Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement:Ontzettingen die voortvloeien uit strafrechtelijke veroordelingen in de Europese Unie - Montesquieu Institute

Montesquieu Institute from science to society

Contents

enveloppe

Sharing

1.

Text

 

RAAD VAN Brussel, 10 maart 2006 (13.03)

(OR. en)

DE EUROPESE UNIE

7162/06

COPEN 22

INGEKOMEN DOCUMENT

van:

de heer Jordi AYET PUIGARNAU, directeur, namens de secretaris- generaal van de Europese Commissie

ingekomen: 21 februari 2006

aan: de heer Javier SOLANA, secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger

Betreft: Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement: Ontzettingen die voortvloeien uit strafrechtelijke veroordelingen in de Europese Unie

Hierbij gaat voor de delegaties Commissiedocument COM(2006) 73 definitief

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Brussel, 21.2.2006 COM(2006) 73 definitief

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES

PARLEMENT

Ontzettingen die voortvloeien uit strafrechtelijke veroordelingen in de Europese Unie

{SEC(2006)220}

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES

PARLEMENT

Ontzettingen die voortvloeien uit strafrechtelijke veroordelingen in de Europese Unie

  • 1. 
    Een ontzetting kan worden gedefinieerd als een maatregel waarbij de mogelijkheid van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon om bepaalde rechten uit te oefenen, bepaalde ambten te bekleden, een activiteit uit te oefenen, zich naar bepaalde plaatsen te begeven of bepaalde handelingen te verrichten, voor een beperkte of onbeperkte periode wordt beperkt
  • 1. 
    Het gaat om een categorie van sancties waarvan

het doel hoofdzakelijk preventief is. Wanneer een persoon die voor een misdrijf is veroordeeld, bepaalde rechten niet meer mag uitoefenen (bijvoorbeeld het recht om met minderjarigen te werken), is dit voornamelijk om hem of haar te beletten te recidiveren. In een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, waarin individuen een hoog niveau van bescherming zouden moeten genieten, zou het dienovereenkomstig nuttig kunnen zijn om het effect van bepaalde ontzettingen op het gehele grondgebied van de Unie te erkennen. Deze kwestie is des te relevanter in een interne markt waarin personen zich vrij kunnen verplaatsen.

  • 2. 
    Ontzettingen vormen een categorie van sancties die in bepaalde omstandigheden, om doeltreffend te zijn, in de hele Unie zouden moeten worden erkend en afgedwongen. Dit wordt erkend in het Haags programma

2, waarin de Europese Raad de Commissie

heeft verzocht om voorstellen in te dienen inzake verbetering van de uitwisseling van informatie uit de nationale registers van veroordelingen en ontzettingen, met name informatie over seksuele delinquenten. Deze doelstelling is ook opgenomen in het gezamenlijk door de Raad en de Commissie op 2-3 juni 2005 goedgekeurde actieplan voor de uitvoering van het Haags programma en in de door de Commissie in mei 2005 vastgestelde mededeling over de wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen en de versterking van het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten

3; in

beide documenten wordt de onderhavige mededeling aangekondigd.

mededeling alleen betrekking op ontzettingen die voortvloeien uit een criminele veroordeling en bv. niet op maatregelen die zijn opgelegd in de context van lopende procedures, maatregelen die uitsluitend met preventieve doelstellingen worden genomen ten aanzien van personen die niet strafrechtelijk aansprakelijk zijn of verboden die het gevolg kunnen zijn van gedragingen die niet strafbaar zijn.

  • 6. 
    Aard van de ontzetting. Een ontzetting kan op verschillende manieren uit een strafrechtelijke veroordeling voortvloeien:

zij kan een door de rechterlijke instantie uitgesproken straf zijn, als aanvulling bij

de hoofdstraf of als alternatieve straf, wanneer zij is uitgesproken in plaats van één of meer hoofdstraffen;

zij kan een bijkomende straf zijn, die automatisch wordt opgelegd als een gevolg

van de hoofdstraf, ook al is zij niet door de rechterlijke instantie uitgesproken;

zij kan worden uitgesproken in administratieve of tuchtrechtelijke procedures die

het gevolg zijn van een strafrechtelijke veroordeling.

  • 7. 
    Materiële werkingssfeer. Het aantal mogelijke soorten ontzettingen stemt overeen met het aantal rechten dat aan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon kan worden ontnomen (bv. een rijverbod, een verbod om in een bepaald gebied te wonen, een verbod om aan procedures voor overheidsopdrachten deel te nemen, een ontzetting uit burgerrechten, politieke rechten of familierechten).
  • 8. 
    Personele werkingssfeer. Ontzettingen kunnen zowel op natuurlijke als op rechtspersonen betrekking hebben. Niet alle lidstaten erkennen de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen
  • 4. 
    Deze kwestie heeft niet specifiek betrekking

op ontzettingen en wordt meer volledig behandeld in het groenboek van de Commissie over sancties

5.

  • 9. 
    Heterogeniteit van ontzettingen in de Unie: zoals wordt uiteengezet in het groenboek over sancties, zijn er grote verschillen in de wetgeving van de lidstaten over sancties;

hetzelfde kan worden gezegd van de wetgeving inzake ontzettingen. In één enkele lidstaat bestaan er veel soorten mogelijke ontzettingen en de aard van deze sancties en de wijze waarop deze worden afgedwongen, kunnen aanzienlijk variëren. Deze heterogeniteit wordt des te meer zichtbaar vanuit het perspectief van de Europese Unie. Hoewel bepaalde ontzettingen in alle lidstaten bestaan bijvoorbeeld rijverboden is dit geenszins de algemene regel

  • 2. 
    OVERZICHT VAN DE OP HET NIVEAU VAN DE EUROPESE UNIE VASTGESTELDE

INSTRUMENTEN

  • 10. 
    Een aantal op het niveau van de Europese Unie vastgestelde instrumenten verwijst naar ontzettingen. Enerzijds zijn er instrumenten die gericht zijn op de onderlinge aanpassing van nationale wetgeving inzake ontzettingen (punt 2.1.). Anderzijds zijn er instrumenten die de gevolgen regelen die een in een lidstaat uitgesproken ontzetting (of een veroordeling) kan hebben in de andere lidstaten (punt 2.2.).

2.1. Instrumenten om straffen onderling aan te passen

  • 11. 
    Deze instrumenten worden opgesomd in de bijlage bij deze mededeling. De meeste vermelden ontzettingen als mogelijke straffen bij een veroordeling voor specifieke misdrijven. De volgende instrumenten bevatten meer normatieve bepalingen betreffende ontzettingen die uit een strafrechtelijke veroordeling voortvloeien:
  • a) 
    Kaderbesluit 2004/68/JBZ ter bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen

en kinderpornografie

7 verzoekt de lidstaten om de nodige maatregelen te

-

nemen om ervoor te zorgen dat een natuurlijke persoon die voor een van de in dat kaderbesluit bedoelde strafbare feiten is veroordeeld, tijdelijk of permanent kan worden verhinderd beroepsactiviteiten uit te oefenen die samenhangen met het toezicht op kinderen (artikel 5, lid 3). Dat wil niet zeggen dat de ontzetting automatisch het gevolg moet zijn van een veroordeling voor een van de relevante strafbare feiten maar betekent alleen dat elke lidstaat, als een van de beschikbare straffen bij een veroordeling, in de mogelijkheid moet voorzien om de persoon te beletten een specifieke activiteit uit te oefenen;

  • b) 
    Kaderbesluit 2003/568/JBZ inzake de bestrding van corruptie in de privé-sector

8 bevat een soortgelijke bepaling (artikel 4, lid 3);

  • c) 
    De recente wetgeving over de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten maakt de procedure voor het plaatsen van dergelijke opdrachten transparanter en helpt zo corruptie en georganiseerde misdaad te bestrijden. Artikel 45, lid 1, van de richtlijn betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten

belangen van de Gemeenschappen kan schaden of witwassen van geld. Deze richtlijn is zowel van toepassing op natuurlijke als op rechtspersonen

10.

Hier kan een parallel worden getrokken met andere EG-richtlijnen die op de financiële sector van toepassing zijn. De meeste van die instrumenten bevatten de standaardbepaling dat het leidinggevende orgaan van de betrokken instelling moet zijn samengesteld uit "betrouwbare" personen. Bijvoorbeeld: op basis van de bankrichtlijn

11 kan een kredietinstelling geen vergunning krijgen om haar

functies uit te oefenen wanneer de betrokken personen niet de noodzakelijke betrouwbaarheid bezitten. Daartoe zullen wellicht hun strafregisters worden gecontroleerd en zullen zij waarschijnlijk geen vergunning krijgen wanneer zij veroordeeld zijn voor misdrijven als witwassen van geld of omkoping. De interpretatie van "betrouwbaarheid" wordt echter overgelaten aan de lidstaten en er vloeit geen systematische ontzetting voort uit het plegen van specifieke strafbare

feiten. Hetzelfde

12geldt voor de wetgeving betreffende

beleggingsondernemingen, effectenhandel13, wettelijke controle van

boekhoudbescheiden14 en verzekeringen15.

2.2. Maatregelen betreffende de gevolgen van veroordelingen of ontzettingen

  • 12. 
    De instrumenten die de gevolgen regelen die een in een lidstaat uitgesproken ontzetting (of een veroordeling) kan hebben in de andere lidstaten, kunnen in drie categorieën worden ingedeeld.
  • 13. 
    Een eerste categorie omvat een reeks richtlijnen die kunnen worden beschouwd als instrumenten die gedeeltelijke wederzijdse erkenning toestaan. Sommige daarvan handelen rechtstreeks over de erkenning van een in een andere lidstaat uitgesproken ontzetting (a en b). Andere zijn gericht op de mogelijke gevolgen inzake ontzetting van een in een andere lidstaat uitgesproken veroordeling (c en d):

10 In dit verband moet ook worden verwezen naar artikel 29, onder c), van de "dienstenrichtlijn", artikel 20, lid 1, onder c), van de "richtlijn voor leveringen" en artikel 24, lid 1, onder c), van de "richtlijn voor werken" die meer gedetailleerd worden besproken in de bijlage. De richtlijn betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten voorziet in de intrekking van deze bepalingen met ingang van 31 januari 2006.

  • a) 
    de richtlijnen over de uitoefening van het actieve en passieve kiesrecht bij de gemeenteraadsverkiezingen

16 en bij de verkiezingen voor het Europees

Parlement17. De eerste richtlijn maakt het mogelijk dat een in een lidstaat

uitgesproken ontzetting uit het passieve kiesrecht in een andere lidstaat wordt erkend. De tweede vereist dat een in een lidstaat uitgesproken ontzetting uit het passieve kiesrecht in een andere lidstaat wordt erkend en maakt het mogelijk dat een in een lidstaat uitgesproken ontzetting uit het actieve kiesrecht in een andere lidstaat wordt erkend;

  • b) 
    de richtlijn betreffende de onderlinge erkenning van besluiten inzake verwdering

18 is erop gericht de erkenning mogelijk te maken van een

verwijderingsbesluit dat door een lidstaat is genomen jegens een onderdaan van een derde land die zich in een andere lidstaat bevindt. Zij is meer bepaald van toepassing op verwijderingsbesluiten die zijn genomen op grond van een ernstige en daadwerkelijke bedreiging van de openbare orde of van de nationale veiligheid, en naar aanleiding van een veroordeling wegens een strafbaar feit dat bestraft kan worden met een vrijheidsstraf van ten minste één jaar. Deze richtlijn is niet van toepassing op gezinsleden van burgers van de Europese Unie die hun recht op vrij verkeer hebben uitgeoefend. Zij vallen onder Richtlijn 2004/38/EG, die strikt de toegestane beperkingen van het vrije verkeer regelt en onderstreept dat voorgaande strafrechtelijke veroordelingen op zichzelf dergelijke beperkingen niet kunnen rechtvaardigen

19;

  • c) 
    de reeds vermelde richtlijn betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten. Dit is een instrument dat de gedeeltelijke wederzijdse erkenning van veroordelingen met zich brengt, aangezien het ertoe leidt dat een in een lidstaat uitgesproken veroordeling normaal gezien de uitsluiting van openbare aanbestedingen in de hele Unie tot gevolg heeft. Wanneer een veroordeling in een lidstaat is uitgesproken, maar de aanbestedende dienst in een andere lidstaat is gelegen, mag die de bevoegde autoriteiten van de eerstbedoelde verzoeken om samenwerking teneinde informatie te verkrijgen over de veroordeling.

-

Op EU-niveau bevat ook het Financieel Reglement20 een mechanisme om natuurlijke personen of rechtspersonen die bepaalde strafbare feiten hebben gepleegd, uit te sluiten van Europese aanbestedingen en subsidies;

  • d) 
    op 7 september 2005 hebben het Europees Parlement en de Raad een nieuwe richtlijn betreffende de erkenning van beroepskwalificaties

21 vastgesteld die de

momenteel op dit gebied van toepassing zijnde vijftien richtlijnen zal vervangen. De richtlijn verplicht de bevoegde autoriteiten van de ontvangende lidstaat en van de lidstaat van oorsprong informatie uit te wisselen over met name tuchtrechtelijke maatregelen of strafrechtelijke sancties die van invloed kunnen zijn op de uitoefening van de betrokken werkzaamheden (artikel 56, lid 2). Deze nieuwe richtlijn versterkt de bestaande verplichting om informatie te verstrekken. Toch leidt het uitwisselen van informatie in de huidige situatie niet automatisch tot een ontzetting uit het recht om het beroep in het ontvangende land uit te oefenen. Deze kwestie wordt aan het ontvangende land overgelaten. In dit opzicht moet worden gewezen op het verschil tussen deze richtlijn en Richtlijn 98/5/EG

22 betreffende het vestigingsrecht van advocaten

(dat onverlet wordt gelaten door de nieuwe richtlijn). Aangezien het recht van vestiging eerder gebaseerd is op de erkenning van de professionele registratie van advocaten dan op hun kwalificaties, garandeert Richtlijn 98/5/EG dat een in de lidstaat van oorsprong uitgesproken ontzetting ook in de ontvangende lidstaat uitwerking heeft.

  • 14. 
    Een tweede categorie omvat instrumenten die niet van kracht zijn of die slechts door een beperkt aantal lidstaten zijn geratificeerd:
  • a) 
    het Deense initiatief "met het oog op de aanneming van een besluit van de Raad betreffende versterking van de samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie met betrekking tot beslissingen inzake vervallenverklaringen"

23

Dit initiatief, dat nog bij de Raad in behandeling is, heeft betrekking op de toegang tot het uitoefenen van een beroepsbezigheid en is beperkt tot natuurlijke personen. Bovendien is het enkel gericht op de uitwisseling van informatie tussen lidstaten en niet op de wederzijdse erkenning van ontzettingsbesluiten

  • b) 
    de EU-Overeenkomst van 1998 betreffende de ontzegging van de rijbevoegdheid
  • 25. 
    Deze overeenkomst voorziet niet in de rechtstreekse

erkenning van in een lidstaat opgelegde rijverboden door alle andere lidstaten en de mechanismen die erin worden vastgesteld, zijn niet gebaseerd op de gedachte die aan het beginsel van de wederzijdse erkenning ten grondslag ligt.

In het bijzonder maakt de overeenkomst het de uitvoerende lidstaat mogelijk ervoor te kiezen de in het buitenland gegeven beslissing om te zetten in een nationale rechterlijke of administratieve beslissing. Tot dusver hebben slecht een beperkt aantal lidstaten de overeenkomst geratificeerd

26.

  • 15. 
    Een laatste categorie bestaat uit resoluties, d.w.z. niet-bindende handelingen, om voetbalgeweld te bestrijden. Een resolutie van de Raad van 1997

27 bepaalt dat

stadionverboden als een doeltreffend instrument ter voorkoming en beteugeling van ongeregeldheden rond nationale voetbalwedstrijden werden ervaren en dat het wenselijk is dat een stadionverbod dat in de ene lidstaat wordt uitgesproken, bij een Europese voetbalwedstrijd wordt gehandhaafd in de andere lidstaten. Een resolutie van 2003

28 verzoekt de lidstaten te onderzoeken of stadionverboden kunnen worden

uitgebreid tot bepaalde voetbalwedstrijden die in andere lidstaten worden gespeeld en of daaraan sancties op niet-naleving van dergelijke verboden kunnen worden gekoppeld.

2.3. Conclusie

  • 16. 
    Uit het voorgaande overzicht blijkt dat:
  • a) 
    een relatief beperkt aantal Europese instrumenten in verplichte ontzettingen voorziet,

d.w.z.

instrumenten die de lidstaten verplichten om ontzettingen uit

beroepsbezigheden op te nemen in de voor een veroordeling beschikbare straffen (zie punt 11, onder a) en b)) of om bepaalde veroordelingen door ontzetting te laten volgen (zoals in de richtlijn betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten);

  • b) 
    met uitzondering van de richtlijn betreffende de onderlinge erkenning van verwijderingsbesluiten

29, de instrumenten over de gevolgen van bepaalde

  • 17. 
    Het instellen van een systeem van uitwisseling van informatie over rijbewijzen wordt momenteel door de Commissie onderzocht. Dit initiatief is gebaseerd op recente arresten van het Hof van Justitie die wijzen op het bestaan van een verplichting voor de lidstaten om in bepaalde omstandigheden informatie uit te wisselen, waardoor het in Richtlijn 91/439/EEG

30 betreffende het rijbewijs vastgestelde systeem van

vrijwillige uitwisseling van informatie wordt uitgebreid. Het recente voorstel voor een richtlijn betreffende het rijbewijs, dat Richtlijn 91/439/EEG herschikt, benadrukt bovendien de behoefte om een verplicht algemeen systeem van uitwisseling van informatie tot stand te brengen.

31

  • 3. 
    MOGELIJKE BENADERINGEN VAN ONTZETTINGEN
  • 18. 
    Twee verschillende benaderingswijzen die elkaar niet uitsluiten, kunnen worden gevolgd om te waarborgen dat ontzettingen op EU-niveau doeltreffende instrumenten worden ter bestraffing van bepaalde misdrijven en ter preventie van recidive. Men kan enerzijds van oordeel zijn dat een ontzetting uit het recht om bepaalde activiteiten uit te oefenen in de hele EU, uit het plegen van bepaalde feiten moet voortvloeien. Anderzijds kan men van mening zijn dat de gevolgen van een nationale ontzetting onder bepaalde voorwaarden moeten worden uitgebreid tot het hele grondgebied van de EU. In elk geval moet elk wetgevend voorstel op dit gebied, overeenkomstig de mededeling van de Commissie van 27 april 2005

32, aan een

diepgaande effectbeoordeling worden onderworpen om in het bijzonder de gevolgen ervan voor de grondrechten te onderzoeken.

3.1. De gevolgen van ontzetting verbinden aan het plegen van bepaalde strafbare feiten

  • 19. 
    Theoretisch kan de in de richtlijn betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten gevolgde benadering op andere sectoren worden toegepast om na een veroordeling voor een bijzonder ernstig misdrijf de toegang tot bepaalde beroepen of activiteiten in de hele Unie te verbieden.
  • de harmonisatie van de duur van de ontzetting zelf om mogelijke discriminatie te vermijden. Momenteel varieert de duur van de ontzetting afhankelijk van de termijn gedurende welke de informatie in het nationale strafregister opgenomen blijft. Het oorspronkelijke voorstel van de Commissie voor de richtlijn betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten

33 heeft de termijn

van automatische ontzetting geharmoniseerd op vijf jaar maar de betrokken bepaling werd niet in de definitieve tekst overgenomen.

  • 21. 
    In de praktijk betekent de vaststelling van een dergelijk instrument dat de toegang tot bepaalde activiteiten tot op zekere hoogte op Europees niveau wordt geregeld en uit hoofde van het subsidiariteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel moet zijn gerechtvaardigd. Deze regulerende aanpak kan ongeschikt zijn voor activiteiten die niet noodzakelijk, zoals in de richtlijn betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten, een EU-dimensie hebben. Dit is ook niet de voor de financiële sector gevolgde benadering (zie punt 11, onder c), hierboven)

3.2. Voorzien in de wederzijdse erkenning van ontzettingen

  • 22. 
    Hoewel de wederzijdse erkenning de hoeksteen vormt voor het instellen van een Europese ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, kan de uitbreiding van de territoriale gevolgen van ontzettingen worden beschouwd als een strafverzwaring en kunnen er vanuit dit oogpunt problemen rijzen met betrekking tot de persoon die wordt geconfronteerd met een uitbreiding van de territoriale werkingssfeer van de ontzetting tot het hele grondgebied van de Europese Unie. Bovendien bestaat er in de Europese Unie een aanzienlijke diversiteit in straffen en een lidstaat die geen ontzetting oplegt voor het betrokken misdrijf, kan gekant zijn tegen de uitbreiding van de gevolgen van een in een lidstaat uitgesproken ontzetting naar de hele Unie

34.

  • 23. 
    Daarom zou een redelijke aanpak er in eerste instantie in bestaan een sectorale benaderingswijze te volgen en voorrang te geven aan de wederzijdse erkenning van ontzettingen op de gebieden waarvoor er reeds een gemeenschappelijke basis tussen de lidstaten bestaat. Dit veronderstelt een voldoende graad van homogeniteit wat straffen betreft; dit is met name het geval wanneer:

verbod35 of het wezen ervan (bv. duur). Het is nodig om de aan de uitvoerende staat

gelaten beoordelingsvrijheid te definiëren.

  • 4. 
    EEN NOODZAKELIJKE VOORWAARDE: VERBETEREN VAN DE INFORMATIESTROOM
  • 25. 
    De twee hierboven beschreven scenario's impliceren dat informatie over veroordelingen en ontzettingen tussen de lidstaten circuleert.

4.1. Veroordelingen

  • 26. 
    Verscheidene stappen werden reeds ondernomen om de bestaande mechanismen voor uitwisseling van informatie te verbeteren:
  • op 13 oktober 2004 diende de Commissie een voorstel in voor een besluit van de Raad inzake de uitwisseling van gegevens uit het strafregister

36, dat gericht is op een

snelle verbetering van de huidige mechanismen voor de uitwisseling van informatie tussen lidstaten, hoofdzakelijk door tijdslimieten op te leggen voor de uitwisseling van deze informatie. Dit voorstel is op 21 november 2005 door de Raad goedgekeurd

37;

  • op 25 januari 2005 heeft de Commissie een witboek gepresenteerd waarin de belangrijkste problemen met betrekking tot de uitwisseling van gegevens over strafrechtelijke veroordelingen worden geanalyseerd en voorstellen worden gedaan voor de invoering van een geautomatiseerd systeem voor gegevensuitwisseling
  • 38. 
    Na

de bespreking van het witboek is de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 14 april 2005 het eens geworden over de te nemen maatregelen. Op basis daarvan en in het kader van de in het Haags programma gedefinieerde doelstellingen heeft de Commissie op 22 december 2005 een wetgevend voorstel ingediend waarin een diepgaande hervorming van de bestaande uitwisselingsmechanismen wordt voorgesteld

  • 39. 
    In 2006 moeten verdere werkzaamheden worden verricht tot

verbetering van de toegang tot informatie over in de Europese Unie jegens onderdanen van derde landen uitgesproken veroordelingen.

4.2. Ontzettingen

  • 28. 
    Ontzettingen zijn een soort sancties waarvan de aard kan verschillen in dezelfde lidstaat en a fortiori in verschillende lidstaten. Zij kunnen worden uitgesproken in de context van strafrechtelijke, civielrechtelijke/handelsrechtelijke, administratieve of tuchtrechtelijke procedures of zij kunnen het automatische gevolg zijn van een veroordeling. Bovendien worden zij in bepaalde lidstaten vaker uitgesproken als administratieve sancties of als tuchtsancties dan als "gerechtelijke" straffen. Deze verschillen maken het moeilijk om toegang te krijgen tot volledige informatie, in het bijzonder wanneer ook de regels betreffende de organisatie van de nationale registers erg verschillen: alle lidstaten houden strafregisters bij, maar uit de door de Commissie verzamelde informatie blijkt een hoge mate van diversiteit tussen de lidstaten, meer in het bijzonder wat de inhoud van dergelijke registers betreft
  • 41. 
    In

sommige lidstaten worden alleen beslissingen van strafgerechten in het register opgenomen, terwijl het register in andere lidstaten ook beslissingen van civiele, handels- en administratieve autoriteiten bevat. Bepaalde nationale registers bevatten bijvoorbeeld ontzettingen uit het recht om het ouderlijk gezag uit te oefenen.

  • 29. 
    De aard van een individuele ontzetting en de werking van het betrokken nationale register bepalen daarom hoe die in het register wordt opgenomen. Terwijl de door de strafgerechten uitgesproken ontzettingen in het algemeen in alle registers zijn opgenomen, is dit geenszins het geval voor ontzettingen die automatisch voortvloeien uit een veroordeling of die na een veroordeling worden uitgesproken door een administratieve autoriteit of een beroepsvereniging. Daarom kan de mate waarin ontzettingen in de nationale registers worden opgenomen, aanzienlijk verschillen tussen lidstaten.
  • 30. 
    Bijgevolg moet de draagwijdte van de verbetering van de uitwisseling van informatie over ontzettingen worden onderzocht, rekening houdend met de behoefte om een hoog niveau van bescherming van persoonsgegevens te waarborgen. De verwerking van persoonsgegevens en de uitwisseling van informatie over ontzettingen moet in elk geval in overeenstemming zijn met het bestaande rechtskader voor het verwerken van persoonsgegevens in de Europese Unie
  • 42. 
    Idealiter moet worden gestreefd naar
  • ii) 
    in een lidstaat opgelegde ontzettingen die automatisch voortvloeien uit een veroordeling in dezelfde staat;
  • iii) 
    in een lidstaat uitgesproken ontzettingen na een strafrechtelijke veroordeling in die lidstaat, ongeacht welke autoriteit de ontzettingen uitspreekt, wanneer de procedure dezelfde waarborgen biedt als een strafrechtelijke procedure;
  • iv) 
    aan rechtspersonen opgelegde ontzettingen voor misdrijven of inbreuken die strafbaar zouden zijn, mochten zij door een natuurlijke persoon zijn gepleegd en waarvoor een rechtspersoon in alle lidstaten (strafrechtelijk of administratiefrechtelijk) aansprakelijk kan zijn

43.

  • 31. 
    In dit verband moet de behoefte worden onderzocht om op EU-niveau minimumregels vast te stellen die de lidstaten verplichten om systematisch op zijn minst bepaalde ontzettingen te registreren in hun nationale registers

44, wanneer er

reeds een gemeenschappelijke basis tussen de lidstaten bestaat.

  • 5. 
    CONCLUSIE
  • 32. 
    Het bestaan van een strafrechtelijke veroordeling die een ontzetting teweegbrengt, is het gemeenschappelijke kenmerk van de lidstaten. Het verbeteren van de toegang tot informatie over in andere lidstaten uitgesproken veroordelingen moet de lidstaten in staat stellen om met die informatie rekening te houden, in het bijzonder met de bedoeling om na te gaan of een persoon toegang mag krijgen tot bepaalde banen of activiteiten. Daarom geeft de Commissie de voorkeur aan een benadering die is gebaseerd op het verbeteren van de circulatie van informatie over veroordelingen en zal zij de reeds verrichte werkzaamheden in de volgende jaren voortzetten.
  • 33. 
    Wat de wederzijdse erkenning van ontzettingen betreft, geeft de Commissie de voorkeur aan een "sectorale" aanpak, in sectoren waarin een gemeenschappelijke basis tussen de lidstaten bestaat. Een meerderheid van de lidstaten is die mening toegedaan. Een dergelijke gemeenschappelijke basis bestaat met name voor ontzettingen uit het recht om met kinderen te werken en voor rijverboden (zie punt 23). In oktober 2004 heeft België een initiatief voorgesteld inzake de wederzijdse erkenning van ontzettingen uit het recht om met kinderen te werken als gevolg van veroordelingen wegens jegens kinderen gepleegde seksuele misdrijven.

De Commissie is ook voornemens om in de toekomst een voorstel voor een

kaderbesluit in te dienen ter vervanging van de Overeenkomst van 1998 betreffende de ontzegging van de rijbevoegdheid (zie punt 14, onder b)). Het doel zal erin bestaan de bestaande EG-instrumenten aan te vullen om de volledige erkenning van ontzeggingen van rijbevoegdheid te waarborgen.

2.

Original view

afbeelding document
 
 

3.

More information

21 feb
'06
COM(2006)73 - Disqualifications arising from criminal convictions in the EU


22 dec
'05
COM(2005)690 - Organisation and content of the exchange of information extracted from criminal records between Member States


4 okt
'05
COM(2005)475 - Protection of personal data processed in the framework of police and judicial co-operation in criminal matters


1 sep
'05
COM(2005)391 - Common standards and procedures in Member States for returning illegally staying third-country nationals


19 mei
'05
COM(2005)195 - European - Parliament Communication on the mutual recognition of judicial decisions in criminal matters and the strengthening of mutual trust between Member States


27 apr
'05
COM(2005)172 - Compliance with the Charter of Fundamental Rights in Commission legislative proposals - Methodology for systematic and rigorous monitoring


17 mrt
'05
COM(2005)91 - Taking account of convictions in the Member States of the EU in the course of new criminal proceedings


25 jan
'05
COM(2005)10 - White Paper on exchanges of information on convictions and the effect of such convictions in the EU


13 okt
'04
COM(2004)664 - Exchange of information extracted from the criminal record


30 apr
'04
COM(2004)334 - Green paper on the approximation, mutual recognition and enforcement of criminal sanctions in the EU


 
 
publication date 10-03-2006
reference 7162/06

Contents