een op basis van een nauwkeurige beschrijving van de interventieaanpak van het subprogramma gemaakte selectie van maatregelen, met inbegrip van een beoordeling van de mate waarin de geselecteerde maatregelen naar verwachting zullen bijdragen tot de verwezenlijking van de streefdoelen;
(c) een afzonderlijk, specifiek indicatorenplan, met de geplande resultaten en de geplande uitgaven, uitgesplitst naar openbare en particuliere uitgaven.
Hoofdstuk II
Voorbereiding, goedkeuring en wijziging van
plattelandsontwikkelingsprogramma's
Artikel 10
Vooraf te vervullen voorwaarden
Naast de in bijlage IV bedoelde vooraf te vervullen voorwaarden, zijn de algemene vooraf te vervullen voorwaarden die zijn vastgesteld in bijlage IV bij Verordening (EU) nr. [GSK/2012] van toepassing voor het ELFPO.
Artikel 11
Goedkeuring van plattelandsontwikkelingsprogramma's
-
1.Voor elk plattelandsontwikkelingsprogramma dient de lidstaat bij de Commissie een voorstel in dat de in artikel 9 bedoelde gegevens bevat.
-
2.De Commissie keurt elk plattelandsontwikkelingsprogramma goed middels een uitvoeringshandeling die wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 91 bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 12
Wijziging van plattelandsontwikkelingsprogramma's
-
Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 91 bedoelde onderzoeksprocedure;
-
b)de Commissie neemt middels uitvoeringshandelingen een besluit over wijzigingsverzoeken die betrekking hebben op alle andere gevallen. Deze gevallen betreffen met name:
-
i)de invoering of de intrekking van maatregelen of soorten concrete acties;
-
ii)veranderingen in de beschrijving van maatregelen, met inbegrip van verandering van de subsidiabiliteitsvoorwaarden.
-
2.De Commissie wordt ertoe gemachtigd om overeenkomstig artikel 90 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de criteria aan de hand waarvan moet worden bepaald of er sprake is van een in lid 1, onder a) i), van dit artikel bedoelde ingrijpende verandering van gekwantificeerde streefdoelen.
Artikel 13
Voorschriften inzake procedures en tijdschema's
De Commissie stelt middels uitvoeringshandelingen voorschriften vast inzake de procedures en de tijdschema's voor:
(a) de goedkeuring van plattelandsontwikkelingsprogramma's;
(b) de indiening en de goedkeuring van voorstellen tot wijziging van
plattelandsontwikkelingsprogramma's, onder meer inzake de inwerkingtreding en de frequentie van indiening ervan tijdens de programmeringsperiode.
Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 91 bedoelde onderzoeksprocedure.
TITEL III
Steun voor plattelandsontwikkeling
Hoofdstuk I
Maatregelen
Artikel 14
Maatregelen
Elk plattelandsontwikkelingsprogramma wordt zo geprogrammeerd dat het specifiek bijdraagt
tot de verwezenlijking van één of meer EU-prioriteiten voor
plattelandsontwikkeling. Een lijst van maatregelen die van bijzonder belang zijn voor de EU-prioriteiten is opgenomen in bijlage V.
SECTIE 1
INDIVIDUELE MAATREGELEN
Artikel 15
Acties inzake kennisoverdracht en voorlichting
-
1.In het kader van deze maatregel wordt steun verleend voor acties op het gebied van beroepsopleiding en verwerving van deskundigheid, voor demonstratieactiviteiten en voor voorlichtingsacties. Acties op het gebied van beroepsopleiding en verwerving van deskundigheid kunnen opleidingscursussen, workshops en coaching omvatten.
De organisaties die kennisoverdrachtsdiensten en voorlichtingsdiensten aanbieden, beschikken over hiertoe gekwalificeerd en geregeld opgeleid personeel.
-
4.In het kader van deze maatregel worden de kosten voor het organiseren en uitvoeren van de kennisoverdrachtsacties en de voorlichtingsacties gesubsidieerd.
In het geval van demonstratieprojecten mag tevens steun worden verleend ter dekking van de betrokken investeringskosten. De kosten in verband met de reis-, verblijfs- en dagvergoedingen van de deelnemers, alsmede de kosten voor de vervanging van de landbouwers worden eveneens gesubsidieerd.
-
5.De Commissie wordt ertoe gemachtigd om overeenkomstig artikel 90 gedelegeerde handelingen aan te nemen met betrekking tot de nadere omschrijving van de subsidiabele kosten, de minimumkwalificaties van de organisaties die kennisoverdrachtsdiensten aanbieden, en de looptijd en inhoud van de regelingen voor uitwisselingen op bedrijfsbeheersniveau en bezoeken.
Artikel 16
Bedrijfsadviesdiensten, bedrijfsbeheersdiensten en bedrijfsverzorgingsdiensten
-
1.In het kader van deze maatregel wordt steun verleend om:
(a) landbouwers, bosbezitters en kmo's in plattelandsgebieden te helpen profiteren van adviesdiensten om de economische en ecologische prestatie alsook de klimaatvriendelijkheid en bestendigheid van hun bedrijf, onderneming en/of investering te verbeteren;
(b) de oprichting van bedrijfsbeheersdiensten, bedrijfsverzorgingsdiensten en bedrijfsadviesdiensten voor de landbouw en van bedrijfsadviesdiensten voor de bosbouw te stimuleren, met inbegrip van het in de artikelen 12, 13 en 14 van Verordening (EU) nr. HV/2012 bedoelde bedrijfsadviseringssysteem;
-
4.Het aan landbouwers te verstrekken advies staat in verband met ten minste één EU- prioriteit voor plattelandsontwikkeling en heeft betrekking op ten minste één van de volgende elementen:
(a) een of meer uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en/of normen inzake een goede landbouw- en milieuconditie zoals bedoeld in titel VI, hoofdstuk I, van Verordening (EU) nr. HV/2012;
(b) in voorkomend geval, de klimaat- en milieuvriendelijke praktijken zoals bedoeld in titel III, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) RB/2012 en het onderhoud van het landbouwgebied zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. RB/2012;
(c) de voorschriften en acties betreffende matiging van en aanpassing van de klimaatverandering, biodiversiteit, bescherming van water en bodem, melding van dierziekten en innovatie zoals bedoeld in bijlage I bij Verordening (EU)
nr. HV/2012;
(d) de duurzame ontwikkeling van de economische activiteit van de kleine landbouwbedrijven zoals vastgesteld door de lidstaten en ten minste van de landbouwbedrijven die deelnemen aan de in titel V van Verordening (EU) nr. RB/2012 bedoelde regeling voor kleine landbouwers; of
(e) in voorkomend geval, op EU-wetgeving gebaseerde
arbeidsveiligheidsnormen.
Het advies kan ook betrekking hebben op andere thema's die verband houden met de economische, agrarische en ecologische prestatie van het landbouwbedrijf.
-
5.Het advies voor bosbezitters heeft op zijn minst betrekking op de ter zake relevante vereisten in het kader van de Richtlijnen 92/43/EEG, 2009/147/EG en 2000/60/EG. Het advies kan ook betrekking hebben op thema's die verband houden met de economische en ecologische prestatie van het bosbouwbedrijf.
Artikel 17
Kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen
-
1.In het kader van deze maatregel wordt steun verleend aan landbouwers die toetreden tot:
(a) een bij de EU-wetgeving ingestelde kwaliteitsregeling voor
landbouwproducten, katoen of levensmiddelen;
(b) een door de lidstaten erkende kwaliteitsregeling voor landbouwproducten die aan de volgende criteria voldoet:
-
i)de specificiteit van het eindproduct in het kader van dergelijke regelingen vloeit voort uit duidelijke verplichtingen die het volgende
garanderen:
-
-specifieke productkenmerken, of
-
-specifieke landbouw- of productiemethoden, of
-
-een kwaliteit van het eindproduct die uit het oogpunt van de gezondheid van mens, dier of plant, het dierenwelzijn of milieubescherming veel verder gaat dan de voor het handelsproduct geldende normen;
-
ii)de regeling staat open voor alle producenten;
-
iii)de regeling behelst het opstellen van een bindend productdossier en de naleving daarvan wordt geverifieerd door de openbare autoriteiten of door een onafhankelijk inspectieorganisatie;
Met het oog op de toepassing van dit lid wordt onder "vaste kosten" verstaan de kosten die worden gemaakt om tot een kwaliteitsregeling waarvoor steun wordt verleend, toe te treden, en de jaarlijkse bijdrage voor deelneming aan die regeling, inclusief, in voorkomend geval, de kosten voor verificatie van de naleving van het productdossier.
-
3.De steun mag het in bijlage I vastgestelde maximumbedrag niet overschrijden.
-
4.De Commissie wordt ertoe gemachtigd overeenkomstig artikel 90 gedelegeerde handelingen aan te nemen met betrekking tot de specifieke EU-kwaliteitsregelingen die onder lid 1, onder a), vallen.
Artikel 18
Investeringen in materiële activa
-
1.In het kader van deze maatregel wordt steun verleend voor roerende en/of onroerende investeringen die:
(a) leiden tot een verbetering van de algehele prestatie van het landbouwbedrijf;
(b) betrekking hebben op de verwerking, de afzet en/of de ontwikkeling van in bijlage I bij het Verdrag vermelde landbouwproducten of katoen. Het productieproces mag een product opleveren dat niet in die bijlage wordt vermeld;
(c) betrekking hebben op infrastructuur voor de ontwikkeling en aanpassing van de landbouw, inclusief op het gebied van de toegankelijkheid van landbouw- en bosgrond, landinrichting en verbetering van land, energievoorziening en waterbeheer; of
(d) worden beschouwd als niet-productieve investeringen met het oog op de nakoming van de agro- en de bosmilieuverbintenissen, de staat van instandhouding van de biodiversiteit op het gebied van soorten en habitats alsook met het oog op de vergroting van de maatschappelijke belevingswaarde van een Natura 2000-gebied of van een ander in het programma te omschrijven gebied met een hoge natuurwaarde.
geïntegreerde projecten in het kader waarvan uit hoofde van meer dan één maatregel steun wordt verleend, investeringen in gebieden met natuurlijke beperkingen zoals bedoeld in artikel 33, lid 3, en concrete acties die worden gesteund in het kader van het EIP voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw. De som van beide steunpercentages mag echter niet meer dan 90 % bedragen.
-
4.Lid 3 is niet van toepassing op in lid 1, onder d), bedoelde niet-productieve
investeringen.
Artikel 19
Herstel van door natuurrampen en rampzalige gebeurtenissen beschadigd agrarisch
productiepotentieel en invoering van passende preventieve acties
-
1.In het kader van deze maatregel wordt steun verleend voor:
(a) investeringen in preventieve acties om de impact van natuurrampen en rampzalige gebeurtenissen die zich waarschijnlijk zullen voordoen, te reduceren;
(b) investeringen voor het herstel van door natuurrampen en rampzalige gebeurtenissen beschadigde landbouwgrond en door natuurrampen en rampzalige gebeurtenissen beschadigd landbouwproductiepotentieel.
-
2.De steun wordt verleend aan landbouwers en groepen van landbouwers. Er kan tevens steun worden verleend aan openbare entiteiten indien een verband tussen de door die entiteiten gedane investeringen en het agrarische productiepotentieel wordt vastgesteld.
-
3.In het kader van lid 1, onder b), mag slechts steun worden verleend indien de bevoegde openbare autoriteiten van de lidstaten officieel bevestigen dat een natuurramp heeft plaatsgevonden en dat die ramp of de overeenkomstig Richtlijn 2000/29/EG vastgestelde maatregelen om een plantenziekte of plaag uit te roeien of in te dammen, hebben geleid tot vernieling van ten minste 30 % van het betrokken agrarische productiepotentieel.
-
6.De Commissie wordt ertoe gemachtigd overeenkomstig artikel 90 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de omschrijving van de kosten die in het kader van deze maatregel als subsidiabel worden beschouwd.
Artikel 20
Ontwikkeling van landbouwbedrijven en ondernemingen
-
1.Deze maatregel heeft betrekking op:
(a) aanloopsteun ten bate van:
-
i)jonge landbouwers;
-
ii)niet-agrarische activiteiten in plattelandsgebieden;
-
iii)de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven;
(b) investeringen in niet-agrarische activiteiten;
(c) jaarlijkse betalingen voor landbouwers die deelnemen aan de bij titel V van Verordening (EU) nr. DP/2012 ingestelde regeling voor kleine landbouwers (hierna "regeling voor kleine landbouwers" genoemd) die hun bedrijf definitief aan een andere landbouwer overdragen.
-
2.De in lid 1, onder a) i), bedoelde steun wordt verleend aan jonge landbouwers.
De in lid 1, onder a) ii), bedoelde steun wordt verleend aan landbouwers of leden van het landbouwershuishouden die diversifiëren naar niet-agrarische activiteiten en naar niet-agrarische kleine en micro-ondernemingen in plattelandsgebieden.
De in lid 1, onder a) iii), bedoelde steun wordt verleend aan kleine landbouwbedrijven zoals omschreven door de lidstaten.
lid ten tijde van het aanvragen van de steun een landbouwactiviteit op het landbouwbedrijf uitoefenen.
-
4.De in lid 1, onder a), bedoelde steun wordt slechts verleend wanneer een bedrijfsplan wordt overgelegd. Uiterlijk zes maanden na de datum van het besluit tot verlening van de steun moet de uitvoering van het bedrijfsplan van start gaan.
De lidstaten stellen boven- en benedengrenzen vast voor de toegang van landbouwbedrijven tot de respectievelijk in lid 1, onder a) i), en in lid 1, onder a) iii), bedoelde steun. De benedengrens voor steunverlening in het kader van lid 1, onder a) i), dient aanzienlijk hoger te liggen dan de bovengrens voor steunverlening in het kader van lid 1, onder a) iii). De steun mag uitsluitend worden verleend aan kleine en micro-ondernemingen.
-
5.De in lid 1, onder a) bedoelde steun wordt verleend in de vorm van een forfaitaire betaling die gedurende een periode van maximaal vijf jaar kan worden betaald in ten minste twee tranches. De tranches kunnen degressief zijn. De laatste tranche van de in lid 1, onder a i) en ii), bedoelde steun mag slechts worden betaald indien het bedrijfsplan correct wordt uitgevoerd.
-
6.Het maximale steunbedrag voor lid 1, onder a), is vastgesteld in bijlage I. De lidstaten stellen het bedrag van de in lid 1, onder a) i) en ii), bedoelde steun vast en houden daarbij onder meer rekening met de sociaaleconomische toestand in het programmagebied.
-
7.De in lid 1, onder c), bedoelde steun bedraagt 120 % van de jaarlijkse betaling die de begunstigde heeft ontvangen in het kader van de regeling voor kleine landbouwers.
(c) breedbandinfrastructuur, inclusief het opzetten, verbeteren en uitbreiden ervan, passieve breedbandinfrastructuur en de verlening van toegang tot breedband en openbare e-overheidsoplossingen;
(d) investeringen in het opzetten, verbeteren en uitbreiden van plaatselijke basisdiensten voor de plattelandsbevolking, met inbegrip van vrije tijd en cultuur, en de desbetreffende infrastructuur;
(e) investeringen door openbare instanties in recreatie-infrastructuur, toeristische informatie en de bewegwijzering voor toeristische bestemmingen;
(f) studies en investeringen met betrekking tot het onderhoud, het herstel en de opwaardering van het natuurlijke en culturele erfgoed van dorpen en rurale landschappen, met inachtneming van daarmee verbonden sociaaleconomische aspecten;
(g) investeringen voor het verplaatsen van activiteiten en het verbouwen van gebouwen of andere voorzieningen die dichtbij rurale woongebieden gelegen zijn, met als doel de levenskwaliteit te verbeteren of de milieuprestatie van deze woongebieden te verbeteren.
-
2.In het kader van deze maatregel wordt slechts steun verleend voor kleinschalige infrastructuur zoals door elke lidstaat in het programma wordt omschreven. In de plattelandsontwikkelingsprogramma's mogen echter specifieke afwijkingen van dit voorschrift worden opgenomen wanneer sprake is van investeringen in breedband en hernieuwbare energie. In dat geval moeten duidelijke criteria worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat de hier bedoelde steun complementair is aan de steun die in het kader van andere EU-instrumenten wordt verstrekt.
-
3.In lid 1 bedoelde investeringen komen voor steun in aanmerking wanneer de betrokken concrete acties overeenkomstig de plannen voor de ontwikkeling van de gemeenten in plattelandsgebieden en de gemeentelijke basisdiensten worden uitgevoerd, voor zover dergelijke plannen voorhanden zijn en consistent zijn met de eventueel voorhanden zijne plaatselijke ontwikkelingsstrategie.
(c) de preventie en het herstel van schade die aan bossen wordt toegebracht door bosbranden en natuurrampen, met inbegrip van uitbraken van plagen en ziekten, rampzalige gebeurtenissen en klimaatgerelateerde bedreigingen;
(d) investeringen ter verbetering van de veerkracht en de milieuwaarde alsook van het mitigatiepotentieel van bosecosystemen;
(e) investeringen in nieuwe bosbouwtechnologieën en in de verwerking en de afzet van bosproducten.
-
2.Beperkingen op de eigendom van bossen zoals bedoeld in de artikelen 36 tot en met 40, zijn niet van toepassing op de tropische en subtropische bossen en op de beboste gebieden op de Azoren, Madeira, de Canarische Eilanden, de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee in de zin van Verordening (EEG) nr. 2019/93
30, en in
de Franse overzeese departementen.
Voor landbouwbedrijven vanaf een bepaalde door de lidstaten in het programma vast te stellen omvang, is steun afhankelijk van de indiening van een bosbeheersplan of een gelijkwaardig instrument in overeenstemming met duurzaam bosbeheer zoals vastgesteld in de ministeriële conferentie over de bescherming van de bossen in Europa van 1993
31 (hierna: "duurzaam bosbeheer").
-
3.De Commissie wordt ertoe gemachtigd overeenkomstig artikel 90 gedelegeerde handelingen aan te nemen met betrekking tot de voorwaarden op grond waarvan wordt bepaald of een natuurramp of een uitbraak van een plaag of een ziekte heeft plaatsgevonden, en met betrekking tot de omschrijving van de soorten preventieve acties die voor steun in aanmerking komen.
Artikel 23
Bebossing en de aanleg van beboste gebieden
klimaatomstandigheden, kan steun worden verleend voor de aanplant van andere meerjarige houtachtige planten, zoals struiken die bestand zijn tegen de plaatselijke omstandigheden.
-
3.De Commissie wordt ertoe gemachtigd overeenkomstig artikel 90 gedelegeerde handelingen aan te nemen met betrekking tot de vaststelling van de in lid 2 bedoelde de minimale milieuvereisten.
Artikel 24
De invoering van boslandbouwsystemen
-
1.In het kader van artikel 22, lid 1, onder b), wordt aan individuele of in een vereniging georganiseerde particuliere grondeigenaren, pachters en gemeenten gedurende maximaal drie jaar steun ter dekking van de invoeringskosten verleend, alsmede
een jaarlijkse premie per hectare voor de kosten van
onderhoudsactiviteiten.
-
2."Boslandbouwsystemen" zijn systemen voor grondgebruik waarbij de teelt van bomen wordt gecombineerd met extensieve landbouw op dezelfde grond. Het maximale aantal per hectare aan te planten bomen wordt door de lidstaten bepaald met inachtneming van de plaatselijke bodem- en klimaatgesteldheid, de bosbouwgewassoorten en de noodzaak het gebruik van de grond voor landbouwdoeleinden te waarborgen.
-
3.De steun mag het in bijlage I vastgestelde maximale steunpercentage niet
overschrijden.
(d) het herstel van het bosbouwpotentieel dat is beschadigd ten gevolge van brand of andere natuurrampen zoals plagen, ziekten alsook rampzalige gebeurtenissen en aan de klimaatverandering gerelateerde gebeurtenissen.
-
2.Wat preventieve acties tegen plagen en ziekten betreft, moet het risico dat zich een ramp in dit verband voordoet, worden aangetoond aan de hand van wetenschappelijk
bewijs en worden bevestigd door wetenschappelijke
overheidsorganisaties. In voorkomend geval moet de lijst van soorten organismen die schadelijk zijn voor planten en een ramp kunnen veroorzaken, in het programma worden opgenomen.
De gesubsidieerde concrete acties moeten consistent zijn met het door de betrokken lidstaat opgestelde bosbeschermingsplan. Bedrijven met een omvang die groter is dan een bepaalde, door de lidstaat in het programma vast te stellen omvang, krijgen slechts
steun indien zij een bosbeheersplan overleggen waarin de
preventiedoelstellingen zijn opgenomen.
Bosgebieden die overeenkomstig het door de lidstaat opgestelde
bosbeschermingsplan als middelmatig tot zeer brandgevaarlijk worden aangemerkt, komen in aanmerking voor steun in verband met de bosbrandpreventie.
-
3.In het kader van lid 1, onder d), mag slechts steun worden verleend indien de bevoegde openbare autoriteiten van de lidstaten officieel bevestigen dat een natuurramp heeft plaatsgevonden en dat die natuurramp of de overeenkomstig Richtlijn 2000/29/EG vastgestelde maatregelen om een plantenziekte of plaag uit te roeien of in te dammen heeft geleid tot de vernieling van ten minste 30 % van het betrokken bosbouwpotentieel. Het betrokken percentage wordt bepaald hetzij op basis van het gemiddelde bosbouwpotentieel in de laatste drie jaar vóór de ramp, hetzij op basis van het gemiddelde bosbouwpotentieel in de laatste vijf jaar vóór de ramp, het hoogste en het laagste cijfer niet meegerekend.
-
2.De investeringen hebben betrekking op met het oog op milieudoelstellingen of de verlening van ecosysteemdiensten aangegane verbintenissen en/of verbintenissen die de maatschappelijke belevingswaarde van bossen en beboste gebieden in het betrokken gebied verhogen of het klimaatveranderingsmitigatiepotentieel van ecosystemen verbeteren, zonder daarbij economische baten op lange termijn uit te
sluiten.
Artikel 27
Investeringen in nieuwe bosbouwtechnologieën en in de verwerking en de afzet van
bosproducten
-
1.In het kader van artikel 22, lid 1, onder e), wordt aan individuele of in een vereniging georganiseerde particuliere bosbezitters en gemeenten, alsmede aan kmo's steun verleend voor investeringen die betrekking hebben op het verbetering van het bosbouwpotentieel of op waarde toevoegende verwerking en afzet van bosproducten. Wat de Azoren, Madeira, de Canarische Eilanden, de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee in de zin van Verordening (EEG) nr. 2019/93, en de Franse overzeese departementen betreft, kan ook steun worden verleend aan andere bedrijven dan kmo's.
-
2.Investeringen om de economische waarde van bossen te vergroten, moeten op het niveau van het bosbedrijf worden gedaan en kunnen betrekking hebben op bodemvriendelijke, zuinige oogstmachines en praktijken.
-
3.Voor investeringen met betrekking tot het gebruik van hout als grondstof of energiebron geldt een beperking tot alle handelingen die aan industriële verwerking voorafgaan.
(c) gemeenschappelijke regels vast te stellen voor de verstrekking van informatie over de productie, en vooral over de oogst en de beschikbaarheid van producten; en
(d) eventueel andere activiteiten te verrichten, onder meer op het gebied van de ontwikkeling van bedrijfsvoerings- en marketingvaardigheden en de organisatie en bevordering van innovatieprocessen.
-
2.De steun wordt verleend aan producentengroeperingen die op basis van een bedrijfsplan officieel door de bevoegde autoriteit van de lidstaat zijn erkend. De steun mag uitsluitend worden verleend aan producentengroeperingen die onder de definitie van kmo's vallen.
De lidstaten verifiëren of de doelstellingen van het bedrijfsplan uiterlijk vijf jaar na de erkenning van de producentengroepering zijn bereikt.
-
3.De steun wordt op forfaitaire basis in jaartranches verleend voor de eerste vijf jaren na de datum waarop de producentengroepering op basis van zijn bedrijfsplan is erkend. Het steunbedrag wordt berekend op basis van de jaarlijkse door de groepering afgezette productie. De lidstaten betalen de laatste tranche pas wanneer zij hebben geverifieerd dat het bedrijfsplan correct is uitgevoerd.
Gedurende het eerste jaar kunnen de lidstaten steun aan de
producentengroeperingen betalen die wordt berekend op basis van de gemiddelde jaarlijkse waarde van de productie die de aangesloten leden gedurende een periode van drie jaar vóór hun toetreding tot de groepering hebben afgezet. Wat producentengroeperingen in de bosbouwsector betreft, wordt de steun berekend op basis van de gemiddelde productie die de aangesloten leden gedurende een periode van vijf jaar vóór de erkenning hebben afgezet, de hoogste en de laagste waarde niet meegerekend.
-
3.De agromilieu- en klimaatbetalingen mogen slechts worden verricht indien de betrokken verbintenissen verder gaan dan de ter zake relevante dwingende normen zoals bedoeld in titel VI, hoofdstuk I, van Verordening (EU) nr. HV/2012, andere ter zake relevante verplichtingen zoals bedoeld in titel III, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. RB/2012, ter zake relevante minimumvereisten voor het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen en andere ter zake relevante dwingende voorschriften die bij de nationale wetgeving zijn vastgesteld.
Al deze dwingende voorschriften worden in het programma omschreven.
-
4.De lidstaten spannen zich in om personen die zich ertoe verbinden concrete acties in het kader van deze maatregel uit te voeren, te voorzien van de voor de uitvoering ervan vereiste kennis en informatie, onder meer door voor de verbintenis relevant deskundigenadvies beschikbaar te stellen en/of door de steunverlening in het kader van deze maatregel te koppelen aan de eis voor relevante opleiding te zorgen.
-
5.De onder deze maatregel vallende verbintenissen worden aangegaan voor een periode van vijf tot zeven jaar Wanneer dat nodig is om de nagestreefde milieuvoordelen te bereiken of te behouden, kunnen de lidstaten in hun plattelandsontwikkelingsprogramma's echter een langere periode vaststellen voor bepaalde soorten verbintenissen, onder meer door te voorzien in een jaarlijkse verlenging ervan na afloop van de eerste periode.
-
6.De betalingen worden jaarlijks verricht en vergoeden de begunstigden geheel of gedeeltelijk voor de extra kosten en de gederfde inkomsten die voortvloeien uit de aangegane verbintenissen. In voorkomend geval kunnen de betalingen ook worden gebruikt ter dekking van transactiekosten ter waarde van maximaal 20 % van de premie die voor de agromilieu- en klimaatverbintenissen wordt betaald. Indien de verbintenissen worden aangegaan door groepen van landbouwers, bedraagt dit maximum 30 %.
omschrijving van de concrete acties die op grond van lid 9 voor steun in
aanmerking komen.
Artikel 30
Biologische landbouw
-
1.In het kader van deze maatregel wordt steun verleend, per hectare OCG, aan landbouwers of groepen van landbouwers die zich op vrijwillige basis verbinden tot de omschakeling naar of het behoud van biologische landbouwpraktijken en
-methoden zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad
32.
-
2.De steun wordt slechts verleend voor verbintenissen die verder gaan dan de ter zake relevante dwingende normen zoals bedoeld in titel VI, hoofdstuk I, van Verordening (EU) nr. HV/2012, de ter zake relevante minimumvereisten voor het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen en andere ter zake relevante voorschriften die bij de nationale wetgeving zijn vastgesteld. Al deze voorschriften worden in het programma omschreven.
-
3.De onder deze maatregel vallende verbintenissen worden aangegaan voor een periode van vijf tot zeven jaar. Indien steun wordt verleend voor het behoud van de biologische
landbouw, kunnen de lidstaten in hun
plattelandsontwikkelingsprogramma's voorzien in een jaarlijkse verlenging na afloop van de eerste periode.
-
4.De betalingen worden jaarlijks verleend en vergoeden de begunstigden geheel of gedeeltelijk voor de extra kosten en de gederfde inkomsten die voortvloeien de aangegane verbintenissen. In voorkomend geval kunnen de betalingen ook worden gebruikt ter dekking van transactiekosten ter waarde van maximaal 20 % van de premie die voor de verbintenis wordt betaald. Indien de verbintenissen worden aangegaan door groepen van landbouwers, bedraagt dit maximum 30 %.
-
2.De steun wordt respectievelijk verleend aan landbouwers en aan particuliere bosbezitters en verenigingen van bosbezitters. In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de steun tevens worden verleend aan andere grondbeheerders.
-
3.In de Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG bedoelde steun wordt slechts aan landbouwers verleend indien zij nadelen ondervinden als gevolg van voorschriften die verder gaan dan de in artikel 94 en bijlage II van Verordening (EU) nr. HV/2012 bedoelde goede landbouw- en milieuconditie.
-
4.In Richtlijn 2000/60/EG bedoelde steun wordt slechts verleend in verband met specifieke voorschriften die:
(a) zijn ingevoerd bij Richtlijn 2000/60/EG, in overeenstemming zijn met de maatregelenprogramma's van het stroomgebiedsbeheersplan om de milieudoelstellingen van die richtlijn te verwezenlijken, en verder gaan dan de maatregelen die nodig zijn voor de toepassing van andere EU- waterbeschermingswetgeving;
(b) verder gaan dan de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en de goede landbouw- en milieuconditie zoals bedoeld in titel VI, hoofdstuk 1 van Verordening (EU) nr. HV/2012 en de verplichtingen die zijn vastgesteld in titel III, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. RB/2012;
(c) overeenkomstig artikel 4, lid 9, van Richtlijn 2000/60/EG verder gaan dan het beschermingsniveau dat werd geboden in de ten tijde van de vaststelling van Richtlijn 2000/60/EG al bestaande EU-wetgeving; en
(d) ingrijpende wijzigingen in het bodemgebruik voorschrijven en/of ingrijpende beperkingen opleggen aan de landbouw die resulteren in een aanzienlijk verlies van inkomsten.
Artikel 32
Betalingen voor gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen.
-
1.Aan landbouwers in berggebieden en andere gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen worden jaarlijks betalingen per hectare OCG toegekend om hen te vergoeden voor de extra kosten en de gederfde inkomsten die voortvloeien uit de beperkingen waarmee de landbouwproductie in het betrokken gebied wordt geconfronteerd.
Voor de berekening van de extra kosten en de gederfde inkomsten wordt een vergelijking gemaakt met gebieden die niet met natuurlijke of andere specifieke beperkingen worden geconfronteerd en hierbij wordt tevens rekening gehouden met de betalingen op grond van titel III, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. RB/2012.
-
2.De betalingen worden toegekend aan landbouwers die zich ertoe verbinden hun landbouwactiviteit in de overeenkomstig artikel 33 aangewezen gebieden voort te zetten.
-
3.De betalingen worden vastgesteld op een niveau tussen het minimumbedrag en het maximumbedrag die in bijlage I worden vermeld.
-
4.Betalingen die een in het programma vast te stellen drempelniveau van de oppervlakte per bedrijf overschrijden, worden door de lidstaten geleidelijk verlaagd.
-
5.De lidstaten kunnen in het kader van deze maatregel in de periode 2014-2017 betalingen
toekennen aan landbouwers in gebieden die tijdens de
programmeringsperiode 2007-2013 in aanmerking kwamen voor steun op grond van artikel 36, onder a) ii), van Verordening (EG) nr. 1698/2005, maar niet langer voor steun in aanmerking komen na de nieuwe in artikel 46, lid 3, bedoelde afbakening. Deze betalingen zijn degressief, met een eerste verlaging in 2014 en een laatste verlaging in 2017, tot respectievelijk 80 % en 20 % van de in 2013 ontvangen betaling.
Artikel 33
Aanwijzing van gebieden met natuurlijke en andere specifieke beperkingen
-
1.De lidstaten wijzen op basis van de leden 2, 3 en 4 de gebieden aan die in aanmerking komen voor in artikel 32 bedoelde betalingen en delen deze in in de volgende categorieën:
(a) berggebieden;
(b) andere dan berggebieden die worden geconfronteerd met ernstige natuurlijke beperkingen; en
(c) andere gebieden met specifieke beperkingen;
-
2.Om voor in artikel 32 bedoelde betalingen in aanmerking te komen, moeten de berggebieden worden gekenmerkt door in aanzienlijke mate beperkte mogelijkheden voor grondgebruik en merkbaar hogere productiekosten als gevolg
van:
(a) hetzij zeer ongunstige klimatologische omstandigheden ten gevolge van de hoogteligging waardoor de groeiperiode er aanzienlijk korter is;
(b) hetzij, op geringere hoogte, het voorkomen van steile hellingen over het grootste deel van de betrokken oppervlakte waardoor geen machines kunnen worden gebruikt of het gebruik van zeer duur speciaal materieel vereist is, dan wel een combinatie van de vorige twee factoren als elke factor afzonderlijk een minder grote beperking tot gevolg heeft, maar de combinatie van de twee tot een beperking van vergelijkbare omvang leidt.
Gebieden ten noorden van 62° NB en sommige aangrenzende gebieden worden als berggebieden beschouwd.
Deze gebieden met specifieke beperkingen omvatten landbouwgebieden die homogeen zijn uit het oogpunt van de natuurlijke productieomstandigheden en hun totale oppervlakte mag niet meer bedragen dan 10% van de oppervlakte van de
betrokken lidstaat.
-
5.De lidstaten hechten het volgende aan hun plattelandsontwikkelingsprogramma's:
(a) de bestaande of gewijzigde afbakening zoals bedoeld in de leden 2 en 4;
(b) de nieuwe afbakening van de gebieden zoals bedoeld in lid 3.
Artikel 34
Dierenwelzijn
-
1.In het kader van deze maatregel worden dierenwelzijnsbetalingen toegekend aan landbouwers die zich er op vrijwillige basis toe verbinden concrete acties uit te voeren die bestaan uit een of meer dierenwelzijnsverbintenissen.
-
2.Dierenwelzijnsbetalingen worden slechts toegekend voor verbintenissen die verder gaan dan de ter zake relevante dwingende normen zoals bedoeld in titel VI, hoofdstuk I, van Verordening (EU) nr. HV/2012 en andere ter zake relevante voorschriften die bij de nationale wetgeving zijn vastgesteld. Deze ter zake relevante voorschriften worden in het programma omschreven.
Deze verbintenissen worden aangegegaan voor een verlengbare periode van één jaar.
-
3.De op oppervlakte of op kosten per eenheid gebaseerde betalingen worden jaarlijks toegekend om de landbouwers geheel of gedeeltelijk te vergoeden voor de extra kosten en de gederfde inkomsten die voortvloeien uit de aangegane verbintenissen.
In voorkomend geval kunnen de betalingen ook worden gebruikt ter dekking van transactiekosten ter waarde van maximaal 20 % van de premie die voor de dierenwelzijnsverbintenissen wordt betaald.
of meer bosmilieuverbintenissen. Er kan tevens steun worden verleend aan organisaties die bossen die in overheidsbezit zijn, beheren, op voorwaarde dat deze organisaties niet afhankelijk zijn van de overheidsbegroting.
Bosbedrijven boven een bepaalde, door de lidstaten in hun
plattelandsontwikkelingsprogramma's vast te stellen drempel, krijgen de in lid 1 bedoelde steun slechts indien zij een bosbeheersplan of een gelijkwaardig instrument dat in overeenstemming is met duurzaam bosbeheer, indienen.
-
2.De betalingen worden slechts toegekend voor verbintenissen die verder gaan dan de ter zake relevante dwingende voorschriften die zijn vastgesteld in de nationale bosbouwwetgeving of in andere ter zake relevante nationale wetgeving. Al deze voorschriften worden in het programma omschreven.
De verbintenissen worden aangegaan voor een periode van vijf tot zeven jaar. Indien dat nodig is en naar behoren wordt gemotiveerd, kunnen de lidstaten in hun plattelandsontwikkelingsprogramma's een langere periode vaststellen voor specifieke soorten verbintenissen.
-
3.De betalingen vergoeden de begunstigden geheel of gedeeltelijk voor de extra kosten en de gederfde inkomsten die voortvloeien uit de aangegane verbintenissen. Indien nodig kunnen zij ook transactiekosten tot een waarde van 20 % van de voor de bosmilieuverbintenissen betaalde premie dekken. De steun mag het in bijlage I vastgestelde maximumbedrag niet overschrijden.
-
4.De steun kan aan individuele of in een vereniging georganiseerde particuliere organisaties en gemeenten worden toegekend voor de instandhouding en de bevordering van genetische hulpbronnen op het gebied van bosbouw in het kader van niet onder de leden 1, 2 en 3 vallende concrete acties.
(c) de oprichting en werking van operationele groepen in het kader van het EIP voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw, zoals bedoeld in artikel 62.
-
2.De in lid 1 bedoelde samenwerking heeft met name betrekking op:
(a) proefprojecten;
(b) de ontwikkeling van nieuwe producten, praktijken, processen en technologieën in de landbouw-, de voedingsmiddelen- en de bosbouwsector;
(c) samenwerking tussen kleinschalige marktdeelnemers met als doel gemeenschappelijke werkprocedés te organiseren en voorzieningen en hulpbronnen te delen;
(d) horizontale en verticale samenwerking tussen actoren in de voorzieningsketen met het oog op de oprichting van logistieke platforms om korte voorzieningsketens en plaatselijke markten te stimuleren;
(e) afzetbevorderingsactiviteiten in een plaatselijke context met betrekking tot de ontwikkeling van korte voorzieningsketens en plaatselijke markten;
(f) gezamenlijke actie ter matiging van of ter aanpassing aan de klimaatverandering;
(g) collectieve benaderingen van milieuprojecten en geldende milieupraktijken;
(h) horizontale en verticale samenwerking tussen actoren in de voorzieningsketen in de duurzame productie van biomassa voor gebruik in voeding, energieproductie en industriële processen;
(i) de uitvoering, met name door andere dan de in artikel 28, lid 1, onder b), van Verordening
(EU) nr. [GSK/2012] omschreven publiekprivate
partnerschappen, van plaatselijke ontwikkelingsstrategieën waarin één of meer EU-prioriteiten voor plattelandsontwikkeling aan bod komen;
(a) kosten van studies van het betrokken gebied, kosten van haalbaarheidsstudies en kosten voor het opstellen van een bedrijfsplan of een bosbeheersplan of een gelijkwaardig instrument of van een andere dan de in artikel 29 van Verordening
(EU) nr. [GSK/2012] bedoelde plaatselijke
ontwikkelingsstrategie;
(b) dynamisering van het betrokken gebied met als doel een collectief territoriaal project haalbaar te maken. In het geval van clusters kan dynamisering tevens betrekking hebben op de organisatie van opleidingen, netwerkvorming tussen de leden en de werving van nieuwe leden;
(c) de beheerskosten die met de samenwerking gepaard gaan;
(d) de rechtstreekse kosten van specifieke projecten die verband houden met de uitvoering van een bedrijfsplan, een andere dan de in artikel 29 van Verordening
(EU) nr. [GSK/2012] bedoelde plaatselijke
ontwikkelingsstrategie of een innovatiegerichte actie;
(e) de kosten van afzetbevorderingsactiviteiten.
-
6.Wanneer een bedrijfsplan, een bosbeheersplan of een gelijkwaardig instrument, of een ontwikkelingsstrategie wordt uitgevoerd, kunnen de lidstaten de steun verlenen in de vorm van een forfaitair bedrag dat de kosten van de samenwerking en de kosten van de uitvoering van de projecten dekt, of kunnen zij steun verlenen die slechts de kosten van de samenwerking dekt en dan voor de uitvoering van de projecten gebruik maken van financiële middelen die beschikbaar zijn in het kader van andere maatregelen of andere fondsen.
-
7.Samenwerking tussen actoren die in verschillende regio's of lidstaten zijn gevestigd, komt eveneens in aanmerking voor steun.
Artikel 37
Risicobeheer
-
1.In het kader van deze maatregel wordt steun verleend voor:
(a) rechtstreeks aan de landbouwers betaalde bijdragen in premies om de oogst, de dieren en de planten te verzekeren tegen economische verliezen als gevolg van ongunstige weersomstandigheden en van dier- of plantenziekten of plagen;
(b) financiële bijdragen in onderlinge fondsen waaruit landbouwers financieel worden vergoed voor economische verliezen als gevolg van uitbraken van dier- of plantenziekten of milieuongevallen;
(c) financiële bijdragen in onderlinge fondsen die fungeren als
inkomensstabiliseringsinstrument en waaruit landbouwers wier inkomen ernstig is gedaald, worden vergoed.
-
2.Voor de toepassing van lid 1, onder b) en c), wordt onder "onderling fonds"
verstaan een door de lidstaten overeenkomstig de nationale wetgeving geaccrediteerd systeem dat de aangesloten landbouwers in de gelegenheid stelt zich te verzekeren en compensatiebetalingen te doen aan aangesloten landbouwers die als gevolg van de uitbraak van een dier- of plantenziekte of een milieuongeval economische verliezen of hebben geleden of wier inkomen ernstig is gedaald.
-
3.De lidstaten voorkomen overcompensatie door erop toe te zien dat de begunstigden naast de in het kader van deze maatregel verleende steun geen andere steun op grond van andere nationale of uniale steuninstrumenten of op grond van particuliere verzekeringsregelingen ontvangen. Bij de raming van het inkomensniveau van landbouwers wordt ook rekening gehouden met in het kader van het Europees Fonds
voor mondialisering33 (hierna "EFM") ontvangen rechtstreekse
dier- of plantenziekten of plagen of overeenkomstig Richtlijn 2000/29/EG vastgestelde maatregelen om een plantenziekte of plaag uit te roeien of in te dammen veroorzaakte verliezen die overeenstemmen met meer dan 30 % van de gemiddelde jaarproductie van de betrokken landbouwer in de laatste drie jaar of van de gemiddelde productie van drie van de laatste vijf jaren, de hoogste en de laagste productie niet meegerekend.
-
2.De bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat moet officieel erkennen dat ongunstige weersomstandigheden hebben geheerst of dat een dier- of plantenziekte of een plaag is uitgebroken.
De lidstaten stellen in voorkomend geval vooraf criteria vast op grond waarvan formele erkenning wordt geacht te zijn verleend.
-
3.De verzekeringsbetalingen zijn bestemd ter vergoeding van niet meer dan de totale kosten van de vervanging van de in lid 37, lid 1, onder a), bedoelde verliezen en zijn niet gekoppeld aan eisen inzake wat of hoeveel in de toekomst moet worden geproduceerd.
De lidstaten kunnen het bedrag van de voor steun in aanmerking komende premie koppelen aan een adequaat maximum.
-
4.De steun mag het in bijlage I vastgestelde maximale steunpercentage niet
overschrijden.
Artikel 39
Onderlinge fondsen voor dier- en plantenziekten en milieuongevallen
-
1.Om voor steun in aanmerking te komen, moet het onderlinge fonds:
(a) door de bevoegde autoriteit overeenkomstig de nationale wetgeving zijn geaccrediteerd;
(a) de administratieve kosten van de oprichting van onderlinge fondsen, met dien verstande dat zij over maximaal drie jaar worden gespreid en geleidelijk worden verlaagd;
(b) de bedragen die de onderlinge fondsen in de vorm van vergoedingen aan de landbouwers betalen. De financiële bijdragen mogen tevens betrekking hebben op rente voor commerciële leningen die het onderlinge fonds heeft afgesloten om de vergoeding voor landbouwers die zich in een crisissituatie bevinden, te betalen.
Initieel kapitaal wordt niet gefinancierd met openbare middelen.
-
4.Wat dierziekten betreft, wordt alleen financiële compensatie op grond van artikel 37, lid 1, onder b), toegekend voor de ziekten die zijn vermeld in de lijst van dierziekten die is opgesteld door de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE) en/of in de lijst van dierziekten die is opgenomen in de bijlage bij Beschikking 90/424/EEG.
-
5.De steun mag het in bijlage I vastgestelde maximale steunpercentage niet overschrijden.
De lidstaten kunnen de voor steun in aanmerking komende kosten beperken aan de hand van:
(a) maxima per fonds;
(b) adequate maxima per eenheid.
Artikel 40
Inkomensstabiliseringsinstrument
(c) beschikken over duidelijke voorschriften inzake de toewijzing van verantwoordelijkheid voor schulden.
-
3.De lidstaten stellen de voorschriften vast voor de oprichting en het beheer van de onderlinge fondsen, met name met betrekking tot de verlening van compensatiebetalingen aan landbouwers in crisissituaties en met betrekking tot het beheer en de monitoring van de naleving van deze voorschriften.
-
4.De in artikel 37, lid 1, onder c), bedoelde financiële bijdragen mogen slechts betrekking hebben op de bedragen die de onderlinge fondsen als vergoeding aan landbouwers betalen. De financiële bijdragen mogen tevens betrekking hebben op rente voor commerciële leningen die het onderlinge fonds heeft afgesloten om de vergoeding voor landbouwers die zich in een crisissituatie bevinden, te betalen.
Initieel kapitaal wordt niet gefinancierd met openbare middelen.
-
5.De steun mag het in bijlage I vastgestelde maximale steunpercentage niet
overschrijden.
Artikel 41
Regels inzake de uitvoering van de maatregelen
De Commissie stelt middels uitvoeringshandelingen regels vast inzake de uitvoering van de in deze sectie opgenomen maatregelen op het gebied van:
(a) procedures voor de selectie van de autoriteiten of de organisaties die bedrijfsadviesdiensten voor de landbouw en de bosbouw, bedrijfsbeheersdiensten en bedrijfsverzorgingsdiensten aanbieden, en op het gebied van de geleidelijke verlaging van de steun in het kader van de in artikel 16 bedoelde maatregel inzake adviesdiensten;
(e) de berekening van het steunbedrag voor concrete acties die in aanmerking komen voor steun op grond van meer dan één maatregel.
Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 91 bedoelde onderzoeksprocedure.
SECTIE 2
LEADER
Artikel 42
Plaatselijke groepen LEADER
-
1.Plaatselijke groepen mogen, naast de in artikel 30 van Verordening (EU) nr. [GSK/2012] bedoelde taken, ook extra taken uitvoeren die door de beheersautoriteit en/of het betaalorgaan aan hen zijn gedelegeerd.
-
2.Plaatselijke groepen kunnen het bevoegde betaalorgaan verzoeken om betaling van een voorschot wanneer het plattelandsontwikkelingsprogramma in deze mogelijkheid voorziet. Het bedrag van de voorschotten mag niet meer bedragen dan 50 % van de overheidssteun voor de werkings- en dynamiseringskosten.
Artikel 43
Voorbereidende steun
Artikel 44
Concrete samenwerkingsacties in het kader van LEADER
-
1.In het kader van artikel 31, onder c), van Verordening (EU) nr. [GSK/2012] wordt steun verleend voor:
(a) interterritoriale en transnationale samenwerkingsprojecten;
Onder "interterritoriale samenwerking" wordt verstaan samenwerking binnen een lidstaat. Onder "transnationale samenwerking" wordt verstaan samenwerking tussen gebieden in verscheidene lidstaten en met gebieden in derde landen.
(b) voorbereidende technische ondersteuning voor interterritoriale en
transnationale samenwerkingsprojecten, op voorwaarde dat de plaatselijke groepen kunnen aantonen van plan te zijn een concreet project uit te voeren.
-
2.Afgezien van andere plaatselijke groepen kunnen de partners van een plaatselijke groep in het kader van het ELFPO bestaan uit:
(a) een plaatselijk publiekprivaat partnerschap dat actief is in een ruraal gebied en dat binnen of buiten de Unie een plaatselijke ontwikkelingsstrategie uitvoert;
(b) een plaatselijk publiekprivaat partnerschap dat actief is in een niet-ruraal gebied en dat een plaatselijke ontwikkelingsstrategie uitvoert.
-
3.Wanneer de samenwerkingsprojecten niet door de plaatselijke groepen worden geselecteerd, stellen de lidstaten een regeling inzake doorlopende aanvragen voor samenwerkingsprojecten vast.
Zij maken uiterlijk twee jaar na de datum van de goedkeuring van hun plattelandsontwikkelingsprogramma's de nationale of regionale administratieve procedures voor de selectie van transnationale samenwerkingsprojecten bekend, alsmede een lijst van subsidiabele kosten.
-
2.De in artikel 31, onder d), van Verordening (EU) nr. [GSK/2012] bedoelde kosten van de dynamisering van het gebied zijn kosten van acties betreffende voorlichting over de plaatselijke ontwikkelingsstrategie en kosten die samenhangen met projectontwikkelingstaken.
-
3.De Commissie wordt ertoe gemachtigd overeenkomstig artikel 90 gedelegeerde handelingen aan te nemen met betrekking tot de vaststelling van de subsidiabele kosten van de in lid 2 bedoelde acties.
Hoofdstuk II
Voor verscheidene maatregelen geldende gemeenschappelijke
bepalingen
Artikel 46
Investeringen
-
1.Om voor ELFPO-steun in aanmerking te komen, moeten de concrete investeringsacties worden voorafgegaan door een beoordeling van de verwachte milieueffecten overeenkomstig wetgeving die specifiek is voor deze soort investering, in gevallen waarin de investering waarschijnlijk nadelige gevolgen zal hebben voor het milieu.
-
2.Uitsluitend de volgende uitgaven worden als subsidiabel beschouwd:
(a) uitgaven voor de bouw, verwerving, inclusief leasing, of verbetering van onroerende goederen;
(b) uitgaven voor de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties, met inbegrip van computerprogrammatuur, tot maximaal de marktwaarde van de activa;
landbouwproductiepotentieel zoals bedoeld in artikel 19, onder 1, onder b), kunnen de uitgaven voor aankoop van dieren als subsidiabele uitgaven worden beschouwd.
-
5.De begunstigden van investeringsgerelateerde steun kunnen de bevoegde betaalorganen verzoeken om betaling van een voorschot ten bedrage van maximaal 50% van de investeringsgerelateerde overheidssteun, indien die optie in het plattelandsontwikkelingsprogramma is opgenomen.
-
6.De Commissie wordt ertoe gemachtigd overeenkomstig artikel 90 gedelegeerde handelingen aan te nemen met betrekking tot de voorwaarden waaronder andere kosten in verband met leasingcontracten, tweedehands materieel en gewone vervangingsinvesteringen als subsidiabele uitgaven kunnen worden beschouwd.
Artikel 47
Voorschriften inzake areaalgerelateerde betalingen
-
1.Het aantal hectaren waarop een op grond van artikel 29, 30 of 35 bedoelde aangegane verbintenis van toepassing is, kan van jaar tot jaar verschillen op voorwaarde dat:
(a) deze mogelijkheid in het plattelandsontwikkelingsprogramma is opgenomen;
(b) de betrokken verbintenis niet van toepassing is op vaste percelen; en
(c) de verwezenlijking van de met de verbintenis verbonden doelstelling niet in gevaar komt.
-
2.Wanneer hetzij het onder een verbintenis vallende volledige areaal, of een deel ervan, hetzij het hele bedrijf aan een andere persoon wordt overgedragen gedurende de looptijd van een verbintenis die is aangegaan als voorwaarde voor de verlening van steun, kan de verbintenis voor de resterende looptijd door die andere persoon worden overgenomen of kan zij vervallen.
Artikel 48
Herzieningsclausule
Er wordt een herzieningsclausule vastgesteld die ervoor moet zorgen dat op grond van de artikelen 29, 30, 34 en 35 ondernomen concrete acties, in het kader waarvan verbintenissen zijn aangegaan die verder gaan dan de in die artikelen bedoelde dwingende normen, vereisten of verplichtingen, worden aangepast wanneer de betrokken dwingende normen, vereisten of verplichtingen worden gewijzigd. In op grond van de artikelen 29, 30 en 35 ondernomen concrete acties die zich over een periode uitstrekken die de lopende programmeringsperiode overschrijdt, wordt een herzieningsclausule opgenomen die ervoor moet zorgen dat deze verbintenissen kunnen worden aangepast aan het voor de volgende programmeringsperiode geldende rechtskader.
Indien de begunstigde deze aanpassing niet aanvaardt, loopt de verbintenis af.
Artikel 49
Selectie van de projecten
-
1.De voor het plattelandsontwikkelingsprogramma bevoegde beheersautoriteit stelt na overleg met het monitoringcomité criteria vast voor de selectie van concrete acties in het kader van alle maatregelen. De selectiecriteria staan borg voor de gelijke behandeling van de aanvragers, voor een beter gebruik van de financiële middelen en voor het afstemmen van de maatregelen overeenkomstig de EU- prioriteiten voor plattelandsontwikkeling. Bij de vaststelling van de selectiecriteria wordt het evenredigheidsbeginsel toegepast wanneer er sprake is van kleine subsidies.
-
2.De voor de selectie van de projecten bevoegde autoriteit van de lidstaat ziet erop toe dat de projecten worden geselecteerd overeenkomstig de in lid 1 bedoelde selectiecriteria en overeenkomstig een transparante en goed gedocumenteerde procedure. Op in de artikelen 29 tot en met 32 en de artikelen 34 en 35 bedoelde maatregelen hoeven geen selectiecriteria te worden toegepast, behalve wanneer onvoldoende financiële middelen beschikbaar zijn om aan de aanvragen van alle subsidiabele aanvragers tegemoet te komen.
Hoofdstuk III
Technische ondersteuning en netwerkvorming
Artikel 51
Financiering van de technische ondersteuning
-
1.Overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EU) nr. HV/2012, kan het ELFPO tot 0,25 % van zijn jaarlijkse toewijzing gebruiken om op initiatief en/of namens de Commissie de in artikel 51 van Verordening (EU) nr. [GSK/2012], bedoelde taken inclusief de kosten voor de oprichting en de werking van het in artikel 52 bedoelde Europees netwerk voor plattelandsontwikkeling, het in artikel 53 bedoelde EIP- netwerk en het in artikel 54 bedoelde Europees evaluatienetwerk voor plattelandsontwikkeling.
Ook de in artikel 41, lid 2, van Verordening (EU) nr. XXXX/XXXX [kwaliteitsverordening] bedoelde acties in verband met de vermeldingen en symbolen in het kader van de EU-kwaliteitsregeling mogen uit het ELFPO worden
gefinancierd.
Deze acties worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 53, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 en andere bepalingen van die verordening en van de uitvoeringsbepalingen daarvan die gelden voor de betrokken vorm van uitvoering van de begroting.
-
2.Op de in lid 1 bedoelde toewijzing wordt een som van 30 miljoen euro uitgetrokken voor de financiering van de in artikel 56 bedoelde prijs voor innovatieve plaatselijke samenwerking.
Artikel 52
Europees netwerk voor plattelandsontwikkeling
-
1.Overeenkomstig artikel 51, lid 1, wordt een Europees netwerk voor plattelandsontwikkeling opgericht om op EU-niveau een netwerk te vormen van de op het gebied van plattelandsontwikkeling werkzame nationale netwerken, organisaties en overheidsdiensten.
-
2.De netwerkvorming via het Europees netwerk voor plattelandsontwikkeling heeft tot doel:
(a) de betrokkenheid van belanghebbende partijen bij de tenuitvoerlegging van de plattelandsontwikkeling te vergroten;
(b) de kwaliteit van de plattelandsontwikkelingsprogramma's te verbeteren;
(c) een rol te spelen in de voorlichting van het grote publiek over de baten van een plattelandsontwikkelingsbeleid.
-
3.Het netwerk heeft tot taak:
(a) informatie over acties op het gebied van plattelandsontwikkeling te verzamelen, te analyseren en te verspreiden;
(b) goede praktijken op het gebied van plattelandsontwikkeling op EU-niveau te verzamelen, te consolideren en te verspreiden;
(c) thematische groepen en/of workshops op te zetten en te beheren met als doel de uitwisseling van deskundigheid te vergemakkelijken en de uitvoering, monitoring en verdere ontwikkeling van het plattelandsontwikkelingsbeleid te ondersteunen;
netwerkvorming en technische ondersteuning, met name op het gebied van de activiteiten van deze organisaties met het oog op plaatselijke ontwikkeling en transnationale samenwerking.
-
4.De Commissie stelt middels uitvoeringshandelingen de organisatiestructuur en de werking van het Europese netwerk voor plattelandsontwikkeling vast. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 91 bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 53
EIP-netwerk
-
1.Het EIP-netwerk wordt overeenkomstig artikel 51, lid 1, ingevoerd ter ondersteuning van het in artikel 61 bedoelde EIP voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw. Het maakt de vorming van een netwerk van operationele groepen, adviesdiensten en onderzoekers mogelijk.
-
2.Het EIP-netwerk heeft tot taak:
(a) een helpdeskfunctie ter beschikking te stellen en belangrijke actoren informatie over het EIP te verstrekken;
(b) discussies op gang te brengen op het niveau van het programma teneinde de oprichting van operationele groepen aan te moedigen;
(c) onderzoeksresultaten en kennis die betrekking hebben op het EIP, te screenen en er verslag over uit te brengen;
(d) goede praktijken met betrekking tot innovatie te verzamelen, consolideren en verspreiden;
-
2.Het doel van het Europees evaluatienetwerk voor plattelandsontwikkeling bestaat erin de uitwisseling van deskundigheid en goede praktijken op het gebied van evaluatiemethoden te vergemakkelijken, evaluatiemethoden en -instrumenten te ontwikkelen, steun te verlenen inzake evaluatieprocessen en op het gebied van gegevensverzameling- en beheer.
-
3.De Commissie stelt middels uitvoeringshandelingen de organisatiestructuur en de werking van het Europees evaluatienetwerk voor plattelandsontwikkeling vast. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 91 bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 55
ationaal netwerk voor het platteland
-
1.Elke lidstaat richt een nationaal netwerk voor het platteland op dat de bij de plattelandsontwikkeling betrokken organisaties en overheidsdiensten samenbrengt. Het in artikel 4 van Verordening (EU) nr. [GSK/2012] bedoelde partnerschap maakt ook deel uit van het nationaal netwerk voor het platteland.
Lidstaten met regionale programma's mogen een specifiek programma voor het opzetten en het functioneren van hun nationale netwerk voor het platteland ter
goedkeuring voorleggen.
-
2.De netwerkvorming door het nationale netwerk voor het platteland heeft tot doel:
(a) de betrokkenheid van belanghebbende partijen bij de tenuitvoerlegging van het plattelandsontwikkelingsbeleid te vergroten;
(b) de kwaliteit van de plattelandsontwikkelingsprogramma's te verbeteren;
(c) het grote publiek en potentiële begunstigden voor te lichten over het plattelandsontwikkelingsbeleid;
-
monitoringcomités. Plaatselijke groepen worden bij de monitoring en evaluatie van de plaatselijke ontwikkelingsstrategieën ook ondersteund door het nationale netwerk voor het platteland;
-
iv)voorzien van opleidingsactiviteiten ten behoeve van organen die de programma's uitvoeren en van plaatselijke groepen in oprichting;
-
v)verzameling van voorbeelden van projecten die alle prioriteiten van de programma's voor plattelandsontwikkeling beslaan;
-
vi)lopende onderzoeken en analysen;
-
vii)netwerkvormingsactiviteiten voor plaatselijke groepen en met name
technische ondersteuning voor interterritoriale en transnationale samenwerking, het faciliteren van samenwerking tussen plaatselijke groepen en het zoeken naar partners voor de in artikel 36 bedoelde maatregel;
-
viii)facilitering van uitwisselingen van praktijken en ervaring tussen
adviseurs en/of adviesdiensten;
-
ix)netwerkvormingsactiviteiten ten behoeve van innovatie;
-
x)een communicatieplan voor onder meer publiciteit en voorlichting over het
plattelandsontwikkelingsprogramma in overleg met de
beheersautoriteiten, en op een breed publiek gerichte voorlichtings- en communicatieactiviteiten;
-
xi)bepalingen om deel te nemen en bij te dragen aan de activiteiten van het Europees netwerk voor plattelandsontwikkeling;
(c) voor de oprichting van een preselectiecommissie van onafhankelijke deskundigen en voor het preselectieproces van aanvragen voor de in artikel 58, lid 2, bedoelde prijs voor innovatieve, plaatselijke samenwerking.
verschillende lidstaten gevestigde entiteiten zijn betrokken die een innovatief plaatselijk concept verwezenlijken.
Artikel 57
Oproep tot het indienen van voorstellen
-
1.Ten laatste vanaf 2015 en elk jaar daarna doet de Commissie een oproep tot het indienen van voorstellen met het oog op de toekenning van de in artikel 56 bedoelde prijs. De laatste oproep tot het indienen van voorstellen wordt uiterlijk in 2019 gedaan.
-
2.In de oproep tot het indienen van voorstellen wordt een thema voor de voorstellen aangegeven
dat samenhangt met een van de EU-prioriteiten voor
plattelandsontwikkeling. Het thema is ook geschikt voor uitvoering via samenwerking op transnationaal niveau.
-
3.De oproep tot het indienen van voorstellen staat open voor zowel plaatselijke groepen als voor afzonderlijke entiteiten die samenwerken ten behoeve van het specifieke project.
Artikel 58
Selectieprocedure
-
1.Aanvragen voor de prijs worden door aanvragers in alle lidstaten ingediend bij het respectieve nationale netwerk voor het platteland, dat belast is met de preselectie van de inschrijvingen.
-
2.Nationale netwerken voor het platteland stellen uit hun leden een preselectiecommissie van onafhankelijke deskundigen samen om aanvragen te preselecteren. De preselectie van aanvragen geschiedt op basis van de in de oproep tot het indienen van voorstellen vastgestelde uitsluitings-, selectie- en gunningscriteria. Elk nationaal netwerk voor het platteland preselecteert niet meer dan 10 aanvragen en zendt deze door aan de Commissie.
Artikel 59
Financiële prijs voorwaarden en betaling
-
1.Projecten komen enkel in aanmerking voor de prijs indien zij kunnen worden voltooid binnen twee jaar na de datum van de vaststelling van de uitvoeringshandeling waarbij de prijs wordt toegekend. Het tijdskader voor de verwezenlijking van het project wordt beschreven in de aanvraag.
-
2.De prijs wordt toegekend in de vorm van een forfaitair bedrag. Het bedrag van de betaling wordt door de Commissie bepaald middels uitvoeringshandelingen, overeenkomstig de in de oproep tot het indienen van voorstellen vastgestelde criteria en rekening houdend met de in de aanvraag aangegeven geraamde kosten van de verwezenlijking van het project. De maximumprijs per project bedraagt 100 000 euro.
-
3.De lidstaten betalen de prijs aan de winnende aanvragers nadat zij hebben geverifieerd dat het project is voltooid. De desbetreffende uitgaven worden door de Unie terugbetaald aan de lidstaten overeenkomstig de bepalingen van titel IV, hoofdstuk II, sectie 4, van Verordening (EU) nr. HV/2012. De lidstaten mogen besluiten om het bedrag van de prijs geheel of gedeeltelijk aan de winnende aanvragers te betalen vóór zij hebben geverifieerd dat het project is voltooid, maar zij dragen in dit geval de verantwoordelijkheid voor de uitgaven tot de voltooiing van het project is geverifieerd.
Artikel 60
Voorschriften inzake de procedure, tijdschema's en de oprichting van de stuurgroep
De Commissie stelt middels uitvoeringshandelingen nadere bepalingen vast inzake de procedure en de tijdschema's voor de selectie van projecten en regels inzake de oprichting van de in artikel 58, lid 3, bedoelde stuurgroep van onafhankelijke deskundigen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 91 bedoelde onderzoeksprocedure.
TITEL IV
EIP voor de productiviteit en duurzaamheid in de
landbouw
Artikel 61
Doel
-
1.Het EIP voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw
(a) bevordert een hulpbronnenefficiënte, productieve, emissiearme en
klimaatvriendelijke en -bestendige landbouwsector, die harmonieus gebruik maakt van de essentiële natuurlijke hulpbronnen waarvan de landbouw afhankelijk is;
(b) helpt te zorgen voor een constante voorziening met zowel bestaande als nieuwe levensmiddelen, voeders en biomaterialen;
(c) verbetert processen ter behoud van het milieu en ter aanpassing aan en matiging van de klimaatverandering;
(d) slaat bruggen tussen kennis en technologie met betrekking tot het meest geavanceerde
onderzoek enerzijds en landbouwers, bedrijven en
adviesdiensten anderzijds.
-
2.Het EIP voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw tracht zijn doelstellingen te halen door
(a) toegevoegde waarde te creëren door het onderzoek en de landbouwpraktijk beter op elkaar af te stemmen en het op bredere schaal gebruiken van beschikbare innovatiemaatregelen aan te moedigen;
Artikel 62
Operationele groepen
-
1.De operationele groepen van het EIP maken deel uit van het EIP voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw. Zij worden opgericht door belanghebbende actoren zoals landbouwers, onderzoekers, adviseurs en bedrijven die betrokken zijn bij de landbouw- en voedingssector.
-
2.De operationele groepen van het EIP stellen interne procedures vast die hun transparante werking garanderen en belangenconflicten voorkomen.
Artikel 63
Taken van de operationele groepen
-
1.De operationele groepen van het EIP stellen een plan op dat het volgende omvat:
(a) een beschrijving van het te ontwikkelen, te testen, aan te passen of uit te voeren innovatieve project;
(b) een beschrijving van de verwachte resultaten en de bijdrage aan de EIP- doelstelling om de productiviteit en het duurzame beheer van hulpbronnen te verbeteren.
-
2.Bij het uitvoeren van hun innovatieve projecten:
(a) nemen de operationele groepen besluiten over de uitwerking en de uitvoering van innovatieve acties; en
(b) voeren zij innovatieve acties uit via door de programma's voor plattelandsontwikkeling gefinancierde maatregelen.
TITEL V
Financiële bepalingen
Artikel 64
Middelen en de verdeling ervan
-
1.Het totale bedrag van de steun van de Unie voor plattelandsontwikkeling in het kader van deze verordening voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020, de jaarlijkse verdeling ervan en het op minder ontwikkelde regio's te concentreren minimumbedrag worden vastgesteld door het Europees Parlement en de Raad, op voorstel van de Commissie, overeenkomstig het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014 tot en met 2020 en het Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer
34 voor
dezelfde periode.
-
2.Van de in lid 1 genoemde middelen wordt 0,25 % bestemd voor de technische ondersteuning voor de Commissie als bedoeld in artikel 51, lid 1.
-
3.Voor de programmering van de in lid 1 genoemde bedragen en de daaropvolgende opvoering ervan op de algemene begroting van de Unie worden die bedragen met 2% per jaar geïndexeerd.
-
4.Door de Commissie wordt middels een uitvoeringshandeling een verdeling per lidstaat en per jaar verricht van de in lid 1 genoemde bedragen, na aftrek van het in lid 2 genoemde bedrag en rekening houdend met de in artikel 14, lid 2, van Verordening (EU) nr. RB/2012 bedoelde overdracht van middelen. Bij het maken van de jaarlijkse verdeling houdt de Commissie rekening met:
Artikel 65
Bijdrage uit het fonds
-
1.In het besluit tot goedkeuring van een plattelandsontwikkelingsprogramma wordt de maximumbijdrage uit het ELFPO aan het programma vastgesteld. In voorkomend geval worden de kredieten die worden toegewezen aan minder ontwikkelde regio's, in de beschikking duidelijk als zodanig vermeld.
-
2.De bijdrage uit het ELFPO wordt berekend op basis van het bedrag aan subsidiabele overheidsuitgaven.
-
3.De plattelandsontwikkelingsprogramma's stellen één procentuele ELFPO-bijdrage vast die op alle maatregelen van toepassing is. Waar van toepassing wordt een afzonderlijke procentuele ELFPO-bijdrage vastgesteld voor de minder ontwikkelde regio's en voor de ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee in de zin van Verordening (EEG) nr. 2019/93. De maximale procentuele ELFPO- bijdrage bedraagt:
(a) 85 % van de subsidiabele overheidsuitgaven in de minder ontwikkelde regio's en in de ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee in de zin van Verordening (EEG) nr. 2019/93;
(b) 50 % van de subsidiabele overheidsuitgaven in de overige regio's.
De minimale procentuele ELFPO-bijdrage bedraagt 20%.
-
4.In afwijking van lid 3 bedraagt de maximale procentuele ELFPO-bijdrage:
(a) 80 % voor de in de artikelen 15, 28 en 36 bedoelde maatregelen, voor de in artikel 28 van Verordening (EU) nr. [GSK/2012] bedoelde plaatselijke ontwikkeling in het kader van LEADER en voor acties overeenkomstig artikel 20, lid 1, onder a), punt i). Ze kan worden verhoogd tot 90 % voor de programma's van de minder ontwikkelde regio's, de ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee in de zin van Verordening (EEG) nr. 2019/93;
Artikel 66
Financiering voor concrete acties met een significante bijdrage aan innovatie
De overeenkomstig artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) nr. RB/2012 aan het ELFPO overgedragen middelen worden voorbehouden voor concrete acties die een significante bijdrage leveren aan innovatie met betrekking tot de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw, met inbegrip van de matiging van of de aanpassing aan de klimaatverandering.
Artikel 67
Subsidiabiliteit van de uitgaven
-
1.In afwijking van artikel 55, lid 7, van Verordening (EG) nr. [GSK/2012]] kan er in de programma's voor plattelandsontwikkeling in het geval van noodmaatregelen wegens natuurrampen in worden voorzien dat wijzigingen in het programma subsidiabel zijn vanaf de datum waarop de natuurramp zich heeft voorgedaan.
-
2.Uitgaven komen slechts voor een bijdrage uit het ELFPO in aanmerking indien zij worden gedaan voor concrete acties waartoe door of onder verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit van het betrokken programma is besloten, overeenkomstig de in artikel 49 bedoelde selectiecriteria.
Met uitzondering van algemene kosten zoals omschreven in artikel 46, lid 2, onder c), worden met betrekking tot concrete investeringsacties in het kader van maatregelen die binnen het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag vallen, enkel uitgaven die zijn gedaan nadat bij de bevoegde autoriteit een aanvraag is ingediend, als subsidiabel beschouwd.
De lidstaten kunnen in hun programma's bepalen dat enkel uitgaven die zijn gedaan nadat de steunaanvraag door de bevoegde autoriteit is goedgekeurd, subsidiabel zijn.
(b) personeelskosten,
(c) opleidingskosten,
(d) kosten met betrekking tot public relations,
(e) financiële kosten,
(f) netwerkkosten.
-
2.Uitgaven voor studies zijn enkel subsidiabel indien de studies verband houden met een specifieke concrete actie in het kader van het programma of met de specifieke doelstellingen en streefdoelen van het programma.
-
3.Bijdragen in natura in de vorm van de verstrekking van werken, goederen, diensten, land en onroerend goed waarvoor geen door facturen of documenten met vergelijkbare bewijskracht gestaafde contante betaling is gedaan, kunnen voor steun in aanmerking komen voor zover aan de voorwaarden van artikel 59 van Verordening (EU) nr. [GSK/2012] is voldaan.
-
4.Indirecte kosten komen in aanmerking voor steun in het kader van de in de artikelen 15, 16, 19, 21, 25 en 36 bedoelde maatregelen.
Artikel 69
Verifieerbaarheid en controleerbaarheid van de maatregelen
-
1.De lidstaten zorgen ervoor dat alle maatregelen voor plattelandsontwikkeling die zij voornemens zijn uit te voeren, verifieerbaar en controleerbaar zijn. Met het oog daarop
dienen de beheersautoriteit en het betaalorgaan van elk
plattelandsontwikkelingsprogramma een beoordeling vooraf in van de
verifieerbaarheid en controleerbaarheid van de in het
Artikel 70
Voorschotten
-
1.Voorschotten worden pas betaald wanneer een bankgarantie of een gelijkwaardige garantie ten belope van 100 % van het voor te schieten bedrag is gesteld. Van de publiekrechtelijke begunstigden mogen gemeenten, regionale instanties en verenigingen daarvan en publiekrechtelijke lichamen voorschotten ontvangen.
Een door een overheidsinstantie ter beschikking gestelde garantiefaciliteit wordt beschouwd als gelijkwaardig aan de in de eerste alinea bedoelde garantie indien de instantie zich ertoe verbindt het door die garantie gedekte bedrag te betalen wanneer geen recht op betaling van het voorschot wordt vastgesteld.
TITEL VI
Beheer, controle en publiciteit
Artikel 71
Verantwoordelkheden van de Commissie
Om in het kader van het gedeelde beheer voor een goed financieel beheer zoals bedoeld in artikel 317 van het Verdrag te zorgen, voert de Commissie de in Verordening (EU) nr. HV/2012 genoemde maatregelen en controles uit.
Artikel 72
Verantwoordelijkheden van de lidstaten
-
1.De lidstaten stellen overeenkomstig artikel 60, lid 1, van Verordening (EU) nr. HV/2012 alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om een doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de Unie te waarborgen.
-
2.De lidstaten wijzen voor elk programma voor plattelandsontwikkeling de volgende autoriteiten aan:
(a) de beheersautoriteit, die een op nationaal of regionaal niveau werkende overheids- of particuliere instantie kan zijn, of de lidstaat zelf wanneer die taak door hem wordt verricht, die wordt belast met het beheer van het betrokken programma;
(b) het erkende betaalorgaan in de zin van artikel 7 van Verordening (EU) nr. HV/2012;
Artikel 73
Beheersautoriteit
-
1.De beheersautoriteit is ervoor verantwoordelijk dat het programma op doelmatige, doeltreffende en correcte wijze wordt beheerd en ten uitvoer wordt gelegd, en ziet
er met name op toe dat:
(a) er een geschikt elektronisch systeem is voor het registreren, bijhouden, beheren en rapporteren van statistische informatie over het programma en de uitvoering ervan met het oog op monitoring en evaluatie, en met name informatie die nodig is om de voortgang naar de vastgestelde doelstellingen en prioriteiten te monitoren;
(b) de Commissie op kwartaalbasis relevante indicatorgegevens ontvangt over de voor financiering geselecteerde concrete acties, met inbegrip van de belangrijke kenmerken van de begunstigde en het project;
(c) de begunstigden en de andere bij de tenuitvoerlegging van concrete acties betrokken instanties:
-
i)worden geïnformeerd over hun verplichtingen die uit de toegekende steun voortvloeien, en voor alle transacties betreffende de concrete actie hetzij een afzonderlijk boekhoudsysteem, hetzij een passende boekhoudkundige code gebruiken;
-
ii)op de hoogte zijn van de eisen inzake de verstrekking van gegevens aan de beheersautoriteit en inzake de registratie van de output en de resultaten;
(d) de in artikel 48 van Verordening (EU) nr. [GSK/2012] bedoelde voorafgaande evaluatie strookt met het evaluatie- en monitoringsysteem en dat deze wordt aanvaard en ingediend bij de Commissie;
-
procedures en de verrichte controles ontvangt, voordat de betalingsopdrachten worden gegeven;
(i) bekendheid wordt gegeven aan het programma, onder meer via het nationale netwerk
voor het platteland, door potentiële begunstigden,
beroepsorganisaties, de economische en sociale partners, organisaties voor de bevordering van gelijke kansen voor mannen en vrouwen en de betrokken niet-gouvernementele organisaties te informeren over de door het programma geboden mogelijkheden en over de wijze waarop gebruik kan worden gemaakt van de financiering in het kader van het programma, alsook door de begunstigden van de bijdrage van de Unie en het brede publiek te informeren over de rol van de Unie in het programma.
-
2.De lidstaat of de beheersautoriteit mag een of meer intermediaire organen aanwijzen, met inbegrip van plaatselijke autoriteiten, organen voor regionale ontwikkeling of niet-gouvernementele organisaties, voor het beheer en de uitvoering van de concrete acties voor plattelandsontwikkeling.
Indien een deel van de taken van de beheersautoriteit wordt gedelegeerd aan een andere instantie, blijft de beheersautoriteit volledig verantwoordelijk voor de doelmatigheid en de correctheid van het beheer en de uitvoering van die taken. De beheersautoriteit zorgt ervoor dat er passende bepalingen zijn om de andere instantie in staat te stellen alle nodige gegevens en informatie voor de uitvoering van deze taken te verkrijgen.
-
3.Wanneer een thematisch subprogramma als bedoeld in artikel 8 is opgenomen in het plattelandsontwikkelingsprogramma, mag de beheersautoriteit een of meer intermediaire organen, waaronder plaatselijke autoriteiten, plaatselijke groepen of niet-gouvernementele organisaties, aanwijzen voor het beheer en de uitvoering van de strategie. Lid 2 is in dit geval van toepassing.
De beheersautoriteit zorgt ervoor dat acties en outputs van dit thematische subprogramma afzonderlijk worden geïdentificeerd voor de toepassing van het in artikel 74 bedoelde monitoring- en evaluatiesysteem.
TITEL VII
Monitoring en evaluatie
Hoofdstuk I
Algemene bepalingen
SECTIE 1
INVOERING EN DOELSTELLINGEN VAN EEN MONITORING- EN
EVALUATIESYSTEEM
Artikel 74
Monitoring- en evaluatiesysteem
Overeenkomstig deze titel wordt in samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten een gemeenschappelijk monitoring- en evaluatiesysteem ingevoerd en door de Commissie vastgesteld middels overeenkomstig de in artikel 91 bedoelde onderzoeksprocedure vastgestelde uitvoeringshandelingen.
Artikel 75
Doelstellingen
Het monitoring- en evaluatiesysteem heeft tot doel:
SECTIE 2
TECHNISCHE BEPALINGEN
Artikel 76
Gemeenschappelijke indicatoren
-
1.Om aggregatie van gegevens op het niveau van de Unie mogelijk te maken wordt in het in artikel 74 bedoelde monitoring- en evaluatiesysteem een lijst vastgesteld van gemeenschappelijke indicatoren die betrekking hebben op zowel de uitgangssituatie als de financiële uitvoering, de outputs, de resultaten en de effecten van het programma en die op elk programma toepasbaar zijn.
-
2.De gemeenschappelijke indicatoren zijn gekoppeld aan de structuur en de doelstellingen van het beleidskader voor plattelandsontwikkeling en maken het mogelijk de vorderingen, de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de uitvoering van het beleid te beoordelen in het licht van de doelstellingen en streefdoelen op het niveau van de Unie, de lidstaat en het programma.
Artikel 77
Elektronisch informatiesysteem
-
1.Belangrijke informatie over de uitvoering van het programma, over elke voor financiering geselecteerde concrete actie alsook over voltooide concrete acties, die nodig is voor monitoring en evaluatie, met inbegrip van belangrijke kenmerken van de begunstigde en het project, wordt elektronisch geregistreerd en bijgehouden.
Hoofdstuk II
Monitoring
Artikel 79
Monitoringprocedures
-
1.De beheersautoriteit en het in artikel 41 van Verordening (EU) nr. [GSK/2012] bedoelde monitoringcomité zien toe op de kwaliteit van de tenuitvoerlegging van het programma.
-
2.De beheersautoriteit en het monitoringcomité verrichten de monitoring van elk programma voor plattelandsontwikkeling met behulp van financiële, output- en
doelindicatoren.
Artikel 80
Monitoringcomité
Lidstaten met regionale programma's kunnen een nationaal monitoringcomité oprichten om de uitvoering van deze programma's te coördineren in het licht van het nationale kader en het gebruik van financiële middelen.
Artikel 81
Verantwoordelijkheden van het monitoringcomité
(e) het bestudeert de jaarlijkse uitvoeringsverslagen en keurt deze goed voordat ze aan de Commissie worden toegezonden.
Artikel 82
Jaarlijks uitvoeringsverslag
-
1.Uiterlijk op 31 mei 2016 en 31 mei van elk daaropvolgend jaar tot en met 2023 dient de lidstaat bij de Commissie een jaarlijks uitvoeringsverslag in over de uitvoering van het plattelandsontwikkelingsprogramma in het vorige kalenderjaar. Het in 2016 ingediende verslag heeft betrekking op de kalenderjaren 2014 en 2015.
-
2.Onverminderd het bepaalde in artikel 44 van Verordening (EU) nr. [GSK/2012] bevatten de jaarlijkse uitvoeringsverslagen gegevens over onder meer financiële verbintenissen en uitgaven per maatregel en een samenvatting van de met betrekking tot het evaluatieplan ondernomen activiteiten.
-
3.Onverminderd het bepaalde in artikel 44 van Verordening (EU) nr. [GSK/2012], bevat het in 2017 ingediende jaarlijkse uitvoeringsverslag ook een beschrijving van de uitvoering van alle in het programma opgenomen subprogramma's, een beoordeling van de vorderingen die zijn gemaakt wat betreft het zorgen voor een geïntegreerde aanpak voor het gebruik van het ELFPO en andere financiële instrumenten van de EU om de territoriale ontwikkeling van plattelandsgebieden te steunen, onder meer door plaatselijke ontwikkelingsstrategieën, en de bevindingen met betrekking tot het halen van de streefdoelen voor elke in het plattelandsprogramma opgenomen prioriteit.
-
4.Onverminderd het bepaald in artikel 44 van Verordening (EU) nr. [GSK/2012] bevat het in 2019 ingediende jaarlijkse uitvoeringsverslag ook een beschrijving van de uitvoering van alle in het programma opgenomen subprogramma's en een beoordeling van de vorderingen die zijn gemaakt wat betreft het zorgen voor een geïntegreerde aanpak voor het gebruik van het ELFPO en andere financiële instrumenten van de EU om de territoriale ontwikkeling van plattelandsgebieden te steunen, onder meer door plaatselijke ontwikkelingsstrategieën.
Hoofdstuk III
Evaluatie
Artikel 83
Algemene bepalingen
-
1.De Commissie stelt middels uitvoeringshandelingen de elementen vast die moeten worden opgenomen in de verslagen van de in de artikelen 48 en 50 van Verordening (EU) nr. [GSK/2012] bedoelde voorafgaande evaluaties en evaluaties achteraf en stelt de minimumeisen voor het in artikel 49 van Verordening (EU) nr. [GSK/2012] bedoelde evaluatieplan vast. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 91 bedoelde onderzoeksprocedure.
-
2.De lidstaten zorgen ervoor dat de evaluaties in overeenstemming zijn met de overeenkomstig artikel 74 overeengekomen gemeenschappelijke evaluatieaanpak, organiseren de productie en vergaring van de nodige gegevens en verstrekken de verschillende gegevens die het monitoringsysteem oplevert aan de evaluatoren.
-
3.De evaluatieverslagen worden door de lidstaten ter beschikking gesteld op internet en door de Commissie op de website van de Unie.
Artikel 84
Voorafgaande evaluatie
De lidstaten zorgen ervoor dat de evaluator die de voorafgaande evaluatie uitvoert, vanaf een vroeg stadium bij het ontwikkelingsproces van het plattelandsontwikkelingsprogramma is betrokken, met inbegrip van de ontwikkeling van de in artikel 9, lid 1, onder b), bedoelde analyse, het ontwerp van de interventieaanpak van het programma en de vaststelling van de streefdoelen van het programma.
Artikel 86
Samenvattingen van evaluaties
Onder verantwoordelijkheid van de Commissie worden op het niveau van de Unie samenvattingen van de voorafgaande evaluaties en de evaluaties achteraf opgesteld.
De samenvattingen van de evaluatieverslagen worden uiterlijk op 31 december van het jaar na de indiening van de desbetreffende evaluaties voltooid.
TITEL VIII
Bepalingen inzake concurrentie
Artikel 87
Voorschriften voor ondernemingen
Steun in het kader van deze verordening die aan vormen van samenwerking tussen ondernemingen wordt verleend, wordt enkel verleend aan die vormen van samenwerking tussen ondernemingen welke voldoen aan de concurrentieregels zoals die gelden krachtens de artikelen 143 tot en met 145 van Verordening (EU) nr. sCMO/2012 van het Europees Parlement en de Raad.
Artikel 88
Staatssteun
-
1.Tenzij in deze titel anders is bepaald, zijn de artikelen 107, 108 en 109 van het Verdrag van toepassing op steun voor plattelandsontwikkeling door de lidstaten.
-
2.De artikelen 107, 108 en 109 van het Verdrag zijn niet van toepassing op betalingen die door de lidstaten worden gedaan op grond van en in overeenstemming met deze verordening, of op in artikel 89 bedoelde aanvullende nationale financiering, aangezien die binnen de werkingssfeer van artikel 42 van het Verdrag vallen.
TITEL IX
Bevoegdheden van de Commissie,
gemeenschappelijke bepalingen en overgangs- en
slotbepalingen
Hoofdstuk I
Bevoegdheden van de Commissie
Artikel 90
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
-
1.De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel vastgestelde voorwaarden.
-
2.De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen als bedoeld in deze verordening wordt voor onbepaalde duur aan de Commissie overgedragen vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze verordening.
-
3.De in deze verordening bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan op elk moment door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking maakt een einde aan de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheden. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het
Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Artikel 91
Procedure van het comité
-
1.De Commissie wordt bijgestaan door een comité genaamd "Comité voor plattelandsontwikkeling". Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU)
nr. 182/2011.
-
2.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Hoofdstuk II
Gemeenschappelijke bepalingen
Artikel 92
Uitwisseling van informatie en documenten
In samenwerking met de lidstaten zet de Commissie een informatiesysteem op om de veilige uitwisseling van gegevens van gemeenschappelijk belang tussen de Commissie en elke lidstaat mogelijk te maken. De Commissie stelt middels uitvoeringshandelingen voorschriften vast voor de werking van dat systeem. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 91 bedoelde onderzoeksprocedure.
Hoofdstuk III
Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 94
Intrekking
Verordening (EG) nr. 1698/2005 wordt ingetrokken.
Verordening (EG) nr. 1698/2005 blijft van toepassing voor de concrete acties die worden uitgevoerd krachtens programma's die de Commissie vóór 1 januari 2014 op grond van die verordening heeft goedgekeurd.
Artikel 95
Overgangsbepalingen
Om de overgang van het bij Verordening (EG) nr. 1698/2005 opgezette systeem naar het bij deze verordening opgezette systeem te vergemakkelijken, wordt aan de Commissie de bevoegdheid verleend om gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 90 met betrekking tot de voorwaarden onder welke door de Commissie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1698/2005 goedgekeurde steun, met inbegrip van technische ondersteuning en steun voor evaluaties achteraf, mag worden geïntegreerd in steun in het kader van deze verordening.
Gedaan te,
Voor het Europees Parlement Voor de Raad
BIJLAGE I
Bedragen en steunpercentages
Artikel Aard van de steun Maximum-
bedrag in euro
of percentage
16, lid 8 Bedrijfsadviesdiensten, bedrijfsbeheersdiensten 1 500 Per advies
en
bedrijfsverzorgingsdiensten 200 000 Per drie jaar voor de opleiding van
adviseurs
17, lid 3 Kwaliteitsregelingen voor 3 000 Per bedrijf en per jaar
landbouwproducten en
levensmiddelen
18, lid 3 Investering in materiële Landbouwsector
activa
50 %
Van het bedrag aan subsidiabele
investeringen in de minder ontwikkelde regio's
75 % Van het bedrag aan subsidiabele
investeringen in de ultraperifere
gebieden
65 % Van het bedrag aan subsidiabele
investeringen in de kleinere eilanden in
de Egeïsche Zee
40 % Van het bedrag aan subsidiabele
-
-In het kader van het EIP gesteunde
concrete acties
De verwerking en de afzet van bijlage
I-producten
50 % Van het bedrag aan subsidiabele
investeringen in de minder ontwikkelde gebieden
75 % Van het bedrag aan subsidiabele
investeringen in de ultraperifere
gebieden
65 %
Van het bedrag aan subsidiabele
investeringen in de kleinere eilanden in
de Egeïsche Zee
40 %
Van het bedrag aan subsidiabele
investeringen in andere regio's
Op voorwaarde dat de som van de
steunpercentages niet meer dan 90 % bedraagt
mogen de bovenstaande
percentages met 20 % worden
verhoogd voor in het kader van het EIP gesteunde concrete acties
19, lid 5 Herstel van door een 80 % Van het bedrag aan subsidiabele
natuurramp beschadigd investeringskosten voor door
agrarisch productiepotentieel individuele landbouwers uitgevoerde preventieve concrete acties.
en
boslandbouwsystemen boslandbouwsystemen
27, lid 5 Investeringen in nieuwe 50 % Van het bedrag aan subsidiabele
bosbouwtechnologieën en in de verwerking en de afzet van bosproducten investeringen in de minder ontwikkelde regio's
75 % Van het bedrag aan subsidiabele
investeringen in de ultraperifere
gebieden
65 % Van het bedrag aan subsidiabele
investeringen in de kleinere eilanden in
de Egeïsche Zee
40 % Van het bedrag aan subsidiabele
investeringen in andere regio's
28, lid 4 Oprichting van 10 %, Voor afgezette productie tot 1 000 000
producentengroeperingen
10 %, EUR
8 %, Als percentage van de in de eerste vijf
6 %, jaar na de erkenning afgezette productie voor respectievelijk het 1e, 2e, 3e, 4e
en 5e jaar.
4 %
5 % Voor het deel van de waarde van de
afgezette productie dat hoger is dan 1 000 000 EUR. Als percentage van de in de eerste vijf jaar na de erkenning afgezette productie voor respectievelijk het 1e, 2e, 3e, 4e en 5e jaar.
5 %
4 %
3 %
landbouwers verloren dreigen te gaan
30, lid 5 Biologische landbouw 600(*) Per ha per jaar voor eenjarige teelten
900(*) Per ha per jaar voor gespecialiseerde
blijvende teelten
450(*) Per ha per jaar voor andere vormen van
grondgebruik
31, lid 7 Betalingen in het kader van de Natura 2000-richtlijn en de waterrichtlijn 500 Maximum per ha per jaar in de eerste
periode van ten hoogste vijf jaar
200 Maximum per ha per jaar
50 Minimum per ha per jaar voor
betalingen in het kader van de waterrichtlijn
32, lid 3 Betalingen voor gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen. 25 Minimum per ha per jaar
250(*) Maximum per ha per jaar
300(*) Maximum per ha per jaar in
berggebieden zoals gedefinieerd in artikel 46, lid 2
34, lid 3 Dierenwelzijn 500 Per GVE
35, lid 3 Bosmilieudiensten en 200(*) Per ha per jaar
bosinstandhouding
38, lid 5 Oogst-, dier- en 65% Van de verschuldigde
BIJLAGE II
Biofysische criteria voor de afbakening van gebieden met natuurlijke beperkingen
CRITERIUM DEFINITIE DREMPEL
KLIMAAT -
Lengte van de groeiperiode (aantal dagen) 180 dagen
gedefinieerd als aantal dagen met een gemiddelde dagtemperatuur van > 5°C (LGP
Lage temperaturent5) OF
Temperatuursom (graaddagen) voor de 1500 graaddagen
groeiperiode gedefinieerd als
geaccumuleerde gemiddelde
dagtemperatuur > 5°C.
Ratio tussen de jaarlijkse neerslag (N) en
Droogte de jaarlijkse potentiële evapotranspiratie (PET) N/PET 0,5
KLIMAAT EN BODEM
Extreme vochtigheid
Aantal dagen bij veldcapaciteit of hoger 230 dagen
BODEM
Gebieden die een aanzienlijk deel van het Meer dan 6 maanden nat binnen 80 cm van het oppervlak of meer dan 11 maanden nat binnen 40 cm OF
jaar onder water staan
Beperkte bodemdrai- nageSlecht of zeer slecht gedraineerde bodem OF
Textuurklasse van de toplaag is zware klei
( 60% klei) OF
Organische bodem (organisch
materiaal 30%) van ten minste 40
cm OF
Textuurklasse van de toplaag van klei, slibachtige klei, zandige klei en vertische eigenschappen binnen 100 cm van het bodemoppervlak
Ondiepe worteldiepteDiepte (cm) vanaf het bodemoppervlak tot 30 cm
coherent hard gesteente of coherente harde ondergrond.
Aanwezigheid in de toplaag van zouten, Zoutgehalte: 4 deci-Siemens per
verwisselbaar natrium in de bodemlaag, verzuringmeter (dS/m) OF
Slechte chemische eigenschappen
Natriumgehalte: 6 verwissel-
baar-natriumpercentage (VNP) OF
Bodemzuurheid: pH 5 (in water)
RELIËF
Steile helling Hoogteverschil ten opzichte van 15%
BIJLAGE III
Indicatieve lijst van maatregelen en concrete acties die van bijzonder belang zijn voor in
artikel 8 bedoelde thematische subcategorieën
Jonge landbouwers:
Aanloopsteun voor jonge landbouwers die zich voor het eerst op een landbouwbedrijf vestigen
Investeringen in materiële activa
Acties inzake kennisoverdracht en voorlichting
Bedrijfsadviesdiensten, bedrijfsbeheersdiensten en bedrijfsverzorgingsdiensten
Samenwerking
Investeringen in niet-agrarische activiteiten
Kleine landbouwbedrijven:
Aanloopsteun voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven
Investeringen in materiële activa
Kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen
Acties inzake kennisoverdracht en voorlichting
Bedrijfsadviesdiensten, bedrijfsbeheersdiensten en bedrijfsverzorgingsdiensten
Samenwerking
Investeringen in niet-agrarische activiteiten
-
-Kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen
-
-Invoering van boslandbouwsystemen
Basisdiensten en dorpsvernieuwing in plattelandsgebieden
Acties inzake kennisoverdracht en voorlichting
Bedrijfsadviesdiensten, bedrijfsbeheersdiensten en bedrijfsverzorgingsdiensten
Oprichting van producentengroeperingen
LEADER
Korte voorzieningsketens:
Samenwerking
Oprichting van producentengroeperingen
LEADER
Kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen
Basisdiensten en dorpsvernieuwing in plattelandsgebieden
Investeringen in materiële activa
Acties inzake kennisoverdracht en voorlichting
Bedrijfsadviesdiensten, bedrijfsbeheersdiensten en bedrijfsverzorgingsdiensten
BIJLAGE IV
Vooraf te vervullen voorwaarden voor plattelandsontwikkeling
1. PRIORITEITENGERELATEERDE VOORWAARDEN
EU-prioriteit voor PO/GSK Criteria voor vervulling
Thematische doelstelling (TD) Vooraf te vervullen voorwaarde
Topprioriteit 1: bevorderen van kennisoverdracht en innovatie in
de 1.1. Onderzoek en innovatie: Het bestaan van een nationale en/of regionale innovatiestrategie voor intelligente specialisatie overeenkomstig het nationale hervormingsprogramma, om particuliere O&EG-uitgaven los te maken, die beantwoordt aan de kenmerken van goed functionerende nationale of regionale onderzoek- en innovatiesystemen Er is een nationale en/of regionale innovatiestrategie voor
intelligente specialisatie voorhanden die
landbouwsector, de is gebaseerd op een SWOT-analyse om de middelen op een
bosbouwsector en beperkte reeks O&O-prioriteiten te concentreren;
plattelandsgebieden maatregelen schetst om particuliere OTO-investeringen te
35.
stimuleren;
TD 1: versterking van onderzoek, technologische ontwikkeling en innovatie een monitoring- en toetsingssysteem omvat.
Een lidstaat heeft een kader vastgesteld waarin de beschikbare
begrotingsmiddelen voor O&O worden geschetst;
Een lidstaat heeft een meerjarenplan voor het begroten en prioriteren
van met EU-prioriteiten verbonden investeringen vastgesteld (ESFRI).
1.2. Adviescapaciteit: Voldoende adviescapaciteit om advies over de regelgevingsvoorschriften en alle aspecten die zijn verbonden met duurzaam beheer en klimaatactie in de landbouw en de bosbouw te verstrekken
Een beschrijving van de structuur van verlenings/adviessystemen op de relevante geografische schaal (nationaal/regionaal) met inbegrip van hun beoogde rol in het toepassingsgebied van de PO-prioriteit die aantoont dat de vervulling van vooraf te vervullen voorwaarde 1.2 in het programma is opgenomen,
PO-prioriteit 2: verbeteren van het concurrentievermogen van alle 2-3.1. Het opzetten van ondernemingen: Er zijn specifieke acties uitgevoerd voor de doeltreffende uitvoering van de "Small Business Act" (SBA) en de toetsing ervan van 23 februari 2011 De specifieke activiteiten zijn onder meer:
soorten landbouw en maatregelen om de tijd om een onderneming op te zetten te verminderen tot 3 werkdagen en de kosten tot 100 euro;
verhogen van de rendabiliteit van landbouwbedrijven36 , met inbegrip van het beginsel "denk eerst klein"
maatregelen om de benodigde tijd om licenties en
vergunningen om de specifieke activiteit van een onderneming aan te vatten en te verrichten tot 3 maanden te verminderen;
TD 3: verbetering van het
concurrentievermogen van kleine en middelgrote ondernemingen een mechanisme voor de systematische beoordeling van de effecten van wetgeving inzake kmo's door een "kmo-test" te gebruiken en daarbij rekening houden met de omvang van bedrijven, indien relevant
PO-prioriteit 3: bevorderen van
de
organisatie van de
voedselketen en van het
risicobeheer in de landbouw
TD 3: verbetering van het
concurrentievermogen van kleine en middelgrote ondernemingen
36 Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's: Denk eerst klein Een "Small Business Act" voor Europa (COM(2008) 394 van 23.6.2008); Conclusies van de Raad Concurrentievermogen: Denk eerst klein Een "Small Business Act" voor Europa (doc. 16788/08, 1.12.2008); Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's: Toetsing van de "Small Business Act" voor Europa (COM(2008) 78 definitief van 23.2.2011); Conclusies van de Raad Concurrentievermogen: Conclusies over de toetsing van de "Small Business Act" voor Europa (doc. 10975/11 of 30.5.2011).
PO-prioriteit 4: herstellen, 4.1 Goede landbouw- en milieuconditie (GLMC): op nationaal niveau zijn in titel VI, hoofdstuk I, van Verordening (EU) nr. HR/xxxx bedoelde normen inzake een goede landbouw- en milieuconditie vastgesteld Er zijn GLMC-normen vastgesteld in de nationale wetgeving en
instandhouden en verbeteren van ecosystemen die afhankelijk zijn van de landbouw en de bosbouwvermeld in de programma's;
TD 5: bevordering van de 4.2 Minimumeisen inzake het gebruik van meststoffen en
gewasbeschermingsmiddelen: in titel III, hoofdstuk I, artikel 29, van deze verordening bedoelde minimumeisen inzake het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen zijn vastgesteld op nationaal niveau in de programma's zijn in titel III, hoofdstuk I, van deze verordening
aanpassing aan klimaatverandering en risicopreventie en risicobeheer bedoelde minimumeisen inzake het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen vermeld;
TD 6: bescherming van het milieu
en
bevordering hulpbronnen-4.3 Andere desbetreffende nationale normen: er zijn desbetreffende verplichte nationale normen vastgesteld voor de toepassing van artikel 29 van titel III, hoofdstuk I, van deze verordening in de programma's zijn desbetreffende verplichte nationale normen
efficiëntie vermeld;
Er is een nationale risicobeoordeling die de volgende zaken omvat:
4.4. Risicopreventie: het bestaan van nationale
risicobeoordelingen voor rampenbeheer waarin rekening wordt gehouden met de aanpassing aan de klimaatverandering Een beschrijving van het proces, de methodologie, de
37 methoden en de niet-gevoelige gegevens die voor de nationale risicobeoordeling worden gebruikt;
Vaststelling van kwalitatieve en kwantitatieve methoden
voor risicobeoordeling;
Het in voorkomend geval rekening houden met nationale strategieën voor aanpassing aan de klimaatverandering;
PO-prioriteit 5: bevorderen van hulpbronnenefficiëntie 5.1 Emissies van broeikasgassen: naleving van artikel 6, lid 1, van Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen Een lidstaat heeft bij de Commissie een verslag ingediend over
en nationale beleidsmaatregelen die in de periode 2013-2020 zijn vastgesteld krachtens artikel 3 van Beschikking nr. 406/2009/EG;
steunen van de overstap naar een koolstofarme
en
klimaatbestendige economie in de landbouw-, de voeding- en de bosbouwsector -
5.2 Energie-efficiëntie: omzetting in nationaal recht van Richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten Een lidstaat heeft bij de Commissie een actieplan inzake energie-
TD 4: steun voor de overstap naar een koolstofarme economie in alle bedrijfstakkenefficiëntie ingediend dat doelstellingen voor energiebesparing vertaalt in concrete en coherente maatregelen overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 2006/32/EG;
38
TD 5: bevordering van de 5.3 Prijsstelling voor water: het bestaan van een prijsstellingsbeleid voor water dat zorgt voor een redelijke bijdrage van de diverse watergebruikssectoren aan de terugwinning van kosten van waterdiensten, overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid
aanpassing aan klimaatverandering en risicopreventie en risicobeheer Een lidstaat heeft rekening gehouden met het beginsel van
terugwinning van de kosten van waterdiensten, met inbegrip van milieu- en bronkosten, overeenkomstig artikel 9, lid 1, van Richtlijn 2000/60/EG;
Een lidstaat heeft overeenkomstig artikel 5 en bijlage III van
39 Richtlijn 2000/60/EG een economische analyse met betrekking tot volume, prijs en kosten van waterdiensten en ramingen van desbetreffende investeringen verricht.
Een lidstaat heeft gezorgd voor een bijdrage van de verschillende
watergebruikssectoren overeenkomstig artikel 9, lid 3, van Richtlijn 2000/60/EG;
5.4. Afvalbeheerplannen: omzettting in nationaal recht van Richtlijn 2009/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen Een lidstaat heeft ervoor gezorgd dat zijn bevoegde autoriteiten
overeenkomstig de artikelen 1, 4, 13 en 16 van Richtlijn 2008/98/EG een of meer afvalbeheerplannen hebben vastgesteld zoals bepaald in artikel 28 van de richtlijn;
40 met name de ontwikkeling
van afvalbeheerplannen overeenkomstig de richtlijn.
5.5 Duurzame energie: omzetting in nationaal recht van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG
Een lidstaat heeft een nationaal plan voor hernieuwbare energie vastgesteld overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2009/28/EG
41
PO-prioriteit 6: bevorderen van sociale 6.1 Toegang tot het ELFPO: Het voorzien van steun voor belanghebbenden bij de toegang tot het ELFPO - Aan belanghebbenden wordt steun verleend voor het indienen van projectaanvragen en voor het uitvoeren en beheren van de geselecteerde projecten
inclusie,
armoedebestrijding en
economische ontwikkeling in
plattelandsgebieden -
6.2 Zelfstandigen, ondernemerschap en oprichting van
ondernemingen: het bestaan van een omvattende en inclusieve strategie voor inclusieve vestigingssteun overeenkomstig de "Small De lidstaten hebben een omvattende en inclusieve strategie die de
TD 8: bevordering van volgende zaken omvat:
werkgelegenheid en ondersteuning van arbeidsmobiliteit maatregelen om de tijd en de kosten om een onderneming op te zetten aanzienlijke te verminderen overeenkomstig de "Small Business Act"
Business Act"42 en in samenhang met
werkgelegenheidsrichtsnoer 7, met betrekking tot de
randvoorwaarden voor het scheppen van banen maatregelen om de benodigde tijd om licenties en
TD 9: bevordering van sociale insluiting vergunningen om de specifieke activiteit van een onderneming aan te vatten en te verrichten, te verminderen overeenkomstig de "Small Business Act";
en bestrijding van
armoede
acties die passende bedrijfsontwikkelingsdiensten koppelen
aan financiële diensten (toegang tot kapitaal), met inbegrip van het bereiken van achtergestelde groepen en gebieden
6.3 NGA-infrastructuur (Toegangsnetwerken van de Er is een nationaal NGA-plan voorhanden dat de volgende zaken
volgende generatie): Het bestaan van nationale NGA-plannen die rekening houden met regionale acties om de EU-streefdoelen voor snelle internettoegang te halenomvat:
een regelmatig bijgewerkt plan van
43 en gericht zijn op gebieden infrastructuurinvesteringen door bundeling van de vraag en het in kaart brengen van infrastructuur en diensten;
waar de markt er niet in slaagt tegen betaalbare prijs een open
41 PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16.
infrastructuur van voldoende kwaliteit te verstrekken duurzame investeringsmodellen die de concurrentie
verhogen en toegang bieden tot open, betaalbare kwaliteitsvolle en toekomstbestendige infrastructuur en diensten
maatregelen om particuliere investeringen te bevorderen.
2. HORIZONTALE VOORWAARDEN DIE OP TAL VAN PRIORITEITEN VAN TOEPASSING ZIJN -
HV.1 Administratieve efficiëntie van de lidstaten: het bestaan van een strategie om de administratieve efficiëntie van het land te versterken, met inbegrip van een hervorming van het openbaar bestuur Er is een strategie om de administratieve efficiëntie van een lidstaat te versterken voorhanden waarvan de uitvoering gaande is
45; de
strategie omvat onder meer het volgende:
44
een analyse en strategische planning van wettelijke,
organisatorische en/of procedurele hervormingsacties;
de ontwikkeling van systemen voor kwaliteitsbeheer;
geïntegreerde acties ter vereenvoudiging en rationalisering
van administratieve procedures;
de ontwikkeling van vaardigheden op alle niveaus;
de ontwikkeling van procedures en instrumenten voor
monitoring en evaluatie;
HV.2 Toewijzing van personele middelen: voldoende capaciteit Een beschrijving van de toewijzing van personele middelen,
in de toewijzing van personele middelen, opleidingsbeheer en IT-systemen binnen de beheersautoriteiten van het programma, die aantoont dat de vervulling van de vooraf te vervullen voorwaarde HV.2 is opgenomen in het programma
opleidingsbeheer en IT-systemen beschikbaar binnen de organen die verantwoordelijk zijn voor het beheer en de uitvoering van de plattelandsontwikkelingsprogramma's
Een beschrijving van de gekozen aanpak voor het vaststellen van de selectiecriteria voor projecten en plaatselijke ontwikkeling, die aantoont dat de vervulling van de vooraf te vervullen voorwaarde HV.3 in het programma is opgenomen
HV. 3 Selectiecriteria: een passende aanpak waarbij beginselen met betrekking tot het vaststellen van selectiecriteria voor projecten en plaatselijke ontwikkeling worden bepaald
44 Indien er een landspecifieke aanbeveling van de Raad is die rechtstreeks verband houdt met deze voorwaarde wordt bij de beoordeling van de vervulling ervan rekening gehouden met de beoordeling van de vorderingen die zijn gemaakt bij de vervulling van de landspecifieke aanbeveling van de Raad.
BIJLAGE V
Indicatieve lijst van maatregelen die van belang zijn voor een of meer van de prioriteiten van de
Unie voor plattelandsontwikkeling
Maatregelen die van bijzonder belang zijn voor verscheidene EU-prioriteiten
Artikel 16 Bedrijfsadviesdiensten, bedrijfsbeheersdiensten en bedrijfsverzorgingsdiensten
Artikel 18 Investeringen in materiële activa
Artikel 20 Ontwikkeling van landbouwbedrijven en ondernemingen
Artikel 36 Samenwerking
Artikel 42-45 LEADER
Maatregelen die van bijzonder belang zijn voor het bevorderen van kennisoverdracht en
innovatie in de landbouwsector, de bosbouwsector en plattelandsgebieden
Artikel 15 Acties inzake kennisoverdracht en voorlichting
Artikel 27 Investeringen in nieuwe bosbouwtechnologieën en in de verwerking en de afzet van bosproducten -
Artikel 25 Preventie en herstel van schade aan bossen door bosbranden en natuurrampen en rampzalige gebeurtenissen
Artikel 28 Oprichting van producentengroeperingen
Artikel 34 Dierenwelzijn
Artikel 37 Risicobeheer
Artikel 38 Oogst-, dier- en plantverzekering
Artikel 39 Onderlinge fondsen voor dier- en plantenziekten en milieuongevallen
Artikel 40 Instrument voor inkomensstabilisatie
Maatregelen die van bijzonder belang zijn voor het herstellen, instandhouden en verbeteren van
ecosystemen die afhankelijk zijn van de landbouw en de bosbouw
en
het bevorderen van hulpbronnenefficiëntie en steunen van de overstap naar een koolstofarme en
klimaatbestendige economie in de landbouw-, de voeding- en de bosbouwsector
Artikel 22 Investeringen in de ontwikkeling van bosgebieden en de verbetering van de levensvatbaarheid van bossen
Artikel 23 Bebossing en de creatie van bosgebied
Artikel 24 De invoering van boslandbouwsystemen
Artikel 26 Investeringen in het verbeteren van de veerkracht en de milieuwaarde van bosecosystemen
FINANCIEEL MEMORANDUM
1. - KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
1.1. - Benaming van het voorstel/initiatief
-
-Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling
-
van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;
-
-Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling
-
van een gemeenschappelijke marktordening voor landbouwproducten (Integrale-GMO- verordening);
-
-Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake steun
-
voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO);
-
-Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de
-
financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;
-
-Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van
-
Verordening (EG) nr. 73/2009, wat de toepassing van de rechtstreekse betalingen aan landbouwers voor 2013 betreft;
-
-Voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van steun en restituties in het
-
kader van de gemeenschappelijke marktordening voor landbouwproducten;
-
-Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van
Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de bedrijfstoeslagregeling en de steun voor wijnbouwers betreft.
1.2. - Betrokken beleidsterrein(en) in de ABM/ABB-structuur46
x Het voorstel/initiatief betreft een actie die wordt omgebogen naar een nieuwe actie
1.4. - Doelstellingen
1.4.1. De met het voorstel/initiatief beoogde strategische meerjarendoelstelling(en) van de
Commissie
Om het efficiënte gebruik van hulpbronnen te bevorderen en zodoende, overeenkomstig de Europa 2020-strategie, te komen tot een slimme, duurzame en inclusieve groei van de landbouw en de plattelandsgebieden in de EU, zijn voor het GLB de volgende doelstellingen
vastgelegd:
-
-Rendabele voedselproductie
-
-Duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen en klimaatactie;
-
-Evenwichtige territoriale ontwikkeling.
1.4.2. Specifieke doelstelling(en) en betrokken ABM/ABB-activiteit(en)
Specifieke doelstellingen voor Beleidsterrein 05:
Specifieke doelstelling nr. 1:
Het leveren van collectieve goederen in de milieusector
Specifieke doelstelling nr. 2:
Het compenseren van problemen bij de productie in gebieden met natuurlijke beperkingen
Specifieke doelstelling nr. 3:
Het nemen van maatregelen voor matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering
Specifieke doelstelling nr. 4:
Specifieke doelstelling voor ABB 05 03 Rechtstreekse steun:
Specifieke doelstelling nr. 6:
Bijdragen tot het landbouwinkomen en de variabiliteit ervan beperken
Specifieke doelstellingen voor ABB 05 04 Plattelandsontwikkeling:
Specifieke doelstelling nr. 7
Groene groei stimuleren door innovatie
Specifieke doelstelling nr. 8:
De werkgelegenheid op het platteland stimuleren en het sociale weefsel van de plattelandsgebieden in stand houden
Specifieke doelstelling nr. 9
De plattelandseconomie verbeteren en diversificatie stimuleren
Specifieke doelstelling nr. 10
Gunstige voorwaarden scheppen voor de structurele diversiteit van de landbouwsystemen
1.4.3. Verwacht(e) resulta(a)t(en) en gevolg(en)
In dit stadium kunnen nog geen kwantitatieve streefdoelen voor de impactindicatoren worden vastgelegd. Hoewel het beleid wel sturend kan werken, zouden de gemeten economische, ecologische en sociale resultaten uiteindelijk ook afhangen van de impact van diverse externe factoren en het recente verleden heeft geleerd dat deze factoren significant en onvoorspelbaar zijn. Ondertussen wordt de analyse voortgezet om klaar te zijn voor de periode na 2013.
De impact van deze GLB-maatregelen wordt beoordeeld in het licht van de volgende
doelstellingen:
-
a)rendabele voedselproductie, met de klemtoon op landbouwinkomen, productiviteit van de landbouw en prijsstabiliteit;
-
b)duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen en klimaatactie, met de klemtoon op uitstoot van broeikasgassen, biodiversiteit, bodem en water;
-
c)evenwichtige territoriale ontwikkeling, met de klemtoon op werkgelegenheid op het platteland, groei en armoede in plattelandsgebieden.
De Commissie bepaalt, middels uitvoeringshandelingen, de voor deze doelstellingen en gebieden specifieke indicatoren.
Voor plattelandsontwikkeling wordt bovendien een omvattender gemeenschappelijk monitoring- en evaluatiesysteem voorgesteld. Dat systeem heeft ten doel a) de voortgang en de verwezenlijkingen van het plattelandsontwikkelingsbeleid aan te tonen en de impact, doelmatigheid, doeltreffendheid en relevantie van het plattelandsontwikkelingsbeleid te evalueren, b) bij te dragen tot gerichtere steun voor plattelandsontwikkeling, en c) een gemeenschappelijk leerproces op het gebied van monitoring en evaluatie te stimuleren. De Commissie stelt, middels uitvoeringshandelingen, een lijst vast van aan de beleidsprioriteiten gekoppelde gemeenschappelijke indicatoren.
1.5. - Motivering van het voorstel/initiatief
1.5.1. Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien
Deze voorstellen zijn erop gericht te zorgen voor het wetgevingskader voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode na 2013, met het oog op het bereiken van de meerjarige strategische doelstellingen van het GLB die rechtstreeks zijn gebaseerd op de Europa 2020-strategie voor het Europese platteland, en op de naleving van de ter zake relevante voorschriften van het Verdrag.
landbouwbeleid te voeren en een eigen landbouwbegroting op te stellen, brengen de lidstaten hun middelen samen in een enkel Europees beleid met een enkele Europese begroting. Dit houdt uiteraard in dat het GLB een aanzienlijk deel uitmaakt van de begroting van de EU. Toch is deze aanpak efficiënter en economischer dan een ongecoördineerde nationale aanpak.
1.5.3. uttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan
Op basis van de evaluatie van het huidige beleidskader, van uitvoerig overleg met belanghebbenden en van een analyse van de toekomstige uitdagingen en behoeften is een uitgebreide effectbeoordeling uitgevoerd. Gedetailleerde informatie hierover is te vinden in de effectbeoordeling en de toelichting die bij de wetgevingsvoorstellen zijn gevoegd.
1.5.4. Samenhang en eventuele synergie met andere relevante instrumenten
De wetgevingsvoorstellen waarop dit financieel memorandum betrekking heeft, moeten worden gezien in de ruimere context van het voorstel voor een integrale kaderverordening waarbij gemeenschappelijke voorschriften voor de onder het gemeenschappelijk strategisch kader vallende fondsen (ELFPO, EFRO, ESF, Cohesiefonds en EFMV) worden vastgesteld.
De kaderverordening zal in aanzienlijke mate bijdragen tot het verminderen van de administratieve lasten, het doelmatig besteden van de EU-middelen en het in praktijk brengen van vereenvoudigingen. Dit alles vormt ook de basis voor de nieuwe concepten van het gemeenschappelijk strategisch kader voor al deze fondsen, en voor de in het vooruitzicht gestelde partnerschapsovereenkomsten, die ook betrekking zullen hebben op deze fondsen.
Met het gemeenschappelijk strategisch kader, zoals het zal worden vastgesteld, worden de doelstellingen en prioriteiten van de Europa 2020-strategie omgezet in prioriteiten voor zowel het ELFPO als het EFRO, het ESF, het Cohesiefonds en het EFMV, hetgeen een geïntegreerde aanwending van de fondsen met het oog op het bereiken van gemeenschappelijke doelstellingen moet garanderen.
Het gemeenschappelijk strategisch kader bevat ook mechanismen voor de coördinatie met andere ter zake relevante beleidstakken en instrumenten van de Unie.
Voor het GLB resulteert een en ander bovendien in aanzienlijke synergieën en vereenvoudigingen dankzij de harmonisering en het op elkaar afstemmen van de beheers- en controlevoorschriften voor de eerste (ELGF) en de tweede (ELFPO) pijler van het GLB. De sterke band tussen het ELGF en het ELFPO moet worden behouden en de in de lidstaten bestaande structuren moeten worden verstevigd.
x Financiële gevolgen voor de periode die wordt bestreken door het volgende meerjarig
financieel kader. Voor plattelandsontwikkeling, gevolgen voor de betalingen tot en met 2023
x Voorstel/initiatief met een onbeperkte geldigheidsduur (voor de ontwerpverordening inzake de integrale GMO en de horizontale verordening)
Uitvoering vanaf 2014.
1.7. - Beheersvorm(en)49
x Direct gecentraliseerd beheer door de Commissie
Indirect gecentraliseerd beheer door delegatie van uitvoeringstaken aan:
-
-uitvoerende agentschappen
-
-door de Unie opgerichte organen50
-
-nationale publiekrechtelijke organen of organen met een openbaredienstverleningstaak
-
-personen aan wie de uitvoering van specifieke acties in het kader van titel V van het
Verdrag betreffende de Europese Unie is toevertrouwd en die worden genoemd in het betrokken basisbesluit in de zin van artikel 49 van het Financieel Reglement
X Gedeeld beheer met lidstaten
Gedecentraliseerd beheer met derde landen
Gezamenlijk beheer met internationale organisaties (geef aan welke )
Opmerkingen
Geen ingrijpende wijziging ten opzichte van de huidige situatie, d.w.z. de uitgaven die verband houden met de wetgevingsvoorstellen inzake de hervorming van het GLB worden grotendeels beheerd in de vorm van gedeeld beheer met de lidstaten. Een zeer gering deel zal evenwel nog steeds onder direct gecentraliseerd beheer door de Commissie vallen.
2. - BEHEERSMAATREGELEN
2.1. - Regels inzake het toezicht en de verslagen
In het kader van de monitoring en evaluatie van het GLB zal de Commissie om de 4 jaar verslag uitbrengen bij het Europees Parlement en de Raad; het eerste verslag moet uiterlijk eind 2017 worden ingediend.
Ter aanvulling worden specifieke voorschriften voor alle sectoren van het GLB vastgesteld, onder meer inzake uitgebreide rapportage- en meldingsvoorschriften die worden opgenomen in de uitvoeringsbepalingen.
Voor de plattelandsontwikkeling wordt eveneens voorzien in monitoringregels op programmaniveau, die worden afgestemd op de andere fondsen en vergezeld gaan van evaluaties voor, tijdens en na de uitvoering van het programma.
2.2. - Beheers- en controlesysteem
2.2.1. Mogelijke risico's
Het GLB telt meer dan zeven miljoen begunstigden, die steun ontvangen in het kader van een van de vele verschillende steunregelingen, voor elk waarvan gedetailleerde en soms ingewikkelde subsidiabiliteitscriteria gelden.
Het foutenpercentage in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid is voortdurend gedaald. Het huidige foutenpercentage van 2% bevestigt de positieve perceptie van de ontwikkelingen in de voorbije jaren. Er wordt naar gestreefd in dezelfde richting verder te gaan en het foutenpercentage tot onder de 2% terug te dringen.
2.2.2. Controlemiddel(en)
Het wetgevingspakket, en met name het voorstel inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, heeft ten doel de huidige bij Verordening (EG) nr. 1290/2005 vastgestelde regeling te handhaven en te versterken. Het voorstel voorziet in een bindende administratieve structuur op het niveau van de lidstaten, georganiseerd rond geaccrediteerde betaalorganen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de controles bij de uiteindelijke begunstigden overeenkomstig de in punt 2.3 opgenomen principes. Het hoofd van elk betaalorgaan moet jaarlijks een borgingsverklaring indienen die betrekking heeft op de volledigheid, de juistheid en de waarheidsgetrouwheid van de ingediende rekeningen, de goede werking van de internecontrolesystemen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende transacties. Een onafhankelijk auditorgaan moet advies uitbrengen over deze drie elementen.
Bijlage 8 van de effectbeoordeling bij deze wetgevingsvoorstellen bevat een gedetailleerde analyse van de aan deze controles verbonden kosten.
2.3. - Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden
Het wetgevingspakket, en met name het voorstel voor een verordening inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, voorziet in de handhaving en versterking van de huidige gedetailleerde regelingen inzake controle en sancties door de betaalorganen, met gemeenschappelijke basiselementen en op de specifieke kenmerken van elke steunregeling toegesneden speciale voorschriften. De regelingen voorzien meestal in uitputtende administratieve controles van alle steunaanvragen, kruiscontroles met andere databanken voor zover dit passend wordt geacht, en aan de betaling voorafgaande controles ter plaatse van een minimum aantal transacties naargelang van het aan de betrokken regeling verbonden risico. Als bij deze controles ter plaatse een groot aantal onregelmatigheden wordt geconstateerd, moeten aanvullende controles worden verricht. Veruit het belangrijkste systeem in dit verband is het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS), dat in het begrotingsjaar 2010 is toegepast voor ongeveer 80% van alle uitgaven in het kader van het ELGF en het ELFPO. De Commissie zal worden gemachtigd om, voor lidstaten met goed werkende controlesystemen en lage foutenpercentages, toe te staan dat het aantal controles ter plaatse wordt verlaagd.
In het pakket is voorts bepaald dat de lidstaten onregelmatigheden en fraude moeten voorkomen, opsporen en corrigeren, doeltreffende, ontradende en proportionele straffen moeten opleggen zoals vastgesteld in de uniale of nationale wetgeving, en onregelmatige betalingen met interest moeten terugvorderen. Het bevat ook een automatisch vereffeningsmechanisme voor onregelmatige betalingen, waarin is bepaald dat, wanneer de terugvordering niet heeft plaatsgevonden binnen vier jaar na de datum van het terugbetalingsverzoek of binnen acht jaar ingeval van een rechtsprocedure, de niet-geïnde bedragen ten laste vallen van de betrokken lidstaat. Dit mechanisme zal voor de lidstaten een sterke stimulans zijn om onregelmatige betalingen zo snel mogelijk terug te vorderen.
3. - GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
De in dit financieel memorandum aangegeven bedragen zijn uitgedrukt in huidige prijzen en betreffen vastleggingen.
Naast de in de onderstaande tabellen opgenomen wijzigingen die voortvloeien uit de wetgevingsvoorstellen, bevatten die voorstellen ook andere wijzigingen die geen financiële gevolgen hebben.
In dit stadium kan niet worden uitgesloten dat, in om het even welk jaar in de periode 2014-2020, financiële discipline moet worden toegepast. Dat hangt evenwel niet af van de hervormingsvoorstellen als zodanig, maar van andere factoren zoals de uitvoering van rechtstreekse steun of toekomstige ontwikkelingen op de landbouwmarkten.
Voor de rechtstreekse steunbedragen liggen de in het voorstel betreffende de overgang vervatte verlengde nettomaxima voor 2014 (kalenderjaar 2013) hoger dan de in de onderstaande tabellen aangegeven bedragen voor rechtstreekse steun. Deze verlenging heeft ten doel de continuïteit van de bestaande wetgeving te garanderen in een scenario waarbij alle andere elementen ongewijzigd blijven, onverminderd de eventuele noodzaak om het mechanisme van de financiële discipline toe te passen.
De hervormingsvoorstellen bevatten bepalingen op grond waarvan de lidstaten enige flexibiliteit wordt geboden bij de toewijzing van de rechtstreekse steun, respectievelijk plattelandsontwikkeling. Indien lidstaten besluiten gebruik te maken van die flexibiliteit, dan heeft dat financiële gevolgen binnen de bestaande financiële bedragen, die in dit stadium niet kunnen worden gekwantificeerd.
Dit financieel memorandum houdt geen rekening met het eventuele gebruik van de crisisreserve. Er zij op gewezen dat voor de bedragen van de marktgerelateerde uitgaven is uitgegaan van een situatie zonder openbare-interventieaankopen en andere crisismaatregelen in om het even welke sector.
3.1. - Rubriek(en) van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven
Tabel 1: Bedragen voor het GLB, inclusief aanvullende bedragen waarin is voorzien in de MFK-voorstellen en in de voorstellen voor de hervorming van het GLB
In miljoenen EUR (huidige prijzen)
2013
Begrotingsjaar 2013 aange-2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 Totaal
past (1) 2014-2020
Binnen het MFK - - - - - - - - -
Rubriek 2
Rechtstreekse steun en marktgerelateerde uitgaven (2)
(3) (4) 44 939 45 304 44 830 45 054 45 299 45 519 45 508 45 497 45 485 317 193
Geraamde bestemmingsontvangsten 672 672 672 672 672 672 672 672 672 4 704
P1 Rechtstreekse steun en marktgerelateerde uitgaven (met bestemmingsontvangsten) 45 611 45 976 45 502 45 726 45 971 46 191 46 180 46 169 46 157 321 897
P2 Plattelandsontwikkeling (4) 14 817 14 451 14 451 14 451 14 451 14 451 14 451 14 451 14 451 101 157
Totaal 60 428 60 428 59 953 60 177 60 423 60 642 60 631 60 620 60 608 423 054
Rubriek 1
CB Landbouwonderzoek en -innovatie n.v.t. n.v.t. 682 696 710 724 738 753 768 5 072
Meest hulpbehoevenden n.v.t. n.v.t. 379 387 394 402 410 418 427 2 818
Totaal n.v.t. n.v.t. 1 061 1 082 1 104 1 126 1 149 1 172 1 195 7 889
Rubriek 3
Voedselveiligheid n.v.t. n.v.t. 350 350 350 350 350 350 350 2 450
Buiten het MFK - - - - - - - - -
Reserve voor crisissen in de landbouwsector n.v.t. n.v.t. 531 541 552 563 574 586 598 3 945
Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG)
Waarvan maximaal beschikbaar voor landbouw (5) n.v.t. n.v.t. 379 387 394 402 410 418 427 2 818
TOTAAL - - - - - - - - -
TOTAAL voorstellen Commissie (MFK + buiten het MFK) + bestemmingsontvangsten 60 428 60 428 62 274 62 537 62 823 63 084 63 114 63 146 63 177 440 156
TOTAAL voorstellen MFK (d.i. uitgezonderd reserve en EFG) + bestemmingsontvangsten 60 428 60 428 61 364 61 609 61 877 62 119 62 130 62 141 62 153 433 393
Opmerkingen:
(1) Met inachtneming van reeds overeengekomen wetgevingswijzigingen, d.w.z. vrijwillige modulatie voor het VK en artikel 136 "niet-uitgegeven bedragen" vervallen eind 2013.
(2) De bedragen hebben betrekking op het voorgestelde jaarlijkse maximum voor de eerste pijler. Opgemerkt zij evenwel dat wordt voorgesteld negatieve uitgaven van de boekhoudkundige goedkeuring van de rekeningen (momenteel onder begrotingspost 05 07 07 06) over te hevelen naar de bestemmingsontvangsten (onder post 67 03). Voor details, zie de tabel geraamde ontvangsten op de onderstaande bladzijde.
(3) De cijfers voor 2013 zijn inclusief de bedragen voor veterinaire en fytosanitaire maatregelen en die voor marktmaatregelen in de visserijsector.
(4) De bedragen in de bovenstaande tabel zijn in overeenstemming met die in de mededeling van de Commissie "Een begroting voor Europa 2020" (COM(2011)500 definitief van 29 juni 2011). Besloten moet evenwel nog worden of in het MFK rekening wordt gehouden met de voorgestelde overdracht, met ingang van 2014, van de middelen van één lidstaat voor het nationale herstructureringsprogramma voor katoen naar plattelandsontwikkeling; het betreft een aanpassing (4 miljoen EUR per jaar) van de bedragen voor respectievelijk het ELGF-submaximum en de tweede pijler. In de hiernavolgende tabellen zijn de bedragen overgedragen, ongeacht of dat ook zo is voor het MFK.
(5) Overeenkomstig de mededeling van de Commissie "Een begroting voor Europa 2020" (COM(2011)500 definitief) komt een totaalbedrag tot 2,5 miljard EUR in prijzen van 2011 beschikbaar voor het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering om aanvullende steun te verlenen aan landbouwers die te lijden hebben van de effecten van de globalisering. In de bovenstaande tabel is de uitsplitsing per jaar in huidige prijzen slechts indicatief. In het voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (COM(2011)403 definitief van 29 juni 2011) is voor het EFG een algemeen maximumbedrag van 429 miljoen EUR per jaar (in prijzen van 2011) vastgesteld.
3.2. - Geraamde gevolgen voor de uitgaven
3.2.1. Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de uitgaven
Tabel 2: Geraamde ontvangsten en uitgaven voor Beleidsterrein 05 van Rubriek 2
In miljoenen EUR (huidige prijzen)
2013
Begrotingsjaar 2013 aange-2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 TOTAAL
past 2014-2020
ONTVANGSTEN
123 Productieheffing suiker (eigen middelen) 123 123 123 123 246
67 03 - Bestemmingsontvangsten 672 672 741 741 741 741 741 741 741 5 187
waarvan: ex 05 07 01 06 Boekhoudkundige goedkeuring 69 69 69 69 69 69 69 483
Totaal 795 795 864 864 741 741 741 741 741 5 433
UITGAVEN
05 02 - Markten (1) 3 311 3 311 2 622 2 641 2 670 2 699 2 722 2 710 2 699 18 764
05 03 Rechtstreekse steun (vóór plafonnering) (2) 42 170 42 535 42 876 43 081 43 297 43 488 43 454 43 454 43 454 303 105
05 03 Rechtstreekse steun (na plafonnering) 42 170 42 535 42 876 42 917 43 125 43 303 43 269 43 269 43 269
302 027
05 04 - Plattelandsontwikkeling (vóór plafonnering) 14 817 14 451 14 455 14 455 14 455 14 455 14 455 14 455 14 455 101 185
05 04 - Plattelandsontwikkeling (na plafonnering) 14 817 14 451 14 455 14 619 14 627 14 640 14 641 14 641 14 641 102 263
05 07 01 06 Boekhoudkundige goedkeuring -69 -69 0 0 0 0 0 0 0 0
Totaal 60 229 60 229 59 953 60 177 60 423 60 642 60 631 60 620 60 608 423 054
NETTOBEGROTING na bestemmingsontvangsten - - 59 212 59 436 59 682 59 901 59 890 59 879 59 867 417 867
Opmerkingen:
(1) Voor 2013 betreft het een voorlopige raming op basis van de ontwerpbegroting 2012, met inachtneming van de reeds overeengekomen wetgevingsaanpassingen (bijv. wijnmaximum, afschaffing premie voor aardappelzetmeel, gedroogde diervoeders) en van enkele verwachte ontwikkelingen. Voor alle jaren gaan de ramingen ervan uit dat er geen behoefte is aan aanvullende financiering van steunmaatregelen in verband met verstoringen van de markt of crisissituaties.
(2) Het bedrag voor 2013 is inclusief een raming voor het rooien van wijnstokken 2012.
Tabel 3: Berekening van de financiële gevolgen, per begrotingshoofdstuk, van de voorstellen voor de hervorming van het GLB wat betreft ontvangsten en GLB-uitgaven
In miljoenen EUR (huidige prijzen)
2013
2013 aange-Totaal
Begrotingsjaar past -
2014-2020 - -
2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020
ONTVANGSTEN
123 Productieheffing suiker (eigen middelen) 123 123
67 03 - Bestemmingsontvangsten 672 672 69 69 69 69 69 69 69 483
waarvan: ex 05 07 01 06 Boekhoudkundige goedkeuring 69 69 69 69 69 69 69 483
Totaal 795 795 69 69 69 69 69 69 69 483
UITGAVEN
05 02 - Markten (1) 3 311 3 311 -689 -670 -641 -612 -589 -601 -612 -4 413
05 03 Rechtstreekse steun (vóór plafonnering) (2) 42 170 42 535 -460 -492 -534 -577 -617 -617 -617 -3 913
05 03 Rechtstreekse steun - Geraamde opbrengst van de plafonnering, over te dragen naar plattelandsontwikkeling
-164 -172 -185 -186 -186 -186 -1 078
05 04 - Plattelandsontwikkeling (vóór plafonnering) 14 817 14 451 4 4 4 4 4 4 4 28
05 03 Rechtstreekse steun - Geraamde opbrengst van de plafonnering, over te dragen van de rechtstreekse steun
164 172 185 186 186 186 1 078
05 07 01 06 Boekhoudkundige goedkeuring -69 -69 69 69 69 69 69 69 69 483
Totaal 60 229 60 229 -1 076 -1 089 -1 102 -1 115 -1 133 -1 144 -1 156 -7 815
NETTOBEGROTING na bestemmingsontvangsten - - -1 145 -1 158 -1 171 -1 184 -1 202 -1 213 -1 225 -8 298
Opmerkingen:
(1) Voor 2013 betreft het een voorlopige raming op basis van de ontwerpbegroting 2012, met inachtneming van de reeds overeengekomen juridische aanpassingen (bijv. wijnmaximum, afschaffing premie voor aardappelzetmeel, gedroogde diervoeders) en van enkele verwachte ontwikkelingen. Voor alle jaren gaat de raming ervan uit dat er geen behoefte is aan aanvullende financiering van steunmaatregelen in verband met verstoringen van de markt of crisissituaties.
(2) Het bedrag voor 2013 is inclusief een raming voor het rooien van wijnstokken 2012.
Tabel 4: Berekening van de financiële gevolgen van de voorstellen voor de hervorming van het GLB wat betreft de marktgerelateerde GLB-uitgaven
In miljoenen EUR (huidige prijzen)
BEGROTINGSJAAR - Rechtsgrondslag Geraamde
behoeften Wijzigingen t.o.v. 2013
2013
(1) 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 Totaal
2014-2020
Uitzonderingsmaatregelen gestroomlijnde en art. 154, 155, 156 pm pm pm pm pm pm pm pm pm
verruimde werkingssfeer rechtsgrondslag
Afschaffing interventie voor durumtarwe en sorgho ex art. 10 pm - - - - - - - -
Voedselprogramma's voor de meest hulpbehoevenden (2) ex art. 27 van Ver. 1234/2007 500,0 -500,0 -500,0 -500,0 -500,0 -500,0 -500,0 -500,0 -3 500,0
Particuliere opslag (vlasvezels) art. 16 n.v.t. pm pm pm pm pm pm pm pm
Steun voor katoen - Herstructurering (3) ex art. 5 van Ver. 637/2008 10,0 -4,0 -4,0 -4,0 -4,0 -4,0 -4,0 -4,0 -28,0
Aanloopsteun voor producentengroeperingen G&F ex. art. 117 30,0 0,0 0,0 0,0 -15,0 -15,0 -30,0 -30,0 -90,0
Schoolfruitregeling art. 21 90,0 60,0 60,0 60,0 60,0 60,0 60,0 60,0 420,0
Afschaffing PO hop ex. art. 111 2,3 -2,3 -2,3 -2,3 -2,3 -2,3 -2,3 -2,3 -15,9
Facultatieve particuliere opslag mageremelkpoeder art. 16 n.v.t. pm pm pm pm pm pm pm pm
Afschaffing steun voor gebruik ondermelk/MMP voor voederdoeleinden/verwerking tot caseïne en gebruik caseïne ex. art. 101, 102 pm - - - - - - - -
Facultatieve particuliere opslag boter (4) art. 16 14,0 [-1,0] [-14,0] [-14,0] [-14,0] [-14,0] [-14,0] [-14,0] [-85,0]
Afschaffing heffing verkoopbevordering melk ex. art. 309 pm - - - - - - - -
TOTAAL 05 02
Nettogevolgen van hervormingsvoorstellen (5) -446,3 -446,3 -446,3 -461,3 -461,3 -476,3 -476,3 -3 213,9
Opmerkingen:
(1) De behoeften voor 2013 zijn geraamd op basis van de ontwerpbegroting van de Commissie 2012, behalve voor a) de sector groenten en fruit waarvoor de behoeften zijn gebaseerd op het financieel memorandum voor de respectieve hervormingen en b) reeds overeengekomen wetgevingswijzigingen.
(2) Het bedrag voor 2013 komt overeen met voorstel COM(2010)486 van de Commissie. Vanaf 2014 wordt de maatregel gefinancierd onder Rubriek 1.
(3) De beschikbare middelen voor het programma voor herstructurering van de katoensector in Griekenland (4 miljoen EUR/jaar) worden vanaf 2014 overgedragen naar plattelandsontwikkeling. De beschikbare middelen voor Spanje (6,1 miljoen EUR/jaar) gaan vanaf 2018 naar de bedrijfstoeslagregeling (reeds besloten).
(4) Geraamde gevolgen in geval van niet-toepassing van de maatregel.
(5) Verwacht wordt dat, bovenop de uitgaven in het kader van de hoofdstukken 05 02 en 05 03, de rechtstreekse uitgaven in het kader van de hoofdstukken 05 01, 05 07 en 05 08 zullen worden gefinancierd uit de bestemmingsontvangsten van het ELGF.
Tabel 5: Berekening van de financiële gevolgen van de voorstellen voor de hervorming van het GLB wat betreft rechtstreekse steun
In miljoenen EUR (huidige prijzen) -
Rechts-
grondslag Geraamde behoeften Wijzigingen t.o.v. 2013
BEGROTINGSJAAR
2013
2013 (1) Aangepast 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 Totaal
(2) 2014-2020
Rechtstreekse steun 42 169,9 42 535,4 341,0 381,1 589,6 768,0 733,2 733,2 733,2 4 279,3
-
-Reeds goedgekeurde
wijzigingen:
Geleidelijke integratie EU-12 875,0 1 133,9 1 392,8 1 651,6 1 651,6 1 651,6 1 651,6 10 008,1
Herstructurering katoen 0,0 0,0 0,0 0,0 6,1 6,1 6,1 18,4
Gezondheids- controle -64,3 -64,3 -64,3 -90,0 -90,0 -90,0 -90,0 -552,8
Vorige hervormingen -9,9 -32,4 -32,4 -32,4 -32,4 -32,4 -32,4 -204,2
-
-Wijzigingen in verband met nieuwe voorstellen GLB-hervorming -459,8 -656,1 -706,5 -761,3 -802,2 -802,2 -802,2 -4 990,3
waarvan: plafonnering 0,0 -164,1 -172,1 -184,7 -185,6 -185,6 -185,6 -1 077,7
TOTAAL 05 03
Nettogevolgen van hervormingsvoorstellen - - - -
-459,8 -656,1 -706,5 -761,3 -802,2 -802,2 -802,2 -4 990,3
TOTAAL UITGAVEN - 42 169,9 42 535,4 42 876,4 42 916,5 43 125,0 43 303,4 43 268,7 43 268,7 43 268,7 302 027,3
Opmerkingen:
(1) Het bedrag voor 2013 is inclusief een raming voor het rooien van wijnstokken 2012.
(2) Met inachtneming van reeds goedgekeurde wetgevingswijzigingen, d.w.z. vrijwillige modulatie voor het VK en artikel 136 "niet-uitgegeven bedragen" vervalt eind 2013.
Tabel 6: Componenten van rechtstreekse steun
In miljoenen EUR (huidige prijzen)
BEGROTINGSJAAR - - - 2015 2016 2017 2018 2019 2020 Totaal
2014-2020
Bijlage II - - - 42 407,2 42 623,4 42 814,2 42 780,3 42 780,3 42 780,3 256 185,7
Betaling voor landbouwpraktijken die gunstig zijn voor klimaat en milieu (30%)
12 866,5 12 855,3 12 844,3 12 834,1 12 834,1 12 834,1 77 068,4
Maximum dat kan worden toegewezen aan betalingen aan jonge landbouwers (2%)
857,8 857,0 856,3 855,6 855,6 855,6 5 137,9
Basistoeslagregeling, toeslag voor gebieden met natuurlijke handicaps, facultatieve gekoppelde steun
28 682,9 28 911,1 29 113,6 29 090,6 29 090,6 29 090,6 173 979,4
Maximum dat van bovenstaande lijnen kan worden weggenomen voor de financiering van de regeling kleine landbouwers (10%)
4 288,8 4 285,1 4 281,4 4 278,0 4 278,0 4 278,0 25 689,3
In bijlage II opgenomen wijnoverdrachten51
159,9 159,9 159,9 159,9 159,9 159,9 959,1
Plafonnering - - - - -164,1 -172,1 -184,7 -185,6 -185,6 -185,6 -1 077,7
Katoen - - - - 256,0 256,3 256,5 256,6 256,6 256,6 1 538,6
POSEI/Kleine eilanden in de Egeïsche Zee - - - - 417,4 417,4 417,4 417,4 417,4 417,4 2 504,4
Tabel 7: Berekening van de financiële gevolgen van de voorstellen voor de hervorming van het GLB wat betreft de overgangsmaatregelen voor het verlenen van rechtstreekse steun in 2014
In miljoenen EUR (huidige prijzen)
BEGROTINGSJAAR - Rechts-
grondslag Geraamde behoeften Wijzigingen
t.o.v. 2013
2013
2013 2014
(1) aangepast
(2)
Bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad 40 165,0 40 530,5 541,9
Geleidelijke integratie EU-12 616,1
Gezondheidscontrole -64,3
Vorige hervormingen -9,9
TOTAAL 05 03
TOTAAL UITGAVEN - - 40 165,0 40 530,5 41 072,4
Opmerkingen:
(1) Het bedrag voor 2013 is inclusief een raming voor het rooien van wijnstokken 2012.
(2) De verlengde nettomaxima zijn inclusief een raming van de wijnoverdrachten naar BTR op basis van door de lidstaten voor 2013 te nemen besluiten.
Tabel 8: Berekening van de financiële gevolgen van de voorstellen voor de hervorming van het GLB wat betreft plattelandsontwikkeling
In miljoenen EUR (huidige prijzen)
Toewijzing voor
BEGROTINGSJAAR - Rechts-
grondslag plattelandsontwikke-Wijzigingen t.o.v. 2013
ling
2013
2013 Aange-2015 2016 2017 2018 2019 2020 Totaal
past (1) 2014
2014-2020
Programma's voor plattelandsontwikkeling 14 788,9 14 423,4
Steun voor katoen - Herstructurering (2) 4,0 4,0 4,0 4,0 4,0 4,0 4,0 28,0
Resultaat plafonnering rechtstreekse steun 164,1 172,1 184,7 185,6 185,6 185,6 1 077,7
Voor PO beschikbare middelen exclusief technische ondersteuning(3) -8,5 -8,5 -8,5 -8,5 -8,5 -8,5 -8,5 -59,4
Technische ondersteuning (3) 27,6 27,6 8,5 3,5 3,5 3,5 3,5 3,5 3,5 29,4
Prijs voor plaatselijke innovatieve 0,0 5,0 5,0 5,0 5,0 5,0 5,0 30,0
samenwerkingsprojecten (4) n.v.t. n.v.t.
TOTAAL 05 04
Nettogevolgen van hervormingsvoorstellen - - - - 4,0 168,1 176,1 188,7 189,6 189,6 189,6 1 105,7
TOTAAL UITGAVEN (vóór 14 455,1 14 455,1 14 455,1 14 455,1 14 455,1 14 455,1 101 185,5
plafonnering) - - 14 816,6 14 451,1 14 455,1
TOTAAL UITGAVEN (na - - 14 816,6 14 451,1 14 455,1 14 619,2 14 627,2 14 639,8 14 640,7 14 640,7
plafonnering) 14 640,7 102 263,2
Opmerkingen:
(1) Aanpassingen overeenkomstig bestaande wetgeving slechts van toepassing tot het einde van het begrotingsjaar 2013.
(2) De bedragen in tabel 1 (deel 3.1) zijn in overeenstemming met die in de mededeling van de Commissie "Een begroting voor Europa 2020" (COM(2011)500 definitief). Besloten moet evenwel nog worden of in het MFK rekening wordt gehouden met de voorgestelde overdracht, met ingang van 2014, van de middelen van één lidstaat voor het nationale herstructureringsprogramma voor katoen naar plattelandsontwikkeling; het betreft een aanpassing (4 miljoen EUR per jaar) van de bedragen voor respectievelijk het ELGF-submaximum en de tweede pijler. In de bovenstaande tabel 8 zijn de bedragen overgedragen, ongeacht of dat ook zo is voor het MFK.
(3) Het bedrag voor 2013 voor technische steun werd vastgesteld op basis van de oorspronkelijke middelen voor plattelandsontwikkeling (overdrachten van eerste pijler niet inbegrepen).
Technische steun voor 2014-2020 wordt vastgesteld op 0,25% van de totale middelen voor plattelandsontwikkeling.
(4) Gedekt door het voor technische steun beschikbare bedrag.
Rubriek van het meerjarig financieel kader 5 "Administratieve uitgaven"
in miljoenen EUR (tot op 3 decimalen)
Opmerking: Verwacht wordt dat de wetgevingsvoorstellen geen gevolgen hebben voor de administratieve kredieten; het is namelijk de
bedoeling dat het wetgevingskader ten uitvoer kan worden gelegd met het niveau van de huidige personele middelen en administratieve uitgaven.
Jaar Jaar Jaar
2014 Jaar
2015 2016 Jaar
2017 2018 Jaar
2019 Jaar
2020 TOTAAL
DG: AGRI
Personele middelen 136,998 136,998 136,998 136,998 136,998 136,998 136,998 958,986
Andere administratieve uitgaven 9,704 9,704 9,704 9,704 9,704 9,704 9,704 67,928
TOTAAL DG AGRI Kredieten 146,702 146,702 146,702 146,702 146,702 146,702 146,702 1 026,914
TOTAAL kredieten
onder RUBRIEK 5 (totaal vastleggingen
van het meerjarig financieel kader = totaal betalingen) 146,702 146,702 146,702 146,702 146,702 146,702 146,702 1 026,914
in miljoenen EUR (tot op 3 decimalen)
Jaar Jaar Jaar ... vul zoveel jaren in als nodig
N52 N+1 Jaar
N+2 N+3 is om de duur van de gevolgen
weer te geven (zie punt 1.6) TOTAAL
TOTAAL kredieten Vastleggingen -
onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 5
van het meerjarig financieel kader Betalingen -
3.2.2. Geraamde gevolgen voor de beleidskredieten
-
-Voor het voorstel/initiatief zijn geen beleidskredieten nodig
x Voor het voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:
Vastleggingskredieten, in miljoenen EUR (tot op 3 decimalen)
Jaar Jaar Jaar Jaar
Vermeld 2014 2015 2016 2017 Jaar
2018 Jaar
2019 Jaar
2020 TOTAAL
doelstellingen
en outputs OUTPUT
Soort -
output
Gem. s
s
s
kosten van de output a l
p uts
a l a l
s
a l
s
a l
p uta l a l
s Totaal
Kosten p ut
Kosten p ut
Kosten Kosten Kosten p ut
Kosten aantal Totale kosten
A a nt
outA a nt
outA a nta ntp ut
Kosten
outAoutA a nt
outA a ntp ut
outA a nt
outoutputs
SPECIFIEKE DOELSTELLING
nr. 5:
Het concurrentievermogen van de landbouwsector verbeteren en het aandeel ervan in de productiewaarde van de voedselketen verhogen
Groenten en Aandeel 830,0 830,0 830,0 830,0 830,0 830,0 830,0 5 810,0
fruit: Afzet via waarde
producenten-van de
organisaties via PO's
afgezette
(PO's)53 productie
in de
waarde
van de
totale
productie
53 Op basis van uitvoering in het verleden en van ramingen in de ontwerpbegroting 2012. Voor de PO's in de sector groenten en fruit zijn de bedragen in overeenstemming met de hervorming van die sector en, zoals reeds is aangegeven in de activiteitenoverzichten van de ontwerpbegroting 2012, zullen de outputs pas eind 2011 bekend zijn.
-
-Wijn: Aantal 54 326 475,1 54 326 475,1 54 326 475,1 54 326 475,1 54 326 475,1 54 326 475,1 54 326 475,1 3 326,0
Nationale hectaren
middelen
Herstructurering
53
-
-Wijn: 1 147 178,9 1 147 178,9 1 147 178,9 1 147 178,9 1 147 178,9 1 147 178,9 1 147 178,9 1 252,6
Nationale
middelen
Investeringen53
-
-Wijn: Hecto- 700 000 98,1 700 000 98,1 700 000 98,1 700 000 98,1 700 000 98,1 700 000 98,1 700 000 98,1 686,4
Nationale liters
middelen
Distillatie
bijproducten53
-
-Wijn: Aantal 32 754 14,2 32 754 14,2 32 754 14,2 32 754 14,2 32 754 14,2 32 754 14,2 32 754 14,2 14,2
Nationale hectaren
middelen
Drinkalcohol53
-
-Wijn: Hecto- 9 37,4 9 37,4 9 37,4 9 37,4 9 37,4 9 37,4 9 37,4 261,8
Nationale liters
middelen
Gebruik van
geconcentreerde
most53
-
-Wijn: 267,9 267,9 267,9 267,9 267,9 267,9 267,9 1 875,3
Nationale
middelen
Afzetbevorde-
ring53
-
-Andere 720,2 739,6 768,7 797,7 820,3 808,8 797,1 5 452,3
Subtotaal voor specifieke doelstelling 2 621.8 2 641,2 2 670,3 2 699,3 2 721,9 2 710,4 2 698,7 18 763,5
SPECIFIEKE DOELSTELLING nr.
6:
Bijdragen tot het landbouwinkomen
en de variabiliteit ervan beperken
Rechtstreekse Aantal 161,014 42 876,4 161,014 43 080,6 161,014 43 297,1 161,014 43 488,1 161,014 43 454,3 161,014 43 454,3 161,014 43 454,3 161,014 303 105,0
inkomenssteun54 hectaren
betaald
(in
miljoenen)
Subtotaal voor specifieke doelstelling 42 876,4 43 080,6 43 297,1 43 488,1 43 454,3 43 454,3 43 454,3 303 105,0
nr. 6
TOTALE KOSTEN
Opmerking: Voor de specifieke doelstellingen 1 tot en met 4 en 7 tot en met 10 moeten de outputs nog worden bepaald (zie deel 1.4.2 hierboven).
3.2.3. Geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten
3.2.3.1. Samenvatting
-
-Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig
x Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals
hieronder nader wordt beschreven:
in miljoenen EUR (tot op 3 decimalen)
Jaar Jaar Jaar
2014 Jaar
2015 2016 Jaar
2017 Jaar
2018 2019 Jaar
2020 TOTAAL
RUBRIEK 5
van het meerjarig -
financieel kader
Personele middelen
55 136,998 136,998 136,998 136,998 136,998 136,998 136,998 958,986
Andere administratieve uitgaven
9,704 9,704 9,704 9,704 9,704 9,704 9,704 67,928
Subtotaal RUBRIEK 5
van het meerjarig
financieel kader
Buiten RUBRIEK 5
van het meerjarig -
financieel kader
Personele middelen -
Andere administratieve uitgaven
3.2.3.2. Geraamde personeelsbehoeften
-
-Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig
x Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder
nader wordt beschreven:
Opmerking: Verwacht wordt dat de wetgevingsvoorstellen geen gevolgen
hebben voor de administratieve kredieten; het is namelijk de bedoeling dat het wetgevingskader ten uitvoer kan worden gelegd met het huidige niveau van de personele middelen en administratieve uitgaven. De cijfers voor de periode 2014-2020 zijn gebaseerd op de situatie voor 2011.
Raming in een geheel getal (of met hoogstens 1 decimaal) -
Jaar Jaar Jaar Jaar
2014 2015 2016 Jaar
2017 Jaar
2018 Jaar
2019 2020
Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en
tijdelijke functionarissen)
XX 01 01 01 (zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie)
1 034 1 034 1 034 1 034 1 034 1 034 1 034
XX 01 01 02 (delegaties) 3 3 3 3 3 3 3
XX 01 05 01 (onderzoek door derden)
10 01 05 01 (eigen onderzoek)
Extern personeel (in voltijdequivalenten: VTE)56
XX 01 02 01 (AC, INT, END van de "totale financiële middelen")
78 78 78 78 78 78 78
XX 01 02 02 (AC, INT, JED, AL en END in de delegaties)
De benodigde personele middelen zullen worden gefinancierd uit de middelen die reeds voor het beheer van deze actie zijn toegewezen en/of binnen het DG zijn herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.
Beschrijving van de uit te voeren taken:
Ambtenaren en tijdelijke
functionarissen
3.2.4. Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader
x Het voorstel/initiatief is verenigbaar met de VOORSTELLEN VOOR HET
meerjarig financieel kader VOOR 2014-2020
-
-Het voorstel/initiatief vergt herprogrammering van de betrokken rubriek van
het meerjarig financieel kader
-
-Het voorstel/initiatief vergt toepassing van het flexibiliteitsinstrument of
herziening van het meerjarig financieel kader
3.2.5. Bijdrage van derden aan de financiering
Het voorstel/initiatief voorziet niet in medefinanciering door derden
x Het voorstel/initiatief betreffende plattelandsontwikkeling (ELFPO) voorziet in
medefinanciering, zoals hieronder wordt geraamd:
Kredieten in miljoenen EUR (tot op 3 decimalen)
Jaar Jaar Jaar Jaar Jaar Jaar Jaar
2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 Totaal
Medefinancieringsbron LS LS LS LS LS LS LS LS
TOTAAL medegefinancierde kredieten
Nog te
58 bepalen Nog te
bepalen Nog te
bepalen Nog te
bepalen Nog te
bepalen Nog te
bepalen Nog te
bepalen Nog te
3.3. - Geraamde gevolgen voor de ontvangsten
x Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten
-
-Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:
-
-x voor de eigen middelen
-
-x voor de diverse ontvangsten
in miljoenen EUR (tot op 3 decimalen)
Voor het Gevolgen van het voorstel/initiatief59
Begrotingsonderdeel voor ontvangsten:lopende
begrotingsjaar
beschikbare Jaar ... vul zoveel jaren in als nodig is om de duur van de gevolgen weer te geven (zie
kredieten Jaar
N Jaar
N+1 N+2 Jaar
N+3
punt 1.6)
Voor de diverse ontvangsten die worden "toegewezen", vermeld het (de) betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven.
Zie de tabellen 2 en 3 in deel 3.2.1.
| publication date | 18-10-2011 |
|---|---|
| reference | 15425/11 |
