Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het rijbewijs (herschikking) - Montesquieu Institute

Montesquieu Institute from science to society

Contents

enveloppe

Sharing

1.

Text

 

-

RAAD VANBrussel, 5 december 2003 (10.12)

(OR. en)

DE EUROPESE UNIE

15820/03

Interinstitutioneel dossier:

2003/0252 (COD)

TRANS 360 CODEC 1773

VOORSTEL

van:

de Commissie

d.d.: 5 december 2003

Betreft: Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het rijbewijs (herschikking)

Hierbij gaat voor de delegaties het voorstel van de Commissie dat bij brief van mevrouw Patricia BUGNOT, directeur, aan de heer Javier SOLANA, secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger, is toegezonden.

________________________

Bijlage: COM(2003) 621 def.

 

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Brussel, 21.10.2003 COM (2003) 621 definitief

2003/0252 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende het rijbewijs

(herschikking)

(Voorstel ingediend door de Commissie)

TOELICHTING

INLEIDING

Achtergrond

Bepalend voor Richtlijn 91/439/EEG betreffende het rijbewijs1 zijn twee belangrijke

uitgangspunten: versterken van het vrij verkeer van communautaire burgers en bijdragen aan een verbetering van de verkeersveiligheid. Deze uitgangspunten blijven de leidmotieven voor de toekomstige wetgeving betreffende het rijbewijs.

Vanuit kwantitatief oogpunt heeft de Europese wetgeving betreffende het rijbewijs een directe impact op een zeer groot aantal communautaire burgers. Naar schatting 60% van de totale bevolking van de Unie heeft een geldig rijbewijs (ongeveer 200 miljoen burgers). Een groot aantal van deze burgers maakt grensoverschrijdende reizen binnen de EU voor private of professionele doeleinden, en elk jaar vestigen veel reizigers zich metterwoon in een ander land. De directe impact van de communautaire rijbewijswetgeving op de burgers is dan ook niet te onderschatten.

In het recente verleden is een aantal maatregelen genomen om de bestaande nationale rijbewijssystemen te harmoniseren. De rijbewijswetgeving heeft zich echter in fases ontwikkeld en hierdoor is de mate van harmonisering van diverse aspecten eerder beperkt. Tot de invoering van Richtlijn 80/1263/EEG van de Raad was het belangrijkste besluit van internationaal recht het Verdrag van Wenen inzake het wegverkeer (1968).

2 Dit Verdrag had

betrekking op het internationale grensoverschrijdende verkeer. Telkens wanneer communautaire burgers zich metterwoon in een andere lidstaat vestigden, waren bilaterale overeenkomsten van toepassing. Veelal dienden de burgers hun rijbewijs in te wisselen en opnieuw een theoretisch en praktisch examen af te leggen en een medisch onderzoek te ondergaan om een rijbewijs te verkrijgen dat was afgegeven door de nieuwe lidstaat waar hun gewone verblijfplaats was. Het Europees Hof van Justitie echter beschouwde deze praktijk als een belemmering voor het vrij verkeer van personen en verzocht de instellingen dringend de nodige wetgeving op dat gebied in te voeren.

3 De "eerste richtlijn", Richtlijn 80/1263/EEG

geharmoniseerd. Aangezien de wettelijke systemen inzake het rijbewijs op deze punten aanzienlijk blijven verschillen in de 18 lidstaten van de EER, is de rechtsonzekerheid voor burgers die zich metterwoon gaan vestigen in een andere lidstaat toegenomen in plaats van afgenomen. Dit wordt in detail beschreven in de door de Commissie in maart 2002 goedgekeurde "Interpretatieve mededeling betreffende het rijbewijs in de EU"

5

Het is van essentieel belang dat deze rechtsonzekerheid voor burgers, die hun vrij verkeer hindert, wordt weggenomen. Dit aspect van het rijbewijs valt binnen het kader van de veel bredere doelstellingen die door de Europese Raad zijn vastgesteld in de "Agenda van Lissabon", namelijk te komen tot een voor 100% functionerende interne markt. Het wegnemen van het laatste obstakel voor vrij verkeer op dit gebied kan gezien worden als het einde van een proces van geleidelijke harmonisatie.

Bescherming tegen fraude

Een aspect dat steeds belangrijker is geworden, zeer zeker na 11 september 2001, is het aspect bescherming tegen fraude. Dit aspect is aan de orde gesteld op EU-niveau alsook door de overheidsdeskundigen verantwoordelijk voor het rijbewijs, en is aangewezen als een kwestie van grote zorg.

Onderstreept zij dat onder de huidige omstandigheden een goede handhaving van de rijbewijswetgeving niet of nauwelijks mogelijk is. Vanwege het ontbreken van harmonisering wat betreft geldigheidsduur zijn meer dan 80 verschillende modellen (en overeenkomstige verschillende rechten) geldig en in omloop in de lidstaten. Toch geeft een rijbewijs niet enkel toegang tot allerlei voertuigen, mogelijk met een aanzienlijk gewicht en afmetingen; in veel EU-landen kan het ook worden gebruikt als een identificatiedocument om een bankrekening te openen of een vlucht te boeken.

Daarom wordt, om redenen van bescherming tegen fraude en vrij verkeer van burgers, voorgesteld dat als eerste stap nu de volgende maatregelen worden genomen:

· het papieren rijbewijsmodel kan niet langer worden afgegeven met het oog op het verder beperken van het aantal vandaag in omloop zijnde rijbewijsmodellen. Het enige communautaire rijbewijsmodel dat moet worden afgegeven is van het plastic "creditcard" type, dat een grotere bescherming tegen fraude mogelijk maakt;

· de invoering van regelmatige administratieve verlenging van rijbewijzen, hetgeen zal mogelijk maken dat de bescherming tegen fraude van alle rijbewijzen continu wordt geactualiseerd;

· de mogelijkheid van gelijktijdige actualisering van de foto op het rijbewijs, nog een fraudebestrijdingselement dat het beheer en de handhaving van de rijbewijswetgeving vergemakkelijkt.

Beperkte administratieve geldigheid houdt niet in dat het recht om een bepaalde categorie van voertuigen te besturen ter discussie wordt gesteld, en verplicht enkel tot verlenging van het document waaruit dit recht blijkt. De burgers behouden hun verworven rechten, maar de regelmatige verlenging van het document zal helpen bij het verminderen van de uitgebreide mogelijkheden tot fraude die momenteel bestaan.

Deze laatste maatregel zal het tegelijkertijd mogelijk maken dat de laatste overblijvende belemmeringen voor het vrij verkeer van burgers volledig worden opgeheven. Aangezien alle nieuw afgegeven rijbewijzen dezelfde administratieve geldigheid zullen hebben, hetgeen op het rijbewijs zichtbaar is, is het niet nodig dat, zoals vandaag het geval is, nadere nationale regels worden toegepast of bedacht. Het recht om de rijden blijkt duidelijk uit het document zelf en is aldus gemakkelijk herkenbaar voor de houder, de administratieve instanties en de handhavinginstanties.

Voor wat betreft reeds in omloop zijnde rijbewijzen schaft het huidige voorstel, met de nieuwe administratieve geldigheid, het recht van de lidstaten af om hun eigen geldigheidsduur toe te passen op houders van door andere lidstaten afgegeven rijbewijzen die zich metterwoon op hun grondgebied vestigen. Hun rijbewijzen blijven geldig zoals op het rijbewijs bepaald. Voordat het rijbewijs vervalt moet de houder het verlengen in de lidstaat waar zijn gewone verblijfplaats is. Deze bepalingen zullen uiteindelijk zorgen voor de nodige rechtszekerheid voor de houder van een rijbewijs.

Er wordt niet voorgesteld om alle bestaande oudere rijbewijsmodellen in te wisselen wegens het ontbreken van voldoende bescherming tegen fraude of wegens een verschillende geldigheidsduur. Een en ander zou inhouden dat miljoenen rijbewijzen zouden moeten worden ingewisseld, een operatie van een dergelijke omvang dat deze moeilijk te realiseren is, zelfs niet gespreid over een periode van vijf of tien jaar. Derhalve wordt voorgesteld dat de beperkte administratieve geldigheid enkel van toepassing is op rijbewijzen afgegeven vanaf de datum van toepassing van deze richtlijn. Dit zal leiden tot een geleidelijke verdwijning van de oude modellen.

Alle bovengenoemde maatregelen - de invoering van beperkte administratieve geldigheid voor nieuwe rijbewijzen leidend tot een geleidelijke vermindering van het aantal rijbewijsmodellen, het schrappen van het papieren communautaire modelrijbewijs en de mogelijkheid van het inbouwen van een microchip - zullen helpen bij het verbeteren van het niveau van de bescherming tegen fraude en de handhavingmogelijkheden. Deze maatregelen zullen derhalve ook indirect bijdragen tot de wegverkeersveiligheid, een belangrijke factor voor de bescherming van de burgers van de Europese Unie, gezien de voorhanden toegang tot bepaalde types voertuigen.

Verkeersveiligheid

Een ander belangrijk deel van dit voorstel behandelt aspecten die zullen helpen bij het vergroten van de verkeersveiligheid.

Met betrekking tot de harmonisatie van subcategorieën6 vereist artikel 11 van

Richtlijn 91/439/EEG dat de Commissie met een voorstel komt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn (d.w.z. vóór 1 juli 2001). Vandaag zijn subcategorieën facultatief. De harmonisering van subcategorieën moet helpen bij het versterken van het beginsel van geleidelijke toegang door, afhankelijk van de voertuigkenmerken en/of de verantwoordelijkheden van bestuurders van specifieke voertuigen, een minimumleeftijd te vereisen tussen 16 en 24 jaar. Op zich moeten de facultatieve subcategorieën worden geherdefinieerd als verplichte categorieën. In dit verband moet ook een aantal voertuigdefinities worden gewijzigd. Deze wijzigingen moeten bekeken worden met het oog op de eisen inzake verkeersveiligheid.

Dit voorstel brengt eveneens Richtlijn 91/439/EEG betreffende het rijbewijs in overeenstemming met de recente Richtlijn 2003/59/EG betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van professionele bestuurders.

7 Op deze wijze zal het beginsel van

geleidelijke toegang ook worden ingevoerd voor vrachtwagen- en buschauffeurs die niet onder de werkingssfeer vallen van Richtlijn 2003/59/EG.

Het is ook belangrijk het hier te hebben over de invoering van een rijbewijscategorie voor bromfietsen. Bromfietsen, die, vooral bij jongeren, een populair vervoermiddel zijn, maar tegelijkertijd een van de meest kwetsbare voertuigcategorieën, mogen niet langer buiten de werkingssfeer van deze wetgeving worden gelaten.

geen Gemeenschapswijde verplichting inzake medische controles voor houders van een rijbewijs voor auto's of motorrijwielen. Voor de houders van rijbewijzen voor vrachtwagens en bussen zal de periodiciteit van de reeds verplichte medische controles worden geharmoniseerd en samenvallen met de administratief verlenging.

Last but not least behandelt dit voorstel de kwestie van de coherente, pan-Europese toepassing van de intrekking van rijbewijzen. Dit zal gebeuren door het onderbouwen van het beginsel van één rijbewijs (één houder - één rijbewijs). Vandaag vestigen zich te veel burgers in een andere lidstaat om een nieuw rijbewijs aan te vragen wanneer de lidstaat waar zij gewoonlijk verbleven hun rijbewijs heeft ingetrokken wegens een ernstige verkeersovertreding. Deze situatie is in hoge mate onbevredigend voor wat betreft de verkeersveiligheid en vormt de facto een schending van Richtlijn 91/439/EEG.

8 In het huidige voorstel wordt expliciet

gesteld dat de lidstaten geen nieuw rijbewijs mogen afgeven aan een persoon van wie het rijbewijs is ingetrokken en die aldus indirect nog steeds een ander rijbewijs heeft. Dit voorstel moet derhalve zogenaamd "rijbewijstoerisme" ondervangen en het Verdrag inzake de wederzijdse erkenning van de intrekking van rijbewijzen aanvullen,

9 die dezelfde materie

behandelt voor personen in het internationale verkeer, een materie die geregeld wordt in de Verdragen van Genève

10 en Wenen.11

Herschikking

Dit voorstel is een herschikking van Richtlijn 91/439/EEG, in overeenstemming met het interinstitutioneel akkoord over de herschikking van besluiten.

12 Dit betekent dat de richtlijn

in één tekst zowel de materiële wijzigingen die zij aanbrengt in Richtlijn 91/439/EEG als de ongewijzigde bepalingen ervan opneemt. Dit voorstel vervangt en trekt Richtlijn 91/439/EEG in. Een en ander moet helpen bij het toegankelijker en transparanter maken van de communautaire wetgeving.

Conclusie

Concluderend kan worden gesteld dat de drie hoofddoelstellingen van dit voorstel zijn:

· verminderen van de mogelijkheden tot fraude: opheffing van de mogelijkheid om een papieren modelrijbewijs af te geven: er worden uitsluitend nog rijbewijzen in de vorm van een plastic kaart afgegeven; mogelijkheid om een microchip in het rijbewijs in te bouwen; invoering van beperkte administratieve geldigheid voor alle nieuwe rijbewijzen afgegeven vanaf de datum van toepassing van het voorstel;

· bijdragen tot een verbeterde verkeersveiligheid: invoering van een rijbewijs voor bromfietsen; uitbreiding van het beginsel van de geleidelijke toegang tot rijbewijzen voor de zwaarste types van voertuigen; invoering van minimumeisen voor de basiskwalificatie en nascholing van examinatoren; onderbouwing van het beginsel van één rijbewijs (één houder, één rijbewijs).

I. VERMINDEREN VAN DE MOGELIJKHEDEN TOT FRAUDE

I.1. Beschrijving van de huidige situatie

(1) Een rijbewijs geeft de houder het recht een bepaalde categorie van voertuig te besturen. Dit recht wordt zowel door de maatschappij als door de nationale en communautaire wetgever als zeer belangrijk beschouwd. Voor velen staat het behalen van een rijbewijs gelijk met toegang tot een grotere bewegingsvrijheid. De wetgever heeft strikte regels opgelegd voor de afgifte en verlenging van rijbewijzen, die aan bevoegde instanties zijn toevertrouwd en gebaseerd zijn op het beginsel van de gewone verblijfplaats. Dit bevordert de strikte controle van het gehele proces. Richtlijn 91/439/EEG gaat zo ver expliciet te verbieden dat iemand meer dan één rijbewijs heeft.

(2) Echter, zodra een rijbewijs is afgegeven implementeren niet alle lidstaten een strikte follow-up in de vorm van een regelmatige verlenging van het document. Dit gebrek aan harmonisering inzake geldigheidsduur van rijbewijzen is de voornaamste reden dat momenteel een zeer groot aantal verschillende rijbewijsmodellen (meer dan 80) geldig is en gebruikt wordt in de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, waarvan er veel niet in overeenstemming zijn met de geharmoniseerde communautaire modellen. Vele zijn meerdere decennia oud en zijn zeer gemakkelijk te vervalsen. Bijgevolg komt handhaving op het gebied van rijbewijzen bijna niet voor in sommige lidstaten. Gezien de door een rijbewijs verleende rechten moet deze situatie snel en drastisch worden verbeterd.

(3) Teneinde de huidige situatie te verduidelijken, en in overeenstemming met de in artikel 10 van Richtlijn 91/439/EEG neergelegde verplichting, heeft de Commissie een Beschikking inzake gelijkwaardigheid tussen bepaalde categorieën van rijbewijzen aangenomen.

13 Deze beschikking bestaat in een overzicht van alle

geldige rijbewijsmodellen en stelt de overeenkomstige rechten vast in termen van artikel 3 van Richtlijn 91/439/EEG.

14 De in de bovenstaande beschikking opgenomen

gelijkwaardigheidstabellen zijn bijzonder complex en zijn enkel verduidelijkend in die zin dat zij een beschrijving geven van alle bestaande rijbewijzen. Harmonisering van de geldigheidsduur zou geleidelijk helpen bij het verminderen van het aantal rijbewijsmodellen.

(5) Regelmatige verlenging van het document zou ook waarborgen dat de foto op het rijbewijs recent is. Dit probleem is het meest uitgesproken in die lidstaten waar een onbeperkte geldigheidsduur van toepassing is.

(6) Als bijeffect zullen deze maatregelen bijdragen tot de veiligheid van het vervoer. Een verminderd aantal rijbewijsmodellen, beter beschermd tegen fraude, die regelmatig worden verlengd en aldus gemakkelijker te traceren zijn, zal de mogelijkheden van effectieve handhaving en goed beheer verbeteren.

I.2. Voorstellen

Voorstel 1: schrapping van bijlage I, het papieren modelrijbewijs

(7) Om het aantal verschillende in omloop zijnde rijbewijzen de beperken en de bescherming tegen fraude op een hoger niveau te brengen moet het papieren communautaire rijbewijsmodel worden afgeschaft.

Voorstel 2: facultatieve inbouw van een microchip

(8) Om de bescherming tegen fraude nog verder te verhogen, moeten de lidstaten de toestemming krijgen in het communautaire rijbewijsmodel een microchip in te bouwen in de vorm van een plastic kaart. Herhaling van de op de kaart gedrukte informatie in de microchip maakt het mogelijk de bescherming tegen fraude te vergroten en tegelijkertijd te zorgen voor bescherming van de gegevens en informatie betreffende burgers. De functie van de microchip is beperkt tot de functie van een rijbewijs. De mogelijkheid dat het rijbewijs wordt ingetrokken na een ernstige overtreding is aldus gewaarborgd.

(9) De technische specificaties moeten nog door de Commissie worden vastgesteld via de comitologieprocedure teneinde toekomstige interoperabiliteit te waarborgen. Dit zal het niveau van bescherming tegen fraude van het document verhogen en aldus verder de mogelijkheden tot handhaving vergroten. Als bijeffect zullen de veiligheid van vervoersactiviteiten en het autoverkeer in het algemeen worden verbeterd.

de op het rijbewijs vermelde geldigheidsduur afloopt of wanneer een rijbewijs moet worden vervangen ingeval van diefstal of verlies.

Verwachte resultaten

(13) Geharmoniseerde, verplichte en regelmatige administratieve verlenging van rijbewijzen zal helpen bij het realiseren van de volgende doelstellingen:

  • fraudepreventie: alle in omloop zijnde documenten zullen regelmatig worden geactualiseerd

en voorzien zijn van de meest moderne

veiligheidsvoorzieningen om vervalsing en fraude te verminderen; de foto op het document zal een recente foto zijn van de houder;

  • geleidelijke vermindering van het aantal in omloop zijnde rijbewijsmodellen: dit zal helpen bij het verduidelijken van de huidige complexe situatie en betere handhavingmogelijkheden bevorderen;
  • verbetering van het vrij verkeer van rijbewijshouders: de geldigheidsduur van rijbewijzen zal worden geharmoniseerd, zonder verdere beperkingen als gevolg van de toepassing van nationale geldigheidstermijnen of het opleggen van regelmatige medische controles.

(14) De regel zal niet van invloed zijn op verworven rechten en dan ook enkel van toepassing zijn op nieuw afgegeven rijbewijzen. Enkel voor zover een voor de inwerkingtreding van de huidige richtlijn afgegeven rijbewijs moet worden verlengd of ingeval van verlies of diefstal moet de nieuw ingevoerde administratieve geldigheidsduur van toepassing zijn. Op dat moment moet het uniforme in de huidige richtlijn neergelegde rijbewijsmodel in de vorm van een plastic kaart worden afgegeven in overeenstemming met artikel 1, lid 1 en bijlage I.

(15) Vanwege het belang van de op grond van een rijbewijs van categorie C of D (of de relevante sub- en aanhangwagencategorieën) verleende rechten moet de geldigheidsduur van een dergelijk rijbewijs bij afgifte vanaf de leeftijd van 65 jaar beperkt worden tot 1 jaar.

medische onderzoeken. Een dergelijke praktijk is in overeenstemming met artikel 1, lid 3, dat een uitzondering is op het algemene beginsel van bovengenoemd artikel 1, lid 2.

(18) Door de toepassing van artikel 1, lid 3, kan het voorkomen dat een communautaire burger die zijn gewone verblijfplaats verandert van de ene lidstaat naar de andere een medisch onderzoek moet ondergaan of tot de constatatie komt dat zijn rijbewijs op een ander tijdstip verstrijkt dan het tijdstip dat op het rijbewijs vermeld staat, dat zou gegolden hebben in de lidstaat die zijn rijbewijs heeft afgegeven. Momenteel hebben bijna alle lidstaten andere regelingen betreffende medische onderzoeken en de geldigheidsduur van rijbewijzen. Dit betekent dat praktisch geen enkele burger die zich metterwoon in een andere lidstaat vestigt weet wanneer zijn of haar rijbewijs zal vervallen vanwege een verschillende geldigheidsduur, of weet wanneer hij of zij een bij de wetgeving van dat land voorgeschreven medische controle moet ondergaan.

(19) Wil de effectieve wederzijdse erkenning van alle in de lidstaten afgegeven rijbewijzen op algemene schaal worden gerealiseerd dan moeten de hieronder geschetste maatregelen inzake geldigheidsduur en medische controles worden

vastgesteld.

Geldigheidsduur

(20) De geldigheidsduur van rijbewijzen is nog niet geharmoniseerd. In sommige lidstaten zijn sommige categorieën levenslang geldig; in andere lidstaten moeten rijbewijzen regelmatig of vanaf een bepaalde leeftijd worden verlengd.

(21) Artikel 1, lid 3, bepaalt dat de lidstaten hun nationale bepalingen mogen toepassen op

de

geldigheidsduur van rijbewijzen. In de praktijk verschillen de

geldigheidsduurregelingen sterk tussen de lidstaten. Het resultaat is dat op een rijbewijshouder meestal een andere geldigheidsduur van toepassing is bij verandering van verblijfplaats. In het geval dat bijvoorbeeld een Duitse rijbewijshouder verhuist naar Nederland, zal hij een document hebben waarop vermeld staat dat het rijbewijs levenslang geldig is. Nederland zal zijn wetgeving inzake geldigheidsduur toepassen en de Duitse rijbewijshouder verplichten zijn rijbewijs in te wisselen na een periode van tien jaar. Of indien bijvoorbeeld een Zweedse rijbewijshouder zich in Spanje gaat vestigen om daar van zijn pensioen te genieten zal hij geconfronteerd worden met de Spaanse wetgeving die regelmatige medische controles en verlengingen van het rijbewijs vereist (in plaats van de louter administratieve verlenging om de tien jaar in Zweden). Deze situatie creëert rechtsonzekerheid en een gebrek aan transparantie. Dit kwam tot uitdrukking in de klachten die de Commissie heeft ontvangen van honderden burgers dat het beginsel van wederzijdse erkenning in de praktijk niet effectief is gerealiseerd en hun vrij verkeer niet is gewaarborgd.

rijbewijs is niet langer te vertrouwen. Deze situatie kan enkel worden verduidelijkt door het harmoniseren van de geldigheidsduur van rijbewijzen. Alle na de goedkeuring van deze richtlijn afgegeven nieuwe vergunningen moeten periodiek worden verlengd vanwege de administratieve geldigheidsduur en worden ingewisseld voor een nieuw model met state of the art veiligheidsvoorzieningen.

Medische onderzoeken

(24) Deze kwestie houdt nauw verband met de geldigheidsduur. In de meeste lidstaten vallen de verplichte medische onderzoeken samen met de verlenging van de geldigheidsduur van rijbewijzen. Bij Richtlijn 91/439/EEG werd echter niet de periodiciteit van medische onderzoeken geharmoniseerd. Artikel 1, lid 3, staat de lidstaten toe de periodiciteit van de medische controles die zij aan hun burgers opleggen toe te passen op de burgers die zich metterwoon op hun grondgebied vestigen.

(25) Bijlage III bij Richtlijn 91/439/EEG omvat minimumnormen inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig. Alle rijbewijshouder moeten voldoen aan de lichamelijke en geestelijke eisen in deze bijlage zowel op het moment van eerste afgifte als na het behalen van een rijbewijs.

(26) In het kader van bijlage III bij Richtlijn 91/439/EEG zijn de categorieën van rijbewijzen verdeeld in twee groepen. Groep 1 omvat de categorieën A1, A, B1, B en B+E (auto's en motorrijwielen), groep 2 bestaat uit de categorieën C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D en D+E (bussen en vrachtwagens).

(27) Voor wat betreft groep 1 wordt geen medisch onderzoek opgelegd bij de eerste afgifte van een rijbewijs. Een medisch onderzoek is enkel voorgeschreven in gevallen van twijfel ten aanzien van de rijgeschiktheid van de aanvrager. Er zijn evenmin medische onderzoeken voorgeschreven nadat een rijbewijs werd behaald.

De huidige regels betreffende de intervallen tussen medische onderzoeken voor deze categorieën van rijbewijzen voor auto's en motorrijwielen zijn niet dezelfde in de meeste lidstaten. Toch zijn drie belangrijke benaderingen vast te stellen in de

lidstaten:

(vrachtwagens en bussen) terwijl voor bestuurders van groep 1 (auto's en motorrijwielen) de lidstaten de toestemming zouden moeten krijgen desgewenst dergelijke onderzoeken uit te voeren, maar dan enkel op het moment van verlenging. Een dergelijke maatregel zal de transparantie voor de burgers en overheden vergroten, effectief vrij verkeer van burgers realiseren en bijdragen tot het verbeteren van de verkeersveiligheid.

II.2. Voorstellen

(30) De bovengenoemde problemen kunnen worden opgelost door de in punt I.2 voorgestelde maatregel, de invoering van administratieve verlenging. Dit voorstel zal echt vrij verkeer van burgers met betrekking tot rijbewijzen waarborgen.

(31) Om te voorzien in de invoering van een administratieve geldigheidsduur zou artikel 1, lid 3, moeten worden geschrapt. Alle nieuw afgegeven rijbewijzen zullen een identieke administratieve geldigheidsduur hebben overal in de Europese Unie. Alle oude rijbewijzen die nog steeds geldig zijn en in omloop zijn moeten als zodanig worden erkend zonder de mogelijkheid van beperking van de geldigheidsduur of het opleggen van restrictieve maatregelen zoals medische controles.

III. BIJDRAGEN TOT EEN VERBETERDE VERKEERSVEILIGHEID

III.1. De kwestie van de periodieke medische onderzoeken

Beschrijving van de huidige situatie

(32) Regelmatige medische controles van bestuurders van bussen en vrachtwagens zijn gerechtvaardigd vanwege de verhoogde verantwoordelijkheid van dergelijke bestuurders. Bovendien vereisen de kenmerken van dergelijke voertuigen (gewicht, afmetingen, belasting, enz.) en de tijd die achter het stuur besteed wordt een grote deskundigheid en een verhoogde lichamelijke geschiktheid. Dergelijke bestuurders moeten dan ook regelmatig een onderzoek ondergaan vanaf het tijdstip van afgifte van het rijbewijs. De eisen voor de bestuurders van bussen en vrachtwagens zullen stringenter zijn dan voor de bestuurders van auto's en motorrijwielen.

(36) De medische onderzoeken die moeten worden ondergaan moeten samenvallen met de administratieve verlenging van het rijbewijsdocument. Dit zal de transparantie voor de burgers vergroten. Bij de vervaldatum op het rijbewijs moet duidelijk worden vermeld dat het document moet worden verlengd; op dat moment kan een medisch onderzoek worden uitgevoerd voor groep 1 of moet het plaatsvinden voor groep 2; een medisch onderzoek wordt niet gehouden op een andere datum dan de vervaldatum die op het rijbewijs vermeld staat.

(37) Medische onderzoeken worden altijd uitgevoerd in de lidstaat van gewone verblijfplaats waar de verlenging plaatsvindt; ingevolge het beginsel van subsidiariteit mogen de lidstaten zelf de bevoegde instantie aanwijzen.

III.2. Definities van voertuigcategorieën17

(38) De praktische toepassing van Richtlijn 91/439/EEG heeft de noodzaak aan het licht gebracht de definities van meerdere voertuigcategorieën te verduidelijken. Voorts voorziet artikel 11 van Richtlijn 91/439/EEG in de expliciete verplichting voor de Commissie om vijf jaar na de datum van toepassing van de richtlijn (d.w.z. voor 1 juli 2001) een onderzoek in te stellen naar de subcategorieën met het oog op de eventuele harmonisatie of afschaffing ervan. Met het oog op de eisen van de verkeersveiligheid wordt het concept van geleidelijke toegang uitgebreid tot bepaalde categorieën van rijbewijzen. Terwille van de transparantie worden alle categorieën hieronder vermeld. Alle subcategorieën worden in het voorstel in categorieën omgezet en in alle lidstaten ingevoerd, behalve wat betreft categorie B1, die voorlopig facultatief blijft.

III.2.1. Gemotoriseerde tweewielers

Beschrijving van de huidige situatie

Bromfietsen

(39) Momenteel vallen bromfietsen niet binnen de werkingssfeer van

Lichte motorrijwielen

(41) Lichte motorrijwielen zijn vandaag beperkt tot 125 cc en 11 kW. Richtlijn 91/439/EEG legt geen vermogen/gewichtsverhouding op. Dit kan leiden tot steeds lichtere voertuigen, waardoor het acceleratievermogen en de topsnelheid constant kunnen toenemen. De bijkomende invoering van een vermogen/gewichtscriterium zal verhinderen dat houders van een rijbewijs van categorie A1 zeer lichte en zware voertuigen mogen besturen.

Motorrijwielen

(42) Richtlijn 91/439/EEG voorziet momenteel in de volgende regel voor wat betreft de geleidelijke toegang tot zware motorrijwielen: voor het besturen van motorrijwielen met een vermogen van meer dan 25 kW of een vermogen/gewichtsverhouding van meer dan 0,16 kW/kg is een rijervaring van ten minste twee jaar op minder zware motorrijwielen vereist. Aldus is binnen de huidige categorie A voor motorrijwielen een beperkte en een onbeperkte categorie gecreëerd bij Richtlijn 91/439/EEG. Elk van de twee types van motorrijwielen wordt aangeduid met een ander pictogram op het rijbewijsmodel, maar er wordt geen onderscheid gemaakt voor wat betreft de benaming, aangezien beide rijbewijzen van categorie A zijn.

(43) De beperkte categorie A bestaat uit veel motorrijwielen waarvan het vermogen gereduceerd werd. In veel gevallen produceren fabrikanten motorrijwielen voor categorie A onbeperkt binnen het bereik van 300 cm³ tot 1000 cm³ die zij dan artificieel beperken zodat zij binnen categorie A beperkt vallen. Hierdoor worden soms motorrijwielen geproduceerd met kenmerken die niet in overeenstemming zijn met het beperkte vermogen. Bovendien kan met deze motorrijwielen ook worden geknoeid voordat zij in het verkeer worden gebracht.

(44) Bovendien kunnen bestuurders de eis van twee jaar praktijkervaring eenvoudig omzeilen door twee jaar te wachten na het verkrijgen van een rijbewijs van het type "A beperkt": kandidaten kunnen bijvoorbeeld het examen afleggen op 18-jarige leeftijd, vervolgens helemaal niet rijden en bij het bereiken van de 20-jarige leeftijd een zwaar motorrijwiel aanschaffen.

voor directe toegang op te trekken. Om dezelfde redenen moet de definitie van categorie A worden herzien om beginnende motorrijders in de mogelijkheid te stellen ervaring op te doen op enigszins zwaardere motorrijwielen.

(48) Derhalve krijgt de huidige categorie A, die momenteel gesplitst is in een beperkt en een onbeperkt deel, respectievelijk de nieuwe benaming categorie "A2" en categorie "A". Om het reduceren van het vermogen van motorrijwielen te voorkomen zal een bijkomende technische eis worden ingevoerd voor categorie A2. De geleidelijke toegang tot deze categorie zal worden gecontroleerd door de invoering van een

beperkt praktisch examen.

(49) De definitie voor zware motorrijwielen blijft ongewijzigd, maar de minimumleeftijd voor directe toegang tot deze categorie wordt opgetrokken (zie hieronder).

Voorstel

Bromfietsen

(50) Bromfietsen, d.w.z. twee- of driewielige voertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km/h met de volgende kenmerken: een motor met een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 indien het een motor met inwendige verbranding betreft, of een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een elektrische motor betreft. Bromfietsen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 6 km/h en rijwielen met trapondersteuning zijn uitgesloten. Bij driewielige bromfietsen mag het nettomaximumvermogen van de motor niet meer bedragen dan 4 kW voor andere soorten motoren met inwendige verbranding. Deze definitie is ontleend aan Richtlijn 2002/24/EG betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen.

18

(51) Voor wat betreft lichte vierwielers, d.w.z. vierwielige motorvoertuigen, zijn in allerlei gevallen andere verkeersregels van toepassing. Het lijkt aldus niet aangewezen deze groep van voertuigen in deze richtlijn op te nemen. De definitie is in overeenstemming met Richtlijn 2002/24/EG.

(54) Artikel 3, lid 5, van Richtlijn 91/439/EEG, dat bepaalt dat de lidstaten extra beperkende voorschriften kunnen opleggen, moet worden geschrapt.

Motorrijwielen

(55) De definities van motorrijwielen moeten worden gewijzigd als volgt:

  • Categorie A2: motorrijwielen, met of zonder een zijspan, met een maximaal vermogen van 35 kW, een maximale vermogen/gewichtsverhouding van 0,2 kW/kg en niet afgeleid van een voertuig met een vermogen dat meer dan tweemaal zo groot is.
  • Categorie A: motorrijwielen met of zonder zijspan.

Algemeen

(56) De houder van een rijbewijs voor een categorie van gemotoriseerde tweewielers heeft het recht eventuele lagere categorieën van gemotoriseerde tweewielers de besturen.

(57) Indien iemand reeds een rijbewijs voor categorie A1 of A2 heeft behaald, moet de verplichting om een theoretisch examen af te leggen om toegelaten te worden tot een hogere categorie van motorrijwielen vervallen. Er kan ten aanzien van de vereiste theoretische kennis geen realistisch onderscheid worden gemaakt tussen de categorieën A1, A2 en A. Hiermee zijn overbodige examens uitgesloten. Het praktische examen met een voertuig van de relevante categorie moet echter worden behouden vanwege de verschillende voertuigkenmerken van beide categorieën.

III.2.4. Motorvoertuigen (categorieën B, B+E en B1)

Beschrijving van de huidige situatie

(58) De huidige definitie van categorie B, op grond waarvan

voertuig-aanhangwagensamenstellen van minder dan 3500 kg binnen categorie B vallen indien de maximaal toegestane massa van de aanhangwagen niet groter is dan de ledige massa van het trekkend voertuig, geeft praktische problemen: bestuurders die van trekkend voertuig of van aanhangwagen veranderen, kunnen verplicht worden een bijkomend examen af te leggen voor categorie B+E. Bovendien vallen sommige voertuigsamenstellen, waarvan de eigenschappen en kenmerken speciale vaardigheden in het besturen van grotere aanhangwagens vereisen, binnen categorie

B en niet B+E (in sommige gevallen hebben de samenstellen een lengte van meer dan 10 meter). Er moet een duidelijke gewichtlimiet worden geïntroduceerd veeleer dan een trekkend voertuig/aanhangwagenverhouding: aanhangwagens met een maximaal toegestane massa van meer dan 750 kg mogen alleen worden bestuurd met een rijbewijs B+E. Zelfs bestuurders van C- en D-voertuigen moeten een bijkomend examen afleggen om aanhangwagens van meer dan 750 kg te mogen trekken. Deze nieuwe aanhangwagendefinities voor de categorieën B en B+E zijn in overeenstemming met de technische eisen inzoverre in de praktijk een remsysteem vereist is voor aanhangwagens van meer dan 750 kg.

Voorstel

(59) De definities van motorvoertuigcategorieën moeten worden gewijzigd als volgt:

  • Categorie B: motorvoertuigen met een maximaal toegestane massa van ten hoogste 3500 kg waarmee niet meer dan 8 passagiers worden vervoerd, de bestuurder niet meegerekend; aan de motorvoertuigen van deze categorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximaal toegestane massa van ten hoogste 750 kg;
  • Categorie B+E: samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie B en een aanhangwagen met een maximaal toegestane massa van meer dan 750 kg.

(60) Ten aanzien van categorie B1, gemotoriseerde driewielers en vierwielers, is de definitie in overeenstemming gebracht met Richtlijn 2002/24/EG. Categorie B1 blijft facultatief.

III.2.5. Vrachtwagens en bussen (categorieën C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D, D+E)

Beschrijving van de huidige situatie

(61) Alle categorieën van vrachtwagens en bussen: de huidige definities van Richtlijn 91/439/EEG verwijzen naar het aantal zitplaatsen. Dit leidt tot een situatie waar bijvoorbeeld een voertuig zoals een bus met vooral staande passagiers en slechts enkele zitplaatsen bestuurd mag worden door een houder van een rijbewijs van categorie B of D1 in plaats van een houder van een rijbewijs van categorie D. Dit geldt voor alle rijbewijscategorieën. De definitie moet derhalve verwijzen naar het aantal passagiers veeleer dan naar het aantal zitplaatsen.

(62) Categorieën C1 en D1: de subcategorieën C1 en D1 zijn momenteel facultatief en bestaan niet in alle lidstaten van de Europese Unie en van de EER. Deze subcategorieën moeten in alle lidstaten als categorieën worden ingevoerd aangezien zij een beter onderscheid in termen van het rijbewijs mogelijk zullen maken tussen de grootste vrachtwagens en bussen die vooral voor commercieel vervoer worden gebruikt en de kleinere vrachtwagens en bussen die voor verschillende doeleinden worden gebruikt.

leidt tot een aantal ongewenste effecten. In de eerste plaats wordt de houder van het rijbewijs opgeleid en geëxamineerd op de kleinere voertuigen terwijl hij ook de grotere voertuigen mag besturen die andere rijvaardigheden vereisen. In de tweede plaats zijn voertuigen tussen 6000 en 7500 kg afgeleid van de vrachtwagens van de categorie 12000 kg: zij worden aldus gemakkelijk overbelast.

(65) Verder zijn er plannen om in een equivalentie te voorzien, waardoor de houders van een rijbewijs van categorie D1 bevoegd zijn om voertuigen van categorie C1 te besturen en vice versa, mits wordt voldaan aan de verschillende leeftijdseisen die gelden voor de twee categorieën. Het chassis van voertuigen van categorie C1 van minder dan 6 000 kg heeft gewoonlijk dezelfde constructie als dat van voertuigen van categorie D1; alleen de carrosserie van de voertuigen verschilt.

(66) Categorieën D1 en D: de definities van de categorieën D1 en D moeten worden herzien om nieuwe criteria op te nemen betreffende vermogen en lengte van dergelijke voertuigen.

(67) Ten aanzien van de categorieën C, C1, D, D1 en de respectieve aanhangwagencategorieën is geleidelijke toegang een duidelijk vereiste voor de verkeersveiligheid. Dit vloeit voort uit het feit dat voor het besturen van dergelijke voertuigen meer ervaring is vereist vanwege de specifieke kenmerken van de voertuigen die in deze groepen vallen, met name ten aanzien van hun gewicht, afmetingen, technische kenmerken en bestuurbaarheid. Dergelijke geleidelijke toegang wordt gerealiseerd door continue verwijzing naar de communautaire wetgeving betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van beroepsbestuurders en moet in overeenstemming worden gebracht met die wetgeving.

19 Op deze wijze worden niet-beroepsbestuurders eveneens onderworpen

aan het beginsel van geleidelijke toegang.

(68) Volledigheidshalve worden hieronder alle definities gegeven, zelfs daar waar zij niet

zijn gewijzigd.

Voorstel

  • Categorie C1: voor het vervoer van goederen gebruikte motorvoertuigen, met een maximaal toegestane massa van meer dan 3500 kg, doch ten hoogste 6000 kg en waarmee behalve de bestuurder niet meer dan acht passagiers worden vervoerd; aan de motorvoertuigen van deze categorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximaal toegestane massa van ten hoogste 750 kg. De facultatieve subcategorie wordt omgezet in een volledige categorie en in alle lidstaten ingevoerd.
  • Categorie C1+E: samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie C1 en een aanhangwagen met een maximaal toegestane massa van meer dan 750 kg, mits de maximaal toegestane massa van het aldus gevormde samenstel ten hoogste 12000 kg bedraagt en de maximaal toegestane massa van de aanhangwagen de ledige massa van het trekkende voertuig niet overschrijdt. (niet gewijzigd)
  • Categorie D: motorvoertuigen voor het vervoer van passagiers waarmee behalve de bestuurder meer dan 8 passagiers kunnen worden vervoerd; aan de motorvoertuigen van deze categorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximaal toegestane massa van ten hoogste 750 kg.
  • Categorie D+E: samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie D en een aanhangwagen met een maximaal toegestane massa van meer dan 750 kg. (niet gewijzigd)
  • Categorie D1: motorvoertuigen voor het vervoer van passagiers waarmee behalve de bestuurder niet meer dan 16 passagiers kunnen worden vervoerd en met een maximumlengte van niet meer dan zeven meter; aan de motorvoertuigen van deze categorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximaal toegestane massa van ten hoogste 750 kg.
  • Categorie D1+E: samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie D1 en een aanhangwagen met een maximaal toegestane massa van meer dan750 kg, mits:

minimumleeftijdsgrens moet derhalve van de huidige 21 jaar tot 24 jaar worden opgetrokken.

(72) Tegelijk moet het minimumaantal jaren dat wordt opgelegd voor geleidelijke toegang worden opgetrokken van twee tot drie jaar, waardoor de ervaringseis wordt uitgebreid. Geleidelijke toegang tot dergelijke motorrijwielen moet altijd onderworpen worden aan een afzonderlijk praktisch examen op een voertuig in de respectieve categorie, zodat geleidelijke toegang zonder het bezit van praktische rijvaardigheden niet langer mogelijk is.

(73) Het niveau van de opleidingsnormen voor beroepsbestuurders is onlangs ingesteld bij Richtlijn 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders

20 Er is geleidelijke

toegang ingesteld voor deze bestuurders. De overige, niet-beroepsbestuurders, als bedoeld in artikel 2 van de genoemde richtlijn, moeten evenzo tot deze categorieën van rijbewijzen worden toegelaten, en pas op een hogere leeftijd tot de hogere categorieën toegang krijgen.

Voorstellen

(74) De leeftijdsgrens voor A1 en B1 blijft ongewijzigd; voor AM wordt deze 16 jaar,

maar de lidstaten mogen toegang tot AM toestaan vanaf de leeftijd van 14, hetgeen

enkel geldt op het nationale grondgebied.

(75) De leeftijdsgrenzen voor de categorieën B en B+E blijven ongewijzigd. De afwijking van de minimumleeftijd in artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/439/EEG blijft echter beperkt tot categorie B: de lidstaten mogen toegang tot B toestaan vanaf de leeftijd van 17, hetgeen enkel geldt op het nationale grondgebied.

(76) Om te zorgen voor geleidelijke toegang tot de categorieën C1, C, D1, D en de respectieve aanhangwagencategorieën op basis van gewicht en afmetingen van het bestuurde voertuig worden rijbewijzen van de categorieën C1 en C1+E afgegeven aan kandidaten vanaf de leeftijd van 18 en rijbewijzen van de categorieën C en C+E vanaf de leeftijd van 21. Een soortgelijk onderscheid wordt gemaakt voor rijbewijzen van de categorieën D1 en D1+E, die kunnen worden afgegeven vanaf de leeftijd van 21, terwijl rijbewijzen van de categorieën D en D+E enkel kunnen worden afgegeven vanaf de leeftijd van 24. Dit is van toepassing op niet-professionele rijbewijshouders en onverminderd de regels die zijn vastgesteld voor beroepsbestuurders in overeenstemming met de communautaire regels betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders zoals bij Richtlijn 2003/59/EG ingesteld.

(78) De minimumleeftijden zijn aldus als volgt:

  • Categorieën AM, A1 en B1: 16 jaar; 14 jaar mogelijk voor AM (enkel op

nationaal grondgebied)

  • Categorie A2: 18 jaar
  • Categorieën B en B+E: 18 jaar; 17 jaar mogelijk voor B (enkel op nationaal grondgebied)
  • Categorieën C1 en C1+E: 18 jaar
  • Categorieën C en C+E: 21 jaar
  • Categorieën D1 en D1+E: 21 jaar
  • Categorieën D en D+E: 24 jaar
  • Categorie A: 21 jaar / 24 jaar

III.4. Geleidelijke toegang tot motorvoertuigen

(79) Om enige vorm van geleidelijke toegang in het kader van toekomstige wijzigingen van deze wetgeving mogelijk te maken moet categorie B1 facultatief blijven.

(80) Het huidige voorstel voor een nieuwe richtlijn moet de lidstaten in staat stellen de termijn voor de administratieve verlenging van voor het eerst afgegeven rijbewijzen te verkorten tot drie jaar. Op deze wijze kunnen specifieke maatregelen worden toegepast op beginnende bestuurders om hen in staat te stellen meer ervaring op te doen onder bepaalde omstandigheden.

III.5. Minimumeisen voor examinatoren

Beschrijving van de huidige situatie

Voorstel (nieuwe bijlage IV bij Richtlijn 91/439/EEG)

(83) Examinatoren moeten altijd een geldig rijbewijs hebben in de respectieve categorie waarin zij examineren. Verder moeten zij een basiskwalificatie hebben behaald en zijn zij verplicht deel te nemen aan periodieke opleidingen.

(84) Examinatoren moeten een uitgebreide basisopleiding krijgen en een basiskwalificatie behalen voordat zij mogen examineren. Voor wat betreft het recht om te examineren in de verschillende categorieën geldt de geleidelijke toegang: eerst examineren zij kandidaten voor categorie B (90% van alle examens); pas nadat zij hiermee ervaring hebben opgedaan en een bijkomende kwalificatie voor andere categorieën hebben behaald, mogen zij kandidaten examineren in andere categorieën.

IV. VARIA

IV.1. Evaluatie (artikel 15)

(85) Vijf jaar na de uiterste termijn voor omzetting van deze richtlijn in nationale wetgeving wordt een evaluatie van de nieuw ingevoerde bepalingen uitgevoerd ten aanzien van de definities van de categorieën (en minimumleeftijden) en de effecten ervan op de verkeersveiligheid. Tegelijk wordt ook een evaluatie verricht met betrekking tot de mogelijke invoering van geleidelijke toegang tot categorie B, inclusief categorie B1.

IV.2. Aanpassingen van het communautaire model (bijlage I)

(86) De categorieën AM, A1, A2 en A worden vermeld op na de inwerkingtreding van dit

voorstel afgegeven rijbewijzen (lay-out van het communautaire model).

IV.3. Examenvoertuigen (Annex II)

(87) Gegeven de gewijzigde definities voor de motorrijwielcategorieën (zie III.2) zijn hiervoor nieuwe examenvoertuigen nodig.

van Justitie van de Europese Gemeenschappen gewezen op de effecten die het rijbewijsgebeuren kan hebben op het vrij verkeer van burgers, een van de bij het Unieverdrag gegarandeerde kernvrijheden.

(90) De voorgestelde maatregelen zullen indirect de vervoersveiligheid verbeteren door de verbeterde fraudebestendigheid van het communautaire rijbewijsmodel, de facultatieve inbouw van een microchip en het schrappen van het papieren communautaire rijbewijsmodel.

(91) De doelen van de voorgestelde wettelijke maatregelen kunnen niet voldoende door de lidstaten alleen worden bereikt. De nationale rijbewijssystemen verschillen sterk en met name de aspecten van vrij verkeer en vrijheid van vestiging komen niet tot hun recht. Ook hierop is duidelijk gewezen door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

2003/0252 (COD)

91/439/EEG (aangepast)

Voorstel voor een

RICHTLIJN .../.../EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van [...]

betreffende het rijbewijs

(herschikking)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel

71 75,

Gezien het voorstel van de Commissie1,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité2,

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag3,

Overwegende hetgeen volgt:

91/439/EEG overweging 2

Overwegende dat een eerste fase in die zin is bereikt door de eerste Richtlijn 80/1263/EEG

van de Raad van 4 december 1980 betreffende de invoering van een Europees rijbewijs

4, waarbij een Europees model van het nationale rijbewijs werd vastgesteld,

-

alsmede door de onderlinge erkenning door de lidstaten van nationale rijbewijzen en het inwisselen van rijbewijzen door houders die hun verblijfplaats of hun plaats van arbeid van een lidstaat naar een andere overbrengen; dat op de ingeslagen weg moet worden voortgegaan;

91/439/EEG overweging 3

Overwegende dat het bij Richtlijn 80/1263/EEG vastgestelde Europese model voor het

nationaal rijbewijs dient te worden aangepast om met name rekening te houden met de harmonisatie van de categorieën en subcategorieën voertuigen en om de begrijpelijkheid van de rijbewijzen zowel binnen als buiten de Gemeenschap te vergroten;

nieuw

(1) Richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs 5 is

herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd. Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van deze richtlijn te worden overgegaan.

(2) Ondanks de vorderingen op het gebied van harmonisatie van de voorschriften betreffende het rijbewijs blijven er tussen de wetgevingen van de lidstaten elementaire verschillen bestaan die, teneinde bij te dragen tot het verwezenlijken van het communautaire beleid, een diepgaandere harmonisatie vereisen. De voorschriften betreffende het rijbewijs zijn een onontbeerlijk bestanddeel om het gemeenschappelijk vervoersbeleid te verwezenlijken en de veiligheid van het wegverkeer te verbeteren alsook om het verkeer te vergemakkelijken van personen die zich in een andere lidstaat vestigen dan de lidstaat die het rijbewijs heeft afgegeven. Rekening gehouden met het belang van individuele vervoermiddelen, bevordert het bezit van een door de gaststaat naar behoren erkend rijbewijs aldus het vrije verkeer van burgers.

die vanaf de toepassing van deze richtlijn worden afgegeven of verlengd, te worden geharmoniseerd.

(4) De invoering van een administratieve geldigheidsduur zal het mogelijk maken de rijbewijzen regelmatig te verlengen teneinde de nieuwste maatregelen om vervalsing tegen te gaan, toe te passen en op het moment van de periodieke verlenging medische onderzoeken of andere door de lidstaten vastgestelde maatregelen uit te voeren, zoals het geven van cursussen om de theoretische kennis of praktische vaardigheden weer

op peil te brengen.

(5) De lidstaten kunnen medische onderzoeken opleggen teneinde de naleving te waarborgen van de minimumnormen inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorvoertuig. Ingeval een onderzoek wordt opgelegd, dient, ter wille van de doorzichtigheid, deze periodiciteit samen te vallen met de verlenging van het rijbewijs en wordt deze dus bepaald door de geldigheidsduur van het rijbewijs.

(6) De naleving van de minimumnormen inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorvoertuig, ten aanzien van bestuurders van een voertuig dat bestemd is voor het vervoer van personen of goederen en dat tot bepaalde categorieën behoort, moet worden gecontroleerd in het kader van een medisch onderzoek op het ogenblik van de afgifte van het rijbewijs en vervolgens periodiek, overeenkomstig de nationale wettelijke bepalingen. Het is nodig de periodiciteit van deze medische onderzoeken te harmoniseren, teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van het vrije verkeer van werknemers, mededingingvervalsing te voorkomen en rekening te houden met de verantwoordelijkheid van de bestuurders van deze voertuigen.

(7) Met betrekking tot de minimumleeftijden is het nodig het beginsel van geleidelijke toegang tot de categorieën verder te versterken. Voor de verschillende categorieën van tweewielige voertuigen en voor de verschillende categorieën van voertuigen bestemd voor het vervoer van personen of goederen is het passend meer variatie te brengen in de regels voor de toegang tot de rijbewijscategorieën. Categorie B1 moet facultatief blijven, met, teneinde de mogelijkheid te behouden tot invoering in de toekomst van een geleidelijke toegang tot deze categorie, een mogelijkheid tot afwijking voor de minimumleeftijd.

91/439/EEG overweging 4

(aangepast)

(11) Om aan de eisen inzake de veiligheid van het wegverkeer te voldoen dienen

dus minimumvoorwaarden te worden vastgesteld voor de afgifte van het

rijbewijs.

91/439/EEG overweging 5

Overwegende dat in artikel 3 van Richtlijn 80/1263/EEG wordt bepaald dat de definitieve

voorschriften voor de algemene invoering van de in dat artikel vermelde categorieën voertuigen in de Gemeenschap, evenals die betreffende de voorwaarden voor de geldigheid van rijbewijzen, zonder mogelijkheid om af te wijken moeten worden vastgesteld;

91/439/EEG overweging 6

Overwegende dat dient te worden voorzien in de mogelijkheid tot onderverdeling van die

categorieën voertuigen om uit het oogpunt van verkeersveiligheid met name een geleidelijke toegang tot het besturen van die categorieën voertuigen te bevorderen en om rekening te houden met thans bestaande nationale situaties;

91/439/EEG overweging 7

(12) Er dienen specifieke voorschriften te worden vastgesteld om de toegang van lichamelijk gehandicapten tot het besturen van voertuigen te bevorderen.

91/439/EEG overweging 10

(aangepast)

(13) Het is passend dat de lidstaten, om redenen die verband houden met de veiligheid van het wegverkeer of met het wegverkeer, hun nationale bepalingen die betrekking hebben op de intrekking, schorsing en nietigverklaring van het rijbewijs, kunnen toepassen op iedere houder van een rijbewijs die zijn gewone verblijfplaats op hun grondgebied heeft verworven.

nieuw

(14) Het model van het rijbewijs zoals vastgesteld bij Richtlijn 91/439/EEG dient te worden vervangen door één model in de vorm van een plastic kaart. Tegelijkertijd dient dit model van het rijbewijs te worden aangepast wegens de invoering van een nieuwe rijbewijscategorie voor bromfietsen.

(15) De inbouw van een facultatieve microchip in het model van het rijbewijs in de vorm van een kredietkaart dient de lidstaten in staat stellen de bescherming tegen fraude verder te verbeteren. De technische specificaties van de microchip zullen worden vastgesteld door de Commissie, bijgestaan door het Comité voor het rijbewijs.

(16) Teneinde de kennis en kunde van de examinatoren te verbeteren, een objectievere beoordeling van kandidaten voor een rijbewijs mogelijk te maken, tot een grotere harmonisering van de rijexamens te komen en het algemene beginsel van wederzijdse erkenning van rijbewijzen te versterken, dienen minimumnormen betreffende de toegang tot het beroep van examinator te worden vastgesteld.

(17) Het is dienstig de Commissie toe te staan de bijlagen I tot en met IV aan de technische vooruitgang aan te passen.

(18) De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden

91/439/EEG (aangepast)

1 96/47/EG art. 1, pt. 1

2 94/72/EG art. 1

HEBBEN HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Model van het rijbewijs

  • 1. 
    De lidstaten stellen het nationale rijbewijs op volgens het in bijlage I

1 of I bis

bedoelde Europees model en overeenkomstig deze richtlijn.

2 De Republiek

Finland en het Koninkrijk Zweden mogen evenwel tot en met 31 december 1997 het huidige model rijbewijs blijven verstrekken.

nieuw

  • 2. 
    Zodra de technische specificaties overeenkomstig de in artikel 10 bedoelde procedure door de Commissie zijn vastgesteld, hebben de lidstaten het recht de rijbewijzen die zij afgeven te voorzien van een microchip. De Commissie ziet erop toe dat de technische specificaties betreffende de in het rijbewijs in te bouwen microchip een EG-goedkeuring vereisen die slechts kan worden toegekend wanneer is aangetoond dat deze microchip bestand is tegen pogingen tot manipulatie of verandering van de gegevens. De microchip bevat enkel de gegevens van het rijbewijs en mag geen andere functies hebben dan die welke daarmee rechtstreeks verband houden.

91/439/EEG (aangepast)

91/439/EEG art. 2 (aangepast)

Artikel 3

Maatregelen om vervalsing tegen te gaan

91/439/CEE (aangepast) nieuw

  • 1. 
    In het embleem op bladzijde 1 van het Europees model van

Europees het rijbewijs staat het onderscheidingsteken van de lidstaat die het

rijbewijs afgeeft.

  • 2. 
    De lidstaten nemen alle dienstige maatregelen om vervalsing van rijbewijzen te voorkomen

, hieronder begrepen met betrekking tot modellen van vóór de

inwerkingtreding van deze richtlijn afgegeven rijbewijzen. Zij stellen de Commissie daarvan in kennis .

91/439/EEG

1 96/47/EG art. 1, pt. 1

  • 3. 
    Na instemming van de Commissie kunnen de lidstaten het in bijlage I

1 of I bis

weergegeven model zodanig aanpassen dat het rijbewijs voor computerverwerking geschikt is.

96/47/EG art. 1, pt. 2

  • 4. 
    Onverminderd de bepalingen die in dezen door de Raad zullen worden vastgesteld, mogen de in de bijlagen I en I bis vastgelegde rijbewijsmodellen geen geïnformatiseerde elektronische voorzieningen bevatten.

nieuw

categorie AM :

  • bromfietsen, d.w.z. twee- of driewielige voertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 6 kilometer per uur en ten hoogste 45 kilometer per uur en gekenmerkt door een motor met een cilinderinhoud van ten hoogste 50 kubieke centimeter indien het een motor met inwendige verbranding betreft, of een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een elektrische motor betreft, of, met betrekking tot driewielige bromfietsen, door een motor waarvan het nettomaximumvermogen ten hoogste 4 kW bedraagt indien het een andere motor met inwendige verbranding betreft;

categorie A1 :

  • lichte motorrijwielen met een maximale cilinderinhoud van 125 cm3, een

-

maximumvermogen van 11 kW en een vermogen/gewichtsverhouding van

minder dan 0,1 kW per kg;

categorie A 2 :

  • motorrijwielen, met of zonder zijspan, met een maximumvermogen van 35 kW en een vermogen/gewichtsverhouding van minder dan 0,2 kW per kg. Deze motorrijwielen mogen niet afgeleid zijn van een versie die meer dan het dubbele van het maximumvermogen ontwikkelt. Aan deze motorrijwielen kan een zijspan worden bevestigd;

91/439/EEG

categorie A:

-

motorvoertuigen van deze categorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximaal toegestane massa van ten hoogste 750 kg;

91/439/EEG

  • samenstellen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie B en een aanhangwagen, waarbij de maximaal toegestane massa van het samenstel niet meer dan 3 500 kg bedraagt en de maximaal toegestane massa van de aanhangwagen niet groter is dan de ledige massa van het trekkend voertuig;

91/439/EEG (aangepast)

nieuw

categorie B + E:

  • samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie

B en een aanhangwagen, waarvan

met een maximaal toegestane massa van

meer dan 750 kg het samenstel niet onder categorie B valt;

nieuw

categorie C 1:

  • voor goederenvervoer bestemde motorvoertuigen met een maximaal toegestane massa van meer dan 3 500 kg en ten hoogste 6000 kg en waarin, de bestuurder niet meegerekend, niet meer dan acht personen worden vervoerd. Aan de motorvoertuigen die met een rijbewijs van categorie C1 mogen worden bestuurd kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximaal toegestane massa van ten hoogste 750 kg;

-

met een rijbewijs van categorie C mogen worden bestuurd kan een aanhangwagen worden gekoppeld waarvan de maximaal toegestane massa niet meer dan 750 kg bedraagt ;

91/439/EEG nieuw

categorie C + E:

  • samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie

C en een aanhangwagen

of oplegger met een maximaal toegestane massa

van meer dan 750 kg;

nieuw

categorie D 1:

  • motorvoertuigen bestemd voor personenvervoer, waarin, de bestuurder niet meegerekend, niet meer dan zestien personen worden vervoerd en met een maximumlengte van zeven meter. Aan motorvoertuigen die met een rijbewijs van categorie D1 mogen worden bestuurd, kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximaal toegestane massa van ten hoogste 750 kg;

categorie D 1 + E:

  • samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie

D1 en een aanhangwagen met een maximaal toegestane massa van meer dan 750 kg, mits de maximaal toegestane massa van het aldus gevormde samenstel ten hoogste 12 000 kg bedraagt en de maximaal toegestane massa van de aanhangwagen de ledige massa van het trekkende voertuig niet overschrijdt;

91/439/EEG

categorie D + E:

  • samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie

D en een aanhangwagen met een maximaal toegestane massa van meer dan 750 kg.

nieuw

Aanhangwagens mogen niet worden gebruikt voor personenvervoer.

91/439/EEG

  • 2. 
    Binnen de categorieën A, B, B + E, C, C + E, D en D + E kan een specifiek rijbewijs worden afgegeven voor het besturen van voertuigen van de volgende subcategorieën:

subcategorie A1

  • lichte motorrijwielen met een maximale cilinderinhoud van 125 cm3 en een maximaal vermogen van 11 kW;

subcategorie B1

  • gemotoriseerde drie- en vierwielers;

subcategorie C1

-

motorvoertuigen van deze subcategorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximaal toegestane massa van ten hoogste 750 kg;

subcategorie D1 + E

  • samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van subcategorie D1 en een aanhangwagen met een maximaal toegestane massa van meer dan 750 kg, mits
  • de maximaal toegestane massa van het aldus gevormde samenstel ten hoogste 12 000 kg bedraagt en de maximaal toegestane massa van de aanhangwagen de ledige massa van het trekkende voertuig niet overschrijdt, en
  • de aanhangwagen niet wordt gebruikt om personen te vervoeren.

91/439/EEG (aangepast)

2 3. Voor de toepassing van deze richtlijn van dit artikel wordt verstaan onder:

  • a) 
    - «gemotoriseerd voertuig», elk zichzelf over de weg voortbewegend

wegvoertuig, anders dan een voertuig dat op rails wordt voortbewogen;

nieuw

  • b) 
    «bromfiets», geen lichte vierwielers noch rijwielen met trapondersteuning;
  • c) 
    «driewieler», een voertuig op drie symmetrisch geplaatste wielen met een motor waarvan de cilinderinhoud meer dan 50 kubieke centimeter bedraagt indien het een motor met inwendige verbranding betreft, en/of met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 45 km/h ;

-

De lidstaten kunnen lagere normen voor de ledige massa vaststellen en andere eraan toevoegen, bij voorbeeld voor de maximale cilinderinhoud

of het vermogen;

nieuw

  • e) 
    «motorrijwiel», elk voertuig op twee wielen waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid meer bedraagt dan 45 kilometer per uur of, indien dit voertuig met een thermische aandrijfmotor is uitgerust, waarvan de cilinderinhoud meer bedraagt dan 50 cm3. Een motorrijwiel met zijspanwagen wordt met dit soort voertuig gelijkgesteld;

97/26/EG art. 1, pt. 1

  • «motorrijwiel», elk voertuig op twee wielen, al dan niet met zijspanwagen, met een motor waarvan de cilinderinhoud meer dan 50 cm3 bedraagt, indien het een motor met inwendige verbranding is, en/of met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 45

km per uur;

91/439/EEG (aangepast)

  • f) 
    - «motorvoertuig», elk gemotoriseerd voertuig, motorrijwielen

uitgezonderd, dat gewoonlijk wordt gebruikt voor het vervoer van personen of goederen over de weg, of om voertuigen voor het vervoer van personen of goederen over de weg voort te trekken. Deze term omvat mede trolleybussen, dat wil zeggen voertuigen die in verbinding staan met een elektrische leiding en niet rijden op spoorstaven. De term heeft geen betrekking op landbouw- en bosbouwtrekkers;

91/439/EEG (aangepast)

  • 4. 
    De lidstaten kunnen, na raadpleging van de Commissie, van de in lid 3, tweede en derde streepje, genoemde snelheden afwijken, op voorwaarde dat zij lagere snelheden vaststellen en mits zij dat op het rijbewijs vermelden.
  • 5. 
    Voor subcategorie A1 kunnen de lidstaten extra beperkende voorschriften opleggen.
  • 4. 
    6. Na instemming van de Commissie kunnen de lidstaten bepaalde bijzondere typen

van gemotoriseerde voertuigen, zoals speciale voertuigen voor gehandicapten, uitsluiten van dit artikel.

91/439/EEG art. 4 (aangepast)

Artikel 5

Voorwaarden - Beperkingen

91/439/EEG (aangepast)

  • 1. 
    Op het rijbewijs wordt vermeld onder welke voorwaarden de houder een voertuig mag besturen.
  • 2. 
    Wanneer iemand wegens lichamelijke gebreken slechts bepaalde typen van voertuigen of aangepaste voertuigen mag besturen, geschiedt het in artikel

8

bedoeld examen inzake rijvaardigheid en rijgedrag in een dergelijk voertuig.

91/439/EEG art. 5 (aangepast)

  • a) 
    het rijbewijs voor de categorieën C + E of D + E is ook geldig voor het besturen van samenstellen van categorie B + E;
  • b) 
    het rijbewijs voor categorie C + E is ook geldig voor categorie D + E, indien de houder reeds bevoegd is voor categorie D.

nieuw

  • c) 
    het rijbewijs voor de categorie C1 of C1+E is ook geldig voor het besturen van voertuigen van respectievelijk categorie D1 of D1+E indien de houder ervan de minimumleeftijd van 21 jaar heeft bereikt ;
  • d) 
    het rijbewijs voor de categorie D1 of D1+E is ook geldig voor het besturen van voertuigen van respectievelijk categorie C1 of C1+E.

91/439/EEG (aangepast)

  • 3. 
    Voor het verkeer op hun grondgebied kunnen de lidstaten de volgende rijbewijzen gelijkwaardig verklaren:
  • a) 
    een rijbewijs van categorie A of A1, voor gemotoriseerde drie- en vierwielers;
  • b) 
    een rijbewijs van categorie B, voor lichte motorrijwielen.
  • 4. 
    De lidstaten kunnen, na raadpleging van de Commissie, machtiging verlenen voor het besturen op hun grondgebied van:
  • a) 
    voertuigen van categorie D1 (met ten hoogste zestien zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en

met een maximaal toegestane massa

van 3 500 kg, gespecialiseerde inrichtingen voor het vervoer van gehandicapte passagiers daaronder niet begrepen), door bestuurders van ten minste 21 jaar die sedert ten minste twee jaar houder zijn van een rijbewijs van categorie B, op voorwaarde dat de betrokken voertuigen voor sociale doeleinden door niet- commerciële organisaties worden gebruikt en dat zij door vrijwilligers worden bestuurd;

91/439/EEG art. 6 (aangepast)

Artikel 7

Minimumleeftijd

91/439/EEG

  • 1. 
    De afgifte van het rijbewijs is aan de volgende voorwaarden inzake leeftijd

onderworpen:

  • a) 
    leeftijdsgrens 16 jaar:

nieuw

  • voor categorie AM ;

91/439/EEG (aangepast)

  • voor subcategorie A 1 ;
  • voor subcategorie B 1 ;

91/439/EEG

  • b) 
    leeftijdsgrens 18 jaar:

91/439/EEG

  • voor de categorieën C, C + E en de subcategorieën C1, C1 + E, onverminderd het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer betreffende het besturen van deze voertuigen;

7;

nieuw

8;

91/439/EEG

  • c) 
    leeftijdsgrens 21 jaar:

91/439/EEG

nieuw

  • voor categorie A, mits de kandidaat ten minste drie jaar ervaring heeft opgedaan op een motorrijwiel met rijbewijs A2 en met goed gevolg een specifiek praktisch examen heeft afgelegd voor categorie A, zoals bepaald in artikel 8, lid 1, onder d);

91/439/EEG (aangepast) nieuw

  • 2. 
    De lidstaten kunnen van de voor de categorieën A, B en B + E vastgestelde minimumleeftijd afwijken en het desbetreffende rijbewijs afgeven vanaf 17 jaar. Dit is echter niet van toepassing op de in lid 1, onder b), eerste streepje, laatste zin, bedoelde bepalingen voor categorie A.

. Zij kunnen van de voor categorie B1

vastgestelde minimumleeftijd afwijken en het desbetreffende rijbewijs enkel vanaf 18 jaar afgeven. De lidstaten kunnen weigeren een rijbewijs van de categorieën B en

B1 waarvan de houder nog geen 18 jaar oud is, als een op hun grondgebied geldig rijbewijs te erkennen .

nieuw

De lidstaten kunnen van de voor de categorie AM vastgestelde minimumleeftijd afwijken en het desbetreffende rijbewijs afgeven vanaf 14 jaar. De lidstaten kunnen weigeren een rijbewijs van de categorie AM waarvan de houder nog geen 16 jaar oud is, als een op hun grondgebied geldig rijbewijs te erkennen.

91/439/EEG

  • 3. 
    De lidstaten kunnen weigeren een rijbewijs waarvan de houder nog geen 18 jaar oud is, als een op hun grondgebied geldig rijbewijs te erkennen.

91/439/EEG art. 7 (aangepast)

Artikel 8

  • c) 
    een aanvrager van een rijbewijs van categorie A2 die ten minste twee jaar ervaring heeft opgedaan op een motorrijwiel met rijbewijs A1 moet enkel slagen voor een examen inzake rijvaardigheid en rijgedrag;
  • d) 
    een aanvrager van een rijbewijs van categorie A die minstens drie jaar ervaring heeft opgedaan op een motorrijwiel met rijbewijs A2 moet enkel slagen voor een examen inzake rijvaardigheid en rijgedrag; dit examen kan worden beperkt tot het onderdeel rijden in het verkeer waarbij specifiek de klemtoon wordt gelegd op rijden op wegen buiten de bebouwde kom.

91/439/EEG (aangepast)

e b) de aanvrager moet zijn gewone verblijfplaats hebben op het

grondgebied van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft, of het bewijs leveren dat hij ten minste 6 maanden in een onderwijsinstelling in de lidstaat is ingeschreven.

  • 2. 
    Onverminderd de ter zake door de Raad aan te nemen bepalingen, behoudt elke lidstaat het recht om de geldigheidsduur van de door hem afgegeven rijbewijzen vast te stellen volgens nationale criteria.
  • 3. 
    Na instemming van de Commissie kunnen de lidstaten van de bepalingen van bijlage III afwijken, wanneer die afwijkingen verenigbaar zijn met de vooruitgang van de medische wetenschap en met de in die bijlage omschreven beginselen.

nieuw

  • 2. 
    Vanaf [ in te voegen datum : de bij artikel 17, lid 2, vastgestelde datum ] hebben de door de lidstaten voor de categorieën AM, A1, A2, A, B, B1 en B+E afgegeven rijbewijzen een administratieve geldigheidsduur van tien jaar. Rijbewijzen van deze categorieën die worden afgegeven aan bestuurders die de leeftijd bereikt hebben van vijfenzestig jaar zijn vijf jaar geldig. De lidstaten kunnen de geldigheidsduur van het eerste rijbewijs dat wordt afgegeven aan beginnende bestuurders voor de categorieën

A en B beperken tot drie jaar teneinde op deze bestuurders specifieke maatregelen te kunnen toepassen die beogen hun verkeersveiligheid te verbeteren.

  • a) 
    een controle of voldaan is aan de minimumnormen inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig zoals beschreven in bijlage III voor de rijbewijzen van de categorieën C, C+E, C1, C1+E, D, D+E, D1, D1+E ;
  • b) 
    de betrokkene heeft zijn gewone verblijfplaats, of toont aan dat hij in een onderwijsinstelling is ingeschreven, op het grondgebied van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft, zonder dat de verplichting bestaat daar gedurende een periode van minstens zes maanden te wonen.

De lidstaten kunnen bij de verlenging van een rijbewijs van de categorieën A, A1, A2, B, B1 en B+E een controle verplicht stellen of voldaan is aan de minimumnormen inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig zoals beschreven in bijlage III.

91/439/EEG

  • 4. 
    Onverminderd de nationale strafrechtelijke en politiële bepalingen kunnen de lidstaten na raadpleging van de Commissie voor de afgifte van het rijbewijs nationale voorschriften laten gelden die andere dan de in deze richtlijn vervatte voorwaarden behelzen.

91/439/EEG (aangepast) nieuw

  • 5. 
    Eenieder kan slechts houder zijn van één enkel door een lidstaat afgegevenrijbewijs. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om zich ervan te vergewissen dat een aanvrager van een eerste rijbewijs of van een verlenging van een rijbewijs niet reeds houder is van een geldig rijbewijs of een door de autoriteiten van een andere lidstaat opgeschort rijbewijs. Zij gaan eveneens na of door de autoriteiten van een lidstaat met betrekking tot de aanvrager geen beslissing houdende een verbod van afgifte van het rijbewijs is uitgesproken.
  • 2. 
    De noodzakelijke wijzigingen om het deel van de bijlagen I en I bis dat betrekking heeft op de geharmoniseerde codes en de bijlagen

I tot en met IV II, en IIIaan

te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang, worden aangenomen volgens de in artikel

10 bedoelde procedure.

1882/2003 art.3 en bijl. III

pt.24 (aangepast)

Article 7 ter 10

Comitéprocedure

1882/2003 art.3 en bijl. III

pt.24

  • 1. 
    De Commissie wordt bijgestaan door een «comité voor het rijbewijs», hierna « het comité » genoemd.
  • 2. 
    Wanneer naar dit artikel wordt verwezen zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

  • 3. 
    Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

nieuw

91/439/EEG art. 8 (aangepast)

Artikel 12

Diverse bepalingen betreffende de erkenning van rijbewijzen

91/439/EEG

  • 1. 
    Indien de houder van een door een lidstaat afgegeven geldig rijbewijs zijn gewone verblijfplaats naar een andere lidstaat heeft overgebracht, kan hij om inwisseling van zijn rijbewijs tegen een gelijkwaardig rijbewijs verzoeken. De lidstaat die tot inwisseling overgaat, moet in voorkomend geval nagaan of de geldigheidsduur van het overgelegde rijbewijs niet is verstreken.
  • 2. 
    Onder voorbehoud van de naleving van het territorialiteitsbeginsel van de strafrechtelijke en politiële bepalingen, kan de lidstaat van gewone verblijfplaats op de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs zijn nationale bepalingen toepassen die betrekking hebben op de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid en daartoe zo nodig overgaan tot inwisseling van dat rijbewijs.
  • 3. 
    De lidstaat die tot inwisseling overgaat, zendt het oude rijbewijs terug naar de autoriteiten van de lidstaat die het heeft afgegeven en vermeldt de redenen van die procedure.
  • 4. 
    Een lidstaat kan, wanneer op zijn grondgebied tegen een persoon een van de in lid 2 bedoelde maatregelen is getroffen, weigeren de geldigheid van een door een andere lidstaat aan deze persoon verstrekt rijbewijs te erkennen.

Een lidstaat kan eveneens weigeren een rijbewijs af te geven aan een aanvrager tegen wie in een andere lidstaat een dergelijke maatregel is getroffen.

rijbewijs zijn normale verblijfplaats naar een andere lidstaat overbrengt, kan deze laatste besluiten

het in artikel 2 neergelegde beginsel van

wederzijdse erkenning niet toe te passen.

91/439/EEG art. 9 (aangepast)

Artikel 13

Gewone verblijfplaats

91/439/EEG

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder «gewone verblijfplaats» verstaan de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont.

De gewone verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats dan zijn persoonlijke bindingen heeft en daardoor afwisselend op verschillende plaatsen in twee of meer lidstaten verblijft, wordt evenwel geacht zich op dezelfde plaats als zijn persoonlijke bindingen te bevinden, op voorwaarde dat hij daar op geregelde tijden terugkeert. Deze laatste voorwaarde vervalt, wanneer de betrokkene voor een opdracht van een bepaalde duur in een lidstaat verblijft. Het volgen van onderwijs aan een universiteit of een school impliceert niet dat de gewone verblijfplaats is verplaatst.

91/439/EEG art. 10 (aangepast)

91/439/EEG art. 11 (aangepast)

nieuw

Artikel 15

Beoordeling

De Raad beoordeelt uiterlijk op [ in te voegen datum : 5 jaar na de bij artikel 17, lid 2, vastgestelde datum

]Op voorstel van de Commissie stelt de Raad vijf jaar na de datum van

toepassing van de richtlijn een onderzoek in naar de nationale voorschriften inzake de facultatieve subcategorieën die mogelijk overeenkomstig artikel 3 zijn ingevoerd, met het oog op de eventuele harmonisatie of afschaffing ervan.

de communautaire bepalingen

betreffende de in artikel 4 bedoelde categorieën en de in artikel 7 vastgestelde minimumleeftijden, en de weerslag ervan op de verkeersveiligheid, alsmede een mogelijke invoering van een geleidelijke toegang tot categorie B, waaronder begrepen categorie B1.

91/439/EEG art. 12 (aangepast)

nieuw

Artikel 16

Samenwerking tussen lidstaten

  • 1. 
    De lidstaten stellen na raadpleging van de Commissie vóór 1 juli 1994 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast die nodig zijn om vanaf 1 juli 1996 aan deze richtlijn te voldoen.
  • 2. 
    Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

artikelen 16 tot 20, alsmede de bijlagen II, punt 5.2 en IV te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

  • 2. 
    Zij passen die bepalingen toe vanaf [ in te voegen datum : 2 jaar na de bij artikel 17, lid 1, vastgestelde datum

]

  • 3. 
    Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. In de bepalingen wordt tevens vermeld dat verwijzingen in bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn. De regels voor deze verwijzing en de formulering van deze vermelding worden vastgesteld door de lidstaten.
  • 4. 
    De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

91/439/EEG art. 13 (aangepast)

Artikel 18 -

Intrekking

Richtlijn 80 91 /1263 439 /EEG , zoals gewijzigd bij de in bijlage V, deel A,

genoemde richtlijnen wordt vanaf 1 juli 1996 met ingang van [ in te voegen datum : 2 jaar na de bij artikel 17, lid 1, vastgestelde datum

] ingetrokken, onverminderd de verplichtingen

van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage V, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen.

91/439/EEG art. 14 (aangepast)

Artikel 20

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, op [...]

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De Voorzitter

[...] [...]

91/439/EEG

BIJLAGE I

VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE HET RIJBEWIJS VAN EUROPEES MODEL

  • 1. 
    Het rijbewijs van Europees model is roze en heeft de volgende afmetingen: hoogte
  • 106 mm, breedte
  • 222 mm
  • 2. 
    Het rijbewijs bestaat uit zes bladzijden:

Bladzijde 1 bevat:

  • het onderscheidingsteken van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft;
  • de vermelding van de naam van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft; deze is facultatief;

Toetredingsakte A, FIN en S

art.29 en bijlage I, blz. 166

  • het onderscheidingsteken van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft; dit luidt als

volgt:

B : België

DK : Denemarken

FIN : Finland

S : Zweden

UK : Verenigd Koninkrijk;

91/439/EEG

  • de vermelding «rijbewijs», in hoofdletters, gedrukt in de taal/talen van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft; daaronder wordt - met voldoende tussenruimte
  • deze vermelding, in kleine letters, in de overige talen van de Europese Gemeenschappen aangebracht;
  • de vermelding «Model van de Europese Gemeenschappen», gedrukt in de taal/talen van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft; -

Bladzijde 2 bevat:

  • 1) 
    de naam van de houder,
  • 2) 
    de voornaam van de houder,
  • 3) 
    geboortedatum en -plaats van de houder,
  • 4) 
    de naam van de bevoegde instantie die het rijbewijs afgeeft (alsook de plaats en datum van afgifte en het stempel van de instantie),
  • 5) 
    het nummer van het rijbewijs,
  • 6) 
    de foto van de houder,
  • 7) 
    de handtekening van de houder,

BESTUURDER (medische redenen)

  • 01. 
    Correctie en/of bescherming van het gezichtsvermogen

01.01 Bril

01.02 Contactlenzen

01.03 Beschermend glas

01.04 Gekleurde lenzen

01.05 Ooglap

01.06 Bril of contactlenzen

  • 02. 
    Gehoorprothese/hulp communicatie

02.01 Gehoorprothese één oor

02.02 Gehoorprothese beide oren

  • 03. 
    Prothese/orthese van de ledematen

03.01 Prothese/orthese arm

03.02 Prothese/orthese been

  • 05. 
    Beperkte rijbevoegdheid (vermelding van subcode is verplicht, autorijden

onderhevig aan beperkingen om medische redenen)

05.01 Alleen rijden bij daglicht (bijvoorbeeld vanaf een uur na zonsopgang tot

een uur voor zonsondergang)

05.02 Alleen rijden binnen een straal van... km vanaf de woonplaats van de

10.02 Automatische schakeling

10.03 Elektronisch bediende schakeling

10.04 Aangepaste hendel

10.05 Geen hulpversnellingsbak

  • 15. 
    Aangepaste koppeling

15.01 Aangepast koppelingspedaal

15.02 Handkoppeling

15.03 Automatische koppeling

15.04 Afscherming vóór/opklapbaar/uitneembaar koppelingspedaal

  • 20. 
    Aangepaste remsystemen

20.01 Aangepast rempedaal

20.02 Groter rempedaal

20.03 Rempedaal geschikt voor bediening met linkervoet

20.04 Rempedaal met slof

20.05 Kantelbaar rempedaal

20.06 (Aangepaste) handbedrijfsrem

20.07 Maximale bedieningskracht bedrijfsrem

20.08 Maximale bedieningskracht voor noodrem geïntegreerd in bedrijfsrem

25.04 Handmatig gas geven

25.05 Gas geven met knie

25.06 Servo-acceleratiesysteem (elektronisch, pneumatisch, enz.)

25.07 Gaspedaal links van rempedaal

25.08 Gaspedaal aan linkerkant

25.09 Afscherming vóór/opklapbaar/uitneembaar gaspedaal

  • 30. 
    Aangepaste rem- en acceleratiesystemen, gecombineerd

30.01 Parallelpedalen

30.02 Pedalen op (nagenoeg) gelijke hoogte

30.03 Gas geven en remmen door middel van schuifsysteem

30.04 Gas geven en remmen door middel van schuifsysteem met orthese

30.05 Opklapbare/uitneembare gas- en rempedalen

30.06 Vloerverhoging

30.07 Afscherming aan de kant van het rempedaal

30.08 Afscherming voor prothese aan de kant van het rempedaal

30.09 Afscherming vóór gas- en rempedalen

30.10 Hiel- of beenondersteuning

30.11 Gas geven en remmen via elektrische bediening

  • 40. 
    Aangepaste stuurinrichting

40.01 Standaard stuurbekrachtiging

40.02 Extra stuurbekrachtiging

40.03 Stuurinrichting met back-upsysteem

40.04 Verlengde stuurkolom

40.05 Aangepast stuurwiel (groter en/of dikker stuurwiel, kleinere diameter

stuurwiel, enz.)

40.06 Kantelbaar stuurwiel

40.07 Verticaal stuurwiel

40.08 Horizontaal stuurwiel

40.09 Voetbediend stuur

40.10 Eventuele andere aangepaste stuurinrichting (joystick, enz.)

40.11 Stuurknop

40.12 Handspalk op stuurwiel

40.13 Polsspalk op stuurwiel

  • 42. 
    Aangepaste achteruitkijkspiegel(s)

42.01 (Linker- of) rechterbuitenspiegel

42.02 Buitenspiegel op voorspatbord

43.06 Aangepaste veiligheidsgordel

43.07 Vierpuntsveiligheidsgordel

  • 44. 
    Aanpassingen van het motorrijwiel (vermelding subcode verplicht)

44.01 Eén remelement voor alle remhandelingen

44.02 (Aangepaste) handbediende rem (voorwiel)

44.03 (Aangepaste) voetbediende rem (achterwiel)

44.04 (Aangepaste) gashendel

44.05 (Aangepaste) handschakeling en handkoppeling

44.06 (Aangepaste) achteruitkijkspiegel(s)

44.07 (Aangepaste) bedieningsorganen (richtingaanwijzers, remlichten, enz.)

44.08 Zithoogte waarbij de bestuurder in zittende positie beide voeten tegelijk

op de grond kan plaatsen

  • 45. 
    Motorrijwiel uitsluitend met zijspan
  • 50. 
    Alleen het voertuig met chassisnummer (voertuigidentificatienummer, VIN)
  • 51. 
    Alleen het voertuig met kenteken (voertuigregistratienummer, VRN)

ADMINISTRATIEVE VERMELDINGEN

  • 70. 
    Ingewisseld voor rijbewijs nr.... afgegeven door... (voor een derde land:

EU/VN-symbool, bijvoorbeeld 70.0123456789.NL)

  • 71. 
    Duplicaat van rijbewijs nr.... (voor een derde land: EU/VN-symbool,
  • 77. 
    Alleen voertuigen van categorie D met ten hoogste 16 zitplaatsen, die van de

bestuurder niet meegerekend (D1), met een aanhangwagen waarvan de maximaal toegestane massa meer dan 750 kg bedraagt, mits a) de maximaal toegestane massa van het aldus gevormde samenstel ten hoogste 12 000 kg bedraagt en de maximaal toegestane massa van de aanhangwagen de ledige massa van het trekkende voertuig niet overschrijdt en b) de aanhangwagen niet wordt gebruikt om personen te vervoeren (D1+E)

  • 78. 
    Alleen voertuigen met automatische schakeling

(Richtlijn 91/439/EEG, bijlage II, 8.1.1, tweede alinea)

  • 79. 
    (...) Alleen voertuigen conform de specificaties tussen haken, in het kader van

de toepassing van artikel 10, lid 1, van de richtlijn:

90.01: links van

90.02: rechts van

90.03: links

90.04: rechts

90.05: hand

90.06: voet

90.07: bedienbaar

2003/59/EG art.10, lid 2

  • 95. 
    bestuurder, houder van het getuigschrift, die voldoet aan de

vakbekwaamheidsvereisten van artikel 3 tot ... (bv.: 95.01.01.2012).

-

Bladzijde 6 bevat:

  • geldigheidsverklaringen die uitsluitend van toepassing zijn op het grondgebied van de Staat die deze op basis van gelijkwaardigheid heeft verleend of voor niet onder deze richtlijn vallende voertuigcategorieën heeft afgegeven (inclusief afgiftedata en geldigheidsduur ...);
  • de nodige ruimte voor de (facultatieve) vermelding van de veranderingen van verblijfplaats van de houder.
  • 3. 
    De vermeldingen worden met uitzondering van die op de eerste bladzijde aangebracht in de taal/talen van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft.

Toetredingsakte A, FIN en S

art. 29 en bijlage I, blz. 166

Indien een lidstaat deze vermeldingen in een andere nationale taal dan een van de officiële talen van Europese Gemeenschappen (Deens, Duits, Engels, Fins, Frans, Grieks, Italiaans, Nederlands, Portugees, Spaans, Zweeds) wenst te stellen, moet hij het rijbewijs opstellen in twee talen waaronder één van de bovengenoemde talen, onverminderd de overige bepalingen van deze bijlage.

91/439/EEG

  • 4. 
    Wanneer de houder van een door een lidstaat afgegeven rijbewijs zijn gewone verblijfplaats naar een andere lidstaat heeft overgebracht, kan laatstgenoemde lidstaat

op dit rijbewijs

  • de verandering(en) van verblijfplaats vermelden op bladzijde 6,
  • de voor de administratie van het rijbewijs vereiste vermeldingen, zoals de op zijn grondgebied begane zware overtredingen, opnemen op bladzijde 5,

EUROPEES MODEL VAN HET RIJBEWIJS

 

VOORBEELD VAN EEN RIJBEWIJS VOLGENS HET EUROPESE MODEL:

BELGISCH RIJBEWIJS

(Bij wijze van indicatie)

96/47/EG art.1, pt. 3

(aangepast)

BIJLAGE I bis

VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE HET EUROPEES MODEL VAN HET

RIJBEWIJS VAN EUROPEES MODEL

(Alternatief voor het model in bijlage I)

96/47/EG art.1, pt. 3

(aangepast)

  • 1. 
    De fysieke kenmerken van de kaart van het rijbewijs van Europees model zijn in overeenstemming met de ISO-normen 7810 en 7816-1.

De methodes voor toetsing van de kenmerken van de rijbewijzen aan de internationale normen zijn in overeenstemming met ISO-norm 10373.

  • 2. 
    Het rijbewijs heeft twee zijden:

Bladzijde 1 bevat:

  • a) 
    de vermelding «rijbewijs», in hoofdletters, gedrukt in de taal/talen van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft;
  • b) 
    de vermelding van de naam van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft; deze vermelding is facultatief;
  • c) 
    het onderscheidingsteken van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft, negatief afgedrukt in een door twaalf gele sterren omringde blauwe rechthoek; de onderscheidingstekens zijn:

NL : Nederland

A : Oostenrijk

P : Portugal

FIN : Finland

S : Zweden

UK : Verenigd Koninkrijk;

  • d) 
    de gegevens die specifiek zijn voor het afgegeven rijbewijs, met de volgende

nummers:

  • 1. 
    de naam van de houder,
  • 2. 
    de voornaam van de houder,
  • 3. 
    geboortedatum en -plaats van de houder,

4 a. de datum van afgifte van het rijbewijs,

4 b. de datum waarop de administratieve geldigheidsduur van het rijbewijs afloopt of een streepje wanneer de geldigheidsduur onbeperkt is,

4 c. de naam van de bevoegde instantie die het rijbewijs afgeeft (mag op bladzijde 2 worden afgedrukt),

4 d. ander nummer dan dat in rubriek 5, dat nuttig is voor de administratie van het rijbewijs (facultatieve vermelding),

  • 5. 
    nummer van het rijbewijs,

Kørekort

Führerschein

Driving Licence

Ajokortti

Permis de Conduire

Ceadúas Tiomána

Patente di guida

Rijbewijs

Carta de Condução

Körkort;

  • f) 
    referentiekleuren:
  • blauw: Reflex blauw Pantone;
  • geel: Pantone Geel.

Bladzijde 2 bevat:

  • a) 
    9. de (sub)categorieën voertuigen die de houder gerechtigd is te besturen (de nationale categorieën worden in een ander lettertype gedrukt dan de geharmoniseerde categorieën);
  • 10. 
    de datum van eerste afgifte per (sub)categorie (deze datum moet bij

De codes worden als volgt vastgesteld:

2000/56/EG art.1, pt. 1 en

bijlage I (aangepast)

  • codes 01 tot en met 99: geharmoniseerde codes van de Gemeenschap

BESTUURDER (medische redenen)

  • 01. 
    Correctie en/of bescherming van het gezichtsvermogen

01.01 Bril

01.02 Contactlenzen

01.03 Beschermend glas

01.04 Gekleurde lenzen

01.05 Ooglap

01.06 Bril of contactlenzen

  • 02. 
    Gehoorprothese/hulp communicatie

02.01 Gehoorprothese één oor

02.02 Gehoorprothese beide oren

  • 03. 
    Prothese/orthese van de ledematen

03.01 Prothese/orthese arm

05.06 Rijden zonder aanhangwagen

05.07 Rijden op snelweg niet toegestaan

05.08 Alcohol niet toegestaan

AANPASSINGEN VOERTUIG

  • 10. 
    Aangepaste versnellingsbak

10.01 Handschakeling

10.02 Automatische schakeling

10.03 Elektronisch bediende schakeling

10.04 Aangepaste hendel

10.05 Geen hulpversnellingsbak

  • 15. 
    Aangepaste koppeling

15.01 Aangepast koppelingspedaal

15.02 Handkoppeling

15.03 Automatische koppeling

15.04 Afscherming vóór/opklapbaar/uitneembaar koppelingspedaal

  • 20. 
    Aangepaste remsystemen

20.01 Aangepast rempedaal

20.02 Groter rempedaal

20.12 Afscherming vóór/opklapbaar/uitneembaar rempedaal

20.13 Knierem

20.14 Elektrisch bediende bedrijfsrem

  • 25. 
    Aangepaste acceleratiesystemen

25.01 Aangepast gaspedaal

25.02 Gaspedaal met slof

25.03 Kantelbaar gaspedaal

25.04 Handmatig gas geven

25.05 Gas geven met knie

25.06 Servo-acceleratiesysteem (elektronisch, pneumatisch, enz.)

25.07 Gaspedaal links van rempedaal

25.08 Gaspedaal aan linkerkant

25.09 Afscherming vóór/opklapbaar/uitneembaar gaspedaal

  • 30. 
    Aangepaste rem- en acceleratiesystemen, gecombineerd

30.01 Parallelpedalen

30.02 Pedalen op (nagenoeg) gelijke hoogte

30.03 Gas geven en remmen door middel van schuifsysteem

30.04 Gas geven en remmen door middel van schuifsysteem met

35.01 Bedieningsorganen bedienbaar zonder dat het rijgedrag

nadelig wordt beïnvloed

35.02 Bedieningsorganen bedienbaar zonder het stuur en

toebehoren los te laten (knop, gaffel, enz.)

35.03 Bedieningsorganen bedienbaar zonder het stuur en

toebehoren (knop, gaffel, enz.) met de linkerhand los te laten

35.04 Bedieningsorganen bedienbaar zonder het stuur en

toebehoren (knop, gaffel, enz.) met de rechterhand los te laten

35.05 Bedieningsorganen bedienbaar zonder het stuur en

toebehoren (knop, gaffel, enz.) en de gecombineerde gas- en remmechanismen los te laten

  • 40. 
    Aangepaste stuurinrichting

40.01 Standaard stuurbekrachtiging

40.02 Extra stuurbekrachtiging

40.03 Stuurinrichting met back-upsysteem

40.04 Verlengde stuurkolom

40.05 Aangepast stuurwiel (groter en/of dikker stuurwiel, kleinere

diameter stuurwiel, enz.)

40.06 Kantelbaar stuurwiel

40.07 Verticaal stuurwiel

42.04 Panoramische binnenspiegel

42.05 Dodehoekspiegel

42.06 Elektrisch bediende buitenspiegel(s)

  • 43. 
    Aangepaste bestuurdersstoel

43.01 Bestuurdersstoel op een goede kijkhoogte en op normale

afstand van het stuurwiel en de pedalen

43.02 Bestuurdersstoel aangepast aan lichaamsvorm

43.03 Bestuurdersstoel met zijsteun voor goede zitstabiliteit

43.04 Bestuurdersstoel met armleuningen

43.05 Verlengde stoelslede van bestuurdersstoel

43.06 Aangepaste veiligheidsgordel

43.07 Vierpuntsveiligheidsgordel

  • 44. 
    Aanpassingen van het motorrijwiel (vermelding subcode verplicht)

44.01 Eén remelement voor alle remhandelingen

44.02 (Aangepaste) handbediende rem (voorwiel)

44.03 (Aangepaste) voetbediende rem (achterwiel)

44.04 (Aangepaste) gashendel

44.05 (Aangepaste) handschakeling en handkoppeling

  • 70. 
    Ingewisseld voor rijbewijs nr.... afgegeven door... (voor een derde

land: EU/VN-symbool, bijvoorbeeld 70.0123456789.NL)

  • 71. 
    Duplicaat van rijbewijs nr.... (voor een derde land:

EU/VN-symbool, bijvoorbeeld 71.987654321.HR)

  • 72. 
    Alleen voertuigen van categorie A met een maximale

cilinderinhoud van 125 cc en een maximumvermogen van 11 kW

(A1)

  • 73. 
    Alleen drie- of vierwielige motorvoertuigen van categorie B (B1)
  • 74. 
    Alleen voertuigen van categorie C met een maximaal toegestane

massa van 7 500 kg (C1)

  • 75. 
    Alleen voertuigen van categorie D met ten hoogste 16 zitplaatsen,

die van de bestuurder niet meegerekend (D1)

  • 76. 
    Alleen voertuigen van categorie C met een maximaal toegestane

massa van 7 500 kg (C1), met een aanhangwagen waarvan de maximaal toegestane massa meer dan 750 kg bedraagt, mits de maximaal toegestane massa van het aldus gevormde samenstel ten hoogste 12 000 kg bedraagt en de maximaal toegestane massa van de aanhangwagen de ledige massa van het trekkende voertuig niet overschrijdt (C1+E)

  • 77. 
    Alleen voertuigen van categorie D met ten hoogste 16 zitplaatsen,

die van de bestuurder niet meegerekend (D1), met een aanhangwagen waarvan de maximaal toegestane massa meer dan 750 kg bedraagt, mits a) de maximaal toegestane massa van het aldus gevormde samenstel ten hoogste 12 000 kg bedraagt en de maximaal toegestane massa van de aanhangwagen de ledige massa van het trekkende voertuig niet overschrijdt en b) de aanhangwagen niet wordt gebruikt om personen te vervoeren (D1+E)

90.07: bedienbaar

2003/59/EG art.10, lid 2

(aangepast)

  • 95. 
    bestuurder, houder van het getuigschrift, die voldoet aan de

vakbekwaamheidsvereisten van artikel 3 Richtlijn

2003/59/EG tot ... (bv.: 1.1.2012)

96/47/EG (aangepast)

  • code 100 en hoger: nationale codes die alleen gelden voor het verkeer op het grondgebied van de Staat die het rijbewijs heeft afgegeven.

-

Wanneer een code geldt voor alle (sub)categorieën waarvoor het rijbewijs is afgegeven, kan hij worden afgedrukt onder de kolommen 9,

10 en 11;

  • 13. 
    een ruimte voor de eventuele vermelding door de lidstaat van ontvangst,

in het kader van de toepassing van punt 3, onder a), van deze bijlage, van de voor de administratie van het rijbewijs noodzakelijke gegevens;

  • 14. 
    een ruimte voor de eventuele vermelding door de lidstaat die het rijbewijs

afgeeft, van de gegevens die noodzakelijk zijn voor de administratie of met betrekking tot de verkeersveiligheid (facultatieve vermelding). Indien de vermelding onder een in deze bijlage omschreven rubriek valt, moet deze vermelding worden voorafgegaan door het nummer van de overeenkomstige rubriek.

Met uitdrukkelijke schriftelijke instemming van de houder kunnen gegevens die geen verband houden met de administratie van het rijbewijs of de verkeersveiligheid eveneens in deze ruimte worden opgenomen; de toevoeging van deze vermeldingen heeft geen gevolgen voor het gebruik van het model als rijbewijs;

  • a) 
    Wanneer de houder van een door een lidstaat overeenkomstig deze bijlage afgegeven rijbewijs zijn gewone verblijfplaats naar een andere lidstaat heeft overgebracht, kan laatstgenoemde lidstaat op het rijbewijs de voor de administratie van het rijbewijs vereiste vermeldingen opnemen, mits hij die vermeldingen ook opneemt op de rijbewijzen die hij zelf afgeeft en daarvoor over de nodige ruimte beschikt.
  • b) 
    Na overleg met de Commissie kunnen de lidstaten kleuren of markeringen, zoals een streepjescode, nationale symbolen en beveiligingsvoorzieningen toevoegen, onverminderd de overige bepalingen van deze bijlage.

In het kader van de wederzijdse erkenning van rijbewijzen mag de streepjescode geen andere informatie bevatten dan die welke reeds leesbaar op het rijbewijs voorkomt of die noodzakelijk is voor de afgifte van het rijbewijs.

EUROPEES MODEL VAN HET RIJBEWIJS

Bladzijde 1

RIJBEWIJS LIDSTAAT

6. Foto

(4d.)

Bladzijde 2

VOORBEELD VAN EEN RIJBEWIJS VOLGENS HET MODEL

Belgisch rijbewijs (bij wijze van indicatie)

2000/56/EG art.1, pt. 2

BIJLAGE II

I. MINIMUMEISEN VOOR RIJEXAMENS

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om zich ervan te vergewissen dat de toekomstige bestuurders voldoen aan de eisen inzake kennis, rijvaardigheid en rijgedrag voor het besturen van een motorvoertuig. Het daartoe ingestelde examen behelst:

  • een theoretisch examen, en vervolgens
  • een examen inzake rijvaardigheid en rijgedrag.

Hieronder volgt de examenprocedure.

A. THEORETISCH EXAMEN

1. Vorm

Er dient een zodanige vorm te worden gekozen dat kan worden nagegaan of de kandidaat de vereiste kennis bezit met betrekking tot de in de punten 2 tot en met 4 van deze bijlage genoemde onderwerpen.

Indien de kandidaat houder is van een rijbewijs voor een andere categorie waarvoor met goed gevolg een theoretisch examen is afgelegd, kan vrijstelling worden verleend van de bepalingen in punt 2 tot en met 4 van deze bijlage die deze rijbewijzen gemeen hebben.

2. Inhoud van het theoretisch examen voor alle categorieën voertuigen

2.1.3. Weg:

  • de belangrijkste richtlijnen voor het bewaren van afstand, remweg en wegligging van het voertuig in uiteenlopende weg- en weersomstandigheden;
  • verkeersrisico's in verband met de wegomstandigheden, in het bijzonder veranderingen ten gevolge van de weerstoestand en het tijdstip van de dag of

de nacht;

  • kenmerken van de verschillende soorten wegen en daarop betrekking hebbende wettelijke voorschriften;

2.1.4. Medeweggebruikers:

  • specifieke risico's in verband met de onervarenheid van medeweggebruikers en de deelneming aan het verkeer van de meest kwetsbare categorieën, zoals kinderen, voetgangers, fietsers en passagiers die in hun mobiliteit beperkt zijn;
  • risico's in verband met de deelneming aan het verkeer en het besturen van diverse typen voertuigen en in verband met het verschillende gezichtsveld van de bestuurders van deze voertuigen;

2.1.5. Algemene voorschriften en diversen:

  • voorschriften voor administratieve bescheiden in verband met het gebruik van het voertuig;
  • algemene regels voor de door de bestuurder te volgen gedragslijn bij ongevallen (plaatsen van de gevarendriehoek, waarschuwen, enz.) en maatregelen die hij/zij in voorkomend geval kan nemen om hulp te verlenen aan verkeersslachtoffers;
  • veiligheidseisen met betrekking tot het voertuig, de lading en de passagiers;

3.1.1. Het gebruik van beschermende uitrusting, zoals handschoenen, schoeisel, kleding en helm;

3.1.2. Zichtbaarheid van motorrijders voor medeweggebruikers;

3.1.3. Specifieke risico's in verband met uiteenlopende wegomstandigheden zoals hierboven genoemd, met bijzondere aandacht voor gladde delen als putdeksels, wegmarkeringen zoals strepen en pijlen, tramrails, enz.;

3.1.4. Mechanische onderdelen die voor de verkeersveiligheid van belang zijn zoals hierboven genoemd, met bijzondere aandacht voor de noodstopschakelaar, het oliepeil en de ketting.

4. Specifieke voorschriften voor de categorieën C, C+E, C1, C1+E, D, D+E, D1, D1+E

4.1. Verplichte toetsing van de algemene kennis van:

4.1.1. Voorschriften inzake rij- en rusttijden zoals beschreven in

Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad1; het gebruik van controleapparatuur

zoals beschreven in Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad2;

4.1.2. Voorschriften inzake het type vervoer: goederen of personen;

4.1.3. Voertuig- en vervoersdocumenten die zijn vereist voor nationaal en internationaal vervoer van goederen en personen;

4.1.4. Maatregelen bij ongevallen; kennis van de maatregelen die moeten worden genomen na een ongeval of vergelijkbare gebeurtenis, met inbegrip van noodmaatregelen zoals de evacuatie van passagiers en de grondbeginselen van eerste hulp;

4.1.5. De voorzorgsmaatregelen die moeten worden genomen bij het verwisselen van wielen;

de nodige controles vóór het wegrijden; in het theoretische examen moeten verschillende bussen aan de orde komen (bussen voor openbaar vervoer, touringcars, bussen met speciale afmetingen, enz.) (alleen categorieën D, D+E, D1, D1+E).

4.2. Verplichte toetsing van de algemene kennis van de volgende aanvullende voorschriften die betrekking hebben op de categorieën C, C+E, D en D+E en de volgende zaken betreffen:

4.2.1. De principes van de constructie en werking van: verbrandingsmotoren, vloeistoffen (bijvoorbeeld

motorolie, koelvloeistof, ruitensproeiervloeistof), het

brandstofsysteem, het elektrische systeem, de ontsteking, het transmissiesysteem (koppeling, versnellingsbak, enz.);

4.2.2. Smering en antivriesbescherming;

4.2.3. De principes van de constructie, montage, correct gebruik en onderhoud van banden;

4.2.4. De principes van de typen, werking, belangrijkste onderdelen, montage, gebruik en dagelijks onderhoud van reminrichtingen en snelheidsbegrenzers;

4.2.5. De principes van de typen, werking, belangrijkste onderdelen, montage, gebruik en dagelijks onderhoud van het koppelmechanisme (alleen categorieën C+E, D+E);

4.2.6. Methoden voor het opsporen van oorzaken van defecten;

4.2.7. Preventief onderhoud van voertuigen en noodzakelijke lopende reparaties;

4.2.8. De verantwoordelijkheid van de bestuurder voor de ontvangst, het vervoer en de aflevering van goederen volgens afspraak (alleen categorieën C, C+E).

B. EXAMEN INZAKE RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG

5. Voertuig en uitrusting

nieuw

Categorie A1 :

Motorrijwiel van categorie A1 zonder zijspan met een cilinderinhoud van ten minste 120 cm³ dat een snelheid van ten minste 90 kilometer per uur kan bereiken

Categorie A2 :

Motorrijwiel van categorie A2 zonder zijspan met een cilinderinhoud van ten minste 375 cm³ en een vermogen van ten minste 25 kW

Categorie A:

Motorrijwiel van categorie A zonder zijspan met een cilinderinhoud van ten minste 600 cm³ en een vermogen van ten minste 35 kW

2000/56/EG art.1, pt. 2

(aangepast)

Categorie A:

  • Geleidelijke verwerving (artikel 6, lid 1, onder b), eerste streepje, eerste

volzin): motorrijwiel zonder zijspan met een cilinderinhoud van meer dan 120 cm3, dat een snelheid van ten minste 100 km per uur kan bereiken;

  • Rechtstreekse verwerving (artikel 6, lid 1, onder b), eerste streepje, tweede

volzin): motorrijwiel zonder zijspan met een vermogen van ten minste 35 kW;

Subcategorie A1:

Motorrijwiel zonder zijspan met een cilinderinhoud van ten minste 75 cm3;

-

alleen door middel van de buitenspiegels van het motorvoertuig mogelijk is; de feitelijke totale massa van de aanhangwagen moet minimaal 800 kg bedragen;

SubCategorie B1:

Gemotoriseerde drie- of vierwieler waarmee een snelheid van ten minste 60 km per uur kan worden bereikt;

Categorie C:

Voertuig van categorie C met een maximaal toegestane massa van ten minste 12 000 kg, een lengte van ten minste 8 m en een breedte van ten minste 2,40 m, waarmee een snelheid van ten minste 80 km per uur kan worden bereikt; uitgerust met ABS, met een versnellingsbak met ten minste acht voorwaartse versnellingen en met controleapparatuur als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 3821/85; de laadruimte moet bestaan uit een gesloten opbouw die ten minste even breed en hoog is als de cabine; de feitelijke totale massa van het voertuig moet minimaal 10 000 kg bedragen;

Categorie C+E:

Geleed voertuig of een samenstel bestaande uit een examenvoertuig van categorie C en een aanhangwagen van ten minste 7,5 m lang; dit voertuig of samenstel moet een maximaal toegestane massa van ten minste 20 000 kg hebben, een lengte van ten minste 14 m en een breedte van ten minste 2,40 m; met dit gelede voertuig of samenstel moet een snelheid van ten minste 80 km per uur kunnen worden bereikt en het moet zijn uitgerust met ABS, met een versnellingsbak met ten minste acht voorwaartse versnellingen en met controleapparatuur als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 3821/85; de laadruimte moet bestaan uit een gesloten opbouw die ten minste even breed en hoog is als de cabine; de feitelijke totale massa van het gelede voertuig of het samenstel moet minimaal 15 000 kg bedragen;

SubCategorie C1:

Categorie D:

Voertuig van categorie D met een lengte van ten minste 10 m en een breedte van ten minste 2,40 m, waarmee een snelheid van ten minste 80 km per uur kan worden bereikt; uitgerust met ABS en met controleapparatuur als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 3821/85;

Categorie D+E:

Samenstel bestaande uit een examenvoertuig van categorie D en een aanhangwagen met een maximaal toegestane massa van ten minste 1 250 kg en een breedte van ten minste 2,40 m, waarmee een snelheid van ten minste 80 km per uur kan worden bereikt; de laadruimte van de aanhangwagen moet bestaan uit een gesloten opbouw die ten minste 2 m breed en 2 m hoog is; de feitelijke totale massa van de aanhangwagen moet minimaal 800 kg bedragen;

SubCategorie D1:

Voertuig van subcategorie D1 met een maximaal toegestane massa van ten minste 4 000 kg, en een lengte van ten minste 5 m, waarmee een snelheid van ten minste 80 km per uur kan worden bereikt; uitgerust met ABS en met controleapparatuur als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 3821/85;

Subcategorie D1+E:

Samenstel bestaande uit een examenvoertuig van subcategorie D1 en een aanhangwagen met een maximaal toegestane massa van ten minste 1 250 kg, met welk samenstel een snelheid van ten minste 80 km per uur kan worden bereikt; de laadruimte van de aanhangwagen moet bestaan uit een gesloten opbouw die ten minste 2 m breed en 2 m hoog is; de feitelijke totale massa van de aanhangwagen moet minimaal 800 kg bedragen;

Examenvoertuigen van de categorieën B+E, C, C+E, C1, C1+E, D, D+E, D1 en D1+E die niet voldoen aan de bovenstaande minimumnormen maar die wel vóór of op de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn worden gebruikt, mogen nog tot maximaal tien jaar na deze datum worden gebruikt. Aan de bepalingen met betrekking tot de lading moet uiterlijk tien jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn door de lidstaten uitvoering zijn gegeven.

6.1.2. Steekproefsgewijze controle van banden, remmen, stuurinrichting,

noodstopschakelaar (indien aanwezig), ketting, oliepeil, verlichting, reflectoren, richtingaanwijzers en claxon.

6.2. Bijzondere verrichtingen in verband met de verkeersveiligheid

6.2.1. Motorrijwiel op de standaard plaatsen, er vanaf halen en zonder hulp van de motor het rijwiel verplaatsen door ernaast te lopen;

6.2.2. Motorrijwiel op de standaard plaatsen;

6.2.3. Ten minste twee verrichtingen bij een lage snelheid, waaronder een slalom ter beoordeling van de bediening van de koppeling in combinatie met de rem, balans, kijkrichting en de houding op het motorrijwiel, en de positie van de voeten op de voetsteunen;

6.2.4. Ten minste twee verrichtingen bij een hogere snelheid, waaronder één verrichting in tweede of derde versnelling, minimaal 30 km per uur, en één verrichting voor het ontwijken van obstakels bij een snelheid van minimaal 50 km per uur, ter beoordeling van de houding op het motorrijwiel, kijkrichting, balans, stuurtechniek

en schakeltechniek;

6.2.5. Remmen: er moeten minimaal twee remoefeningen worden uitgevoerd, waaronder een noodstop bij een snelheid van minimaal 50 km per uur, ter beoordeling van de bediening van de voor- en achterrem, kijkrichting en de houding op het motorrijwiel.

Aan de bepalingen inzake de bijzondere verrichtingen in de punten 6.2.3 tot en met 6.2.5 moet uiterlijk vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn uitvoering zijn gegeven.

6.3. Rijgedrag

De kandidaten moeten in normale verkeerssituaties veilig en met de vereiste voorzichtigheid de volgende handelingen uitvoeren:

6.3.8. Speciale verkeerselementen (indien aanwezig): rotondes; gelijkvloerse

spoorwegovergangen, tram-/bushaltes; voetgangersoversteekplaatsen;

-

stijgende/dalende weg over een lange afstand;

6.3.9. De nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het afstappen van het voertuig.

7. Rijvaardigheid en rijgedrag met betrekking tot de categorieën B, B1 en B+E

7.1. Rijklaar maken en technische controle van het voertuig in verband met de verkeersveiligheid

De kandidaten moeten door middel van de onderstaande handelingen aantonen dat zij goed voorbereid aan het examen kunnen beginnen en het voertuig rijklaar kunnen

maken:

7.1.1. Verstellen van de zitplaats van de bestuurder voor een juiste zithouding;

7.1.2. Afstellen van de achteruitkijkspiegels, veiligheidsgordel en hoofdsteun (indien aanwezig);

7.1.3. Controleren of de portieren goed gesloten zijn;

7.1.4. Steekproefsgewijze controle van banden, stuurinrichting, remmen, vloeistoffen (bijvoorbeeld

motorolie, koelvloeistof, ruitensproeiervloeistof), verlichting,

reflectoren, richtingaanwijzers en claxon;

7.1.5. Controle van de veiligheid met betrekking tot de lading van het voertuig: carrosserie, plaatwerk, laaddeuren, cabineslot, manier van laden, vastzetten lading (alleen categorie B+E);

7.1.6. Controle van het koppelmechanisme en de elektrische en remverbindingen (alleen categorie B+E);

7.2. Categorieën B en B1: bijzondere verrichtingen in verband met de verkeersveiligheid

7.3.1. Koppelen en loskoppelen van een aanhangwagen aan/van een motorvoertuig; aan het begin van deze verrichting moeten het voertuig en de aanhangwagen naast elkaar staan (niet in elkaars verlengde);

7.3.2. Achteruitrijdend een bocht maken met een door de lidstaten vast te stellen loop;

7.3.3. Veilig parkeren voor laden/lossen.

7.4. Rijgedrag

De kandidaten moeten in normale verkeerssituaties veilig en met de vereiste voorzichtigheid de volgende handelingen uitvoeren:

7.4.1. Wegrijden: na parkeren, na een stop in het verkeer, na verlaten van een oprit;

7.4.2. Rijden op rechte wegen; tegenliggers passeren, ook bij wegversmallingen;

7.4.3. Rijden door bochten;

7.4.4. Kruispunten: naderen en oversteken van kruispunten en overwegen;

7.4.5. Veranderen van richting: naar links en rechts; veranderen van rijstrook;

7.4.6. Oprijden/verlaten van snelwegen of vergelijkbare wegen (indien aanwezig): invoegen vanaf de invoegstrook; uitvoegen op de uitvoegstrook;

7.4.7. Inhalen/passeren: inhalen van ander verkeer (indien mogelijk); obstakels voorbijrijden, bijvoorbeeld geparkeerde auto's; ingehaald worden (indien mogelijk);

7.4.8. Speciale verkeerselementen (indien aanwezig): rotondes; gelijkvloerse

spoorwegovergangen, tram-/bushaltes; voetgangersoversteekplaatsen;

-

stijgende/dalende weg over een lange afstand;

7.4.9. De nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het verlaten van het voertuig.

8.1.4. Controle van de rembekrachtiging en stuurinrichting; controle van de wielen, wielmoeren, spatborden, voorruit, ruiten en ruitenwissers, vloeistoffen (bijvoorbeeld motorolie, koelvloeistof en ruitensproeiervloeistof); controle en gebruik van alle onderdelen op het dashboard, inclusief de controleapparatuur als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 3821/85;

8.1.5. Controle van de luchtdruk, luchttanks en de wielophanging;

8.1.6. Controle van de veiligheid met betrekking tot de lading van het voertuig: carrosserie, plaatwerk, laaddeuren, laadmechanisme (indien aanwezig), cabineslot (indien aanwezig), manier van laden, vastzetten lading (alleen categorieën C, C+E, C1, C1+E);

8.1.7. Controle van het koppelmechanisme en de elektrische en remverbindingen (alleen categorieën C+E, C1+E, D+E, D1+E);

8.1.8. In staat zijn bijzondere maatregelen te treffen voor de veiligheid van het voertuig;

controle van carrosserie, bedrijfsdeuren, nooduitgangen, EHBO-benodigdheden, brandblussers en andere veiligheidsvoorzieningen (alleen categorieën D, D+E, D1, D1+E);

8.1.9. Lezen van een wegenkaart, routeplanner, inclusief het gebruik van elektronische navigatiesystemen (optioneel).

8.2. Bijzondere verrichtingen in verband met de verkeersveiligheid

8.2.1. Koppelen en loskoppelen van een aanhangwagen of oplegger aan/van een motorvoertuig; aan het begin van deze verrichting moeten het voertuig en de aanhangwagen of oplegger naast elkaar staan (niet in elkaars verlengde) (alleen categorieën C+E, C1+E, D+E, D1+E);

8.2.2. Achteruitrijdend een bocht maken met een door de lidstaten vast te stellen loop;

8.2.3. Veilig parkeren voor laden/lossen bij een laadvloer/laadhelling of soortgelijke inrichting (alleen categorieën C, C+E, C1, C1+E);

8.3.6. Oprijden/verlaten van snelwegen of vergelijkbare wegen (indien aanwezig): invoegen vanaf de invoegstrook; uitvoegen op de uitvoegstrook;

8.3.7. Inhalen/passeren: inhalen van ander verkeer (indien mogelijk); obstakels voorbijrijden, bijvoorbeeld geparkeerde auto's; ingehaald worden (indien mogelijk);

8.3.8. Speciale verkeerselementen (indien aanwezig): rotondes; gelijkvloerse

spoorwegovergangen, tram-/bushaltes; voetgangersoversteekplaatsen;

-

stijgende/dalende weg over een lange afstand;

8.3.9. De nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het verlaten van het voertuig.

9. Beoordeling tijdens het praktische examen

9.1. Tijdens elke rijsituatie wordt beoordeeld in hoeverre de kandidaat in staat is het voertuig te bedienen en of hij/zij in staat is volkomen veilig aan het verkeer deel te nemen. De examinator moet zich tijdens het gehele examen veilig voelen. Rijfouten of gevaarlijk rijgedrag die de veiligheid van het examenvoertuig, de passagiers of de medeweggebruikers direct in gevaar brengen, hebben ongeacht of de examinator al dan niet heeft moeten ingrijpen, tot gevolg dat de kandidaat wordt afgewezen. Het staat de examinator in dat geval vrij het praktische examen voortijdig te beëindigen.

De examinatoren moeten worden opgeleid om de vaardigheid van de kandidaten om in alle opzichten veilig te rijden, correct te beoordelen. Op de werkzaamheden van de examinatoren moet door een door de lidstaat erkend lichaam controle en toezicht worden uitgeoefend met het oog op een correcte en consequente foutenbeoordeling, overeenkomstig de in deze bijlage vastgestelde normen.

9.2. Tijdens de beoordeling moet de examinator in het bijzonder aandacht schenken aan het feit of de kandidaat defensief en sociaal rijgedrag vertoont. Dit gedrag moet overeenkomen met de algehele rijstijl en de examinator moet hiermee rekening houden bij de beeldvorming van de kandidaat. Hiertoe behoren het aanpassend en zelfverzekerd (veilig) rijden. Daarbij moet echter rekening worden gehouden met de weg- en weersomstandigheden, medeweggebruikers, de veiligheid van de overige weggebruikers (met name de kwetsbaardere) en anticipatievermogen.

9.3.2. Zuinig en milieuvriendelijk rijden. Hierbij moet worden gelet op het aantal omwentelingen per minuut en het schakelen, remmen en versnellen (alleen categorieën B+E, C, C+E, C1, C1+E, D, D+E, D1, D1+E);

9.3.3. Goed kijken: rondom kijken, spiegels goed gebruiken; dichtbij, verder weg, ver kijken;

9.3.4. Voorrang verlenen: voorrang op kruispunten en overwegen; voorrang verlenen op andere punten (bijvoorbeeld bij het veranderen van richting of rijstrook en bij bijzondere verrichtingen);

9.3.5. De juiste positie kiezen op de weg: juiste positie op de weg, de rijstrook, de rotonde en door bochten, die past bij het type en de eigenschappen van het voertuig;

voorsorteren;

9.3.6. Afstand bewaren: voldoende afstand bewaren voor en naast het voertuig; voldoende afstand bewaren van medeweggebruikers;

9.3.7. Snelheid: de maximumsnelheid niet overschrijden; snelheid aanpassen aan de weers- en verkeersomstandigheden en indien nodig aan de nationale snelheidslimiet; rijden met een snelheid waarbij het tot stilstand komen vóór een zichtbare en vrije weg mogelijk is; snelheid aanpassen aan die welke wordt aangehouden door andere, soortgelijke weggebruikers;

9.3.8. Verkeerslichten, verkeerstekens en andere voorzieningen: correct gedrag bij verkeerslichten, opvolgen van de instructies van verkeersregelaars: correct gedrag bij verkeerstekens (verbods- of gebodsborden); correct gedrag bij wegmarkeringen;

9.3.9. Het geven van signalen: signalen geven op de juiste momenten; correct richting aangeven; correct reageren op signalen van andere weggebruikers;

9.3.10. Remmen en stoppen: tijdig gas minderen, afremmen of stoppen, waarbij rekening

moet worden gehouden met de omstandigheden; anticipatievermogen; gebruik van de verschillende reminrichtingen (alleen categorieën C, C+E, D, D+E); gebruik van andere snelheidsbegrenzers dan remmen (alleen categorieën C, C+E, D, D+E);

uiteenlopende aard (zoals woonwijken, gebieden waar niet harder dan 30 of 50 km per uur mag worden gereden en auto-/snelwegen binnen de stad), waar zich de verschillende moeilijkheden voordoen waarmee een bestuurder kan worden geconfronteerd. Het is wenselijk dat het examen in verschillende situaties van verkeersdrukte plaatsvindt. De examinator moet de tijd die op de weg wordt doorgebracht optimaal gebruiken door uiteenlopende verkeerssituaties op te zoeken, zodat het rijgedrag van de kandidaat in de verschillende situaties goed kan worden beoordeeld. Daarbij moet met name worden gelet op de overgang tussen de verschillende situaties.

II. EISEN INZAKE KENNIS, RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG VOOR HET

BESTUREN VAN EEN MOTORVOERTUIG

Bestuurders van motorvoertuigen moeten op elk willekeurig moment voldoen aan eisen inzake kennis, rijvaardigheid en rijgedrag zoals beschreven in de punten 1 tot en met 9 hierboven, zodat zij in staat zijn:

  • verkeersrisico's te onderkennen en de ernst ervan te beoordelen,
  • controle over hun voertuig te hebben om geen gevaarlijke situaties te scheppen, en adequaat te reageren wanneer dergelijke situaties zich voordoen,
  • de verkeersregels in acht te nemen, met name die welke gericht zijn op het voorkomen van verkeersongevallen en het verzekeren van een vlotte doorstroming van het verkeer,
  • de voornaamste technische defecten van hun voertuig te ontdekken, met name die welke de veiligheid in gevaar brengen, en die adequaat te laten verhelpen,
  • rekening te houden met alle factoren die het rijgedrag nadelig beïnvloeden (alcohol, vermoeidheid, verminderd gezichtsvermogen, enz.), teneinde volledig in staat te blijven tot veilig rijgedrag,
  • bij te dragen tot de veiligheid van alle weggebruikers, in het bijzonder de zwaksten en kwetsbaarsten, door naar behoren rekening te houden met de medeweggebruikers.

91/439/EEG (aangepast) nieuw

BIJLAGE III

MINIMUMNORMEN INZAKE LICHAMELIJKE EN GEESTELIJKE

GESCHIKTHEID VOOR HET BESTUREN VAN EEN MOTORRIJTUIG

DEFINITIES

  • 1. 
    In het kader van deze bijlage worden de bestuurders in twee groepen ingedeeld,

namelijk:

1.1. Groep 1:

bestuurders van voertuigen van de categorieën A, A1, B , B1 en B + E, en

van de subcategorieën A1 en B1..

1.2. Groep 2:

bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C + E, C1, C1+E, D, D + E

en van de subcategorieën C1, C1 + E, D 1 et D 1 + E.

1.3. In de nationale wetgeving kunnen bepalingen worden opgenomen om de voor de bestuurders van groep 2 bestemde bepalingen van deze bijlage toe te passen op de bestuurders van voertuigen van categorie B die hun rijbewijs voor de uitoefening van hun beroep gebruiken (taxi's, ziekenauto's, enz.).

  • 2. 
    Naar analogie hiervan worden de aanvragers van een rijbewijs of verlenging van een rijbewijs ingedeeld in de groep waartoe zij behoren, nadat het rijbewijs is afgegeven of verlengd.

GEZICHTSVERMOGEN

  • 6. 
    Iedere aanvrager van een rijbewijs dient de nodige onderzoeken te ondergaan om vast te stellen of hij beschikt over voldoende gezichtsscherpte voor het besturen van motorvoertuigen. Indien daarover twijfel bestaat, moet hij door een bevoegde medische instantie worden onderzocht. Bij dat onderzoek moet vooral gelet worden op de gezichtsscherpte, het gezichtsveld, het gezichtsvermogen in het schemerdonker en progressieve oogziekten.

Intraoculaire lenzen worden in het kader van deze bijlage niet als corrigerende lenzen

beschouwd. -

Groep 1

6.1. Iedere aanvrager van een rijbewijs of verlenging van een rijbewijs dient, zo nodig met optische correctie, een binoculaire gezichtsscherpte te hebben van ten minste 0,5. Het rijbewijs mag niet worden afgegeven of verlengd, indien bij het medische onderzoek blijkt dat het horizontale gezichtsveld kleiner is dan 120°, behalve in uitzonderingsgevallen op grond van een gunstig medisch advies en een positieve praktische test, of indien blijkt dat het gezichtsvermogen van de betrokkene op een zodanige andere wijze is aangetast dat hij niet veilig kan rijden. Indien een progressieve oogziekte wordt ontdekt of gemeld, kan het rijbewijs worden afgegeven of verlengd mits de aanvrager zich periodiek door een bevoegde medische instantie laat onderzoeken.

6.2. Iedere aanvrager van een rijbewijs of verlenging van een rijbewijs die het gezichtsvermogen van een oog volledig is kwijtgeraakt of die, bij voorbeeld in geval van diplopie, slechts één oog gebruikt, dient een gezichtsscherpte, zo nodig met optische correctie, van ten minste 0,6 te hebben. De bevoegde medische instantie dient daarbij te verklaren dat dit monoculaire zien al zolang bestaat dat de betrokkene zich daaraan heeft aangepast, en dat het gezichtsveld van het oog normaal is. -

Groep 2

MOTORISCH GEHANDICAPTEN

  • 8. 
    Het rijbewijs mag niet worden afgegeven of verlengd indien de aanvrager of bestuurder aan motorische aandoeningen of afwijkingen lijdt waardoor het besturen van een motorvoertuig gevaar oplevert. -

Groep 1

8.1. Een rijbewijs met eventueel beperkende voorwaarde mag, nadat daarover door een bevoegde medische instantie advies is uitgebracht, worden afgegeven aan aanvragers of bestuurders die lichamelijk gehandicapt zijn. Dat advies moet gebaseerd zijn op een medische beoordeling van de betreffende aandoening of afwijking en zo nodig op een praktische test; daarin moet ook worden aangegeven hoe het voertuig moet worden aangepast en of de bestuurder orthopedische apparatuur nodig heeft. Uit het onderzoek naar de rijvaardigheid en het rijgedrag moet echter blijken dat die apparatuur geen gevaar voor het rijden oplevert.

8.2. Het rijbewijs mag worden afgegeven of verlengd indien de aanvrager aan een progressieve aandoening lijdt, mits aan de hand van periodieke controles wordt geverifieerd of de betrokkene nog in staat is zijn voertuig volkomen veilig te besturen.

Een rijbewijs mag zodra de handicap zich heeft gestabiliseerd zonder geregelde medische controle worden afgegeven of verlengd. -

Groep 2

8.3. De bevoegde medische instantie dient naar behoren rekening te houden met de extra risico's en gevaren in verband met het besturen van voertuigen die aan de definitie van deze groep beantwoorden.

HART- EN VAATZIEKTEN

9.4. In het algemeen mag het rijbewijs niet worden afgegeven of verlengd indien de aanvrager of bestuurder lijdt aan benauwdheid tijdens rust of bij opwinding. Voor de afgifte of verlenging van een rijbewijs indien de aanvrager of bestuurder aan een hartinfarct heeft geleden, is een officieel medisch advies en zo nodig een geregelde

medische controle vereist. -

Groep 2

9.5. De bevoegde medische instantie houdt naar behoren rekening met de extra risico's en gevaren in verband met het besturen van voertuigen die aan de definitie van deze groep beantwoorden.

DIABETES MELLITUS

  • 10. 
    Het rijbewijs mag worden afgegeven of verlengd indien de aanvrager of bestuurder aan diabetes mellitus lijdt, onder voorbehoud van een officieel medisch advies en een geregelde specifieke medische controle. -

Groep 2

10.1. Rijbewijzen mogen niet worden afgegeven of verlengd indien de tot deze groep behorende aanvrager of bestuurder aan diabetes mellitus lijdt die met insuline moet worden behandeld, tenzij in zeer uitzonderlijke gevallen, op grond van een officieel medisch advies en onder voorbehoud van een geregelde medische controle.

NEUROLOGISCHE ZIEKTEN

  • 11. 
    Rijbewijzen mogen niet worden afgegeven of verlengd indien de aanvrager of bestuurder lijdt aan een ernstige neurologische aandoening, tenzij de aanvraag door een officieel medisch advies wordt ondersteund.

Daartoe worden neurologische stoornissen ten gevolge van aandoeningen of operaties van het centrale of perifere zenuwstelsel die door sensoriële of motorische defecten en evenwichts- en coördinatiestoornissen tot uiting komen, beoordeeld op grond van het effect daarvan en de kans op progressie. Aan de afgifte of verlenging van het rijbewijs kan in die gevallen de voorwaarde worden verbonden dat er periodiek onderzoek moet plaatsvinden, indien er kans op progressie bestaat.

-

Groep 2

12.2. Rijbewijzen mogen niet worden afgegeven of verlengd, indien de aanvrager of bestuurder aan epileptische aanvallen of andere acute bewustzijnsstoornissen lijdt of daarvoor vatbaar is.

PSYCHISCHE AANDOENINGEN -

Groep 1

13.1. Rijbewijzen mogen niet worden afgegeven of verlengd, indien de aanvrager of bestuurder lijdt aan:

  • congenitale of door ziekten, trauma's of neurochirurgische ingrepen ontstane ernstige psychische aandoeningen;
  • ernstige mentale retardatie;
  • ernstige uit het verouderingsproces voortvloeiende gedragsstoornissen of ernstige met de individuele psychische gesteldheid verband houdende stoornissen van het oordeels- en aanpassingsvermogen of gedragsstoornissen,

tenzij de aanvraag door een officieel medisch advies wordt ondersteund en de betrokkene zo nodig geregeld medisch wordt gecontroleerd. -

Groep 2

13.2. De bevoegde medische instantie houdt naar behoren rekening met de extra risico's en gevaren in verband met het besturen van voertuigen die aan de definitie van deze groep beantwoorden.

ALCOHOL

VERDOVENDE MIDDELEN EN GENEESMIDDELEN

  • 15. 

    Misbruik

Rijbewijzen mogen niet worden afgegeven of verlengd indien de aanvrager of bestuurder verslaafd is aan psychotrope stoffen of zonder daaraan verslaafd te zijn die stoffen overmatig gebruikt, ongeacht de categorie van het aangevraagde rijbewijs. -

Regelmatig gebruik -

Groep 1

15.1. Rijbewijzen mogen niet worden afgegeven of verlengd indien de aanvrager of bestuurder regelmatig, in welke vorm dan ook, psychotrope stoffen gebruikt die van nadelige invloed op de rijvaardigheid kunnen zijn, indien dusdanige hoeveelheden worden gebruikt dat het rijgedrag daardoor ongunstig wordt beïnvloed. Hetzelfde geldt voor alle andere geneesmiddelen of geneesmiddelencombinaties die de rijvaardigheid beïnvloeden. -

Groep 2

15.2. De bevoegde medische instantie houdt naar behoren rekening met de extra risico's en gevaren in verband met het besturen van voertuigen die aan de definitie van deze groep beantwoorden.

NIERAANDOENINGEN -

Groep 1

16.1. Rijbewijzen mogen worden afgegeven of verlengd indien de aanvrager of bestuurder aan ernstige nierinsufficiëntie lijdt, op voorwaarde dat een officieel medisch advies wordt verstrekt en de betrokkene geregeld medisch wordt onderzocht.

-

Groep 2

17.2. De bevoegde medische instantie houdt naar behoren rekening met de extra risico's en gevaren in verband met het besturen van voertuigen die aan de definitie van deze groep beantwoorden.

  • 18. 
    In het algemeen mogen rijbewijzen niet worden afgegeven of verlengd indien de aanvrager of bestuurder aan een niet in de voorgaande alinea's vermelde aandoening lijdt die aanleiding kan vormen tot lichamelijke klachten, waardoor bij het besturen van een motorvoertuig de verkeersveiligheid in gevaar komt, tenzij de aanvraag door een officieel medisch advies wordt ondersteund en de betrokkene, zo nodig, geregeld medisch wordt onderzocht.

________________

nieuw

BIJLAGE IV

BASISBEKWAAMHEID EN BIJSCHOLING

VAN DE EXAMINATOREN VOOR HET RIJBEWIJS

1. Algemene voorwaarden

1.1. Een examinator voor het rijbewijs van categorie B:

  • a) 
    moet sedert ten minste vijf jaar houder zijn van een rijbewijs van categorie B;
  • b) 
    moet de leeftijd van 25 jaar hebben bereikt;
  • c) 
    moet de basisbekwaamheid hebben behaald waarin punt 2 voorziet en vervolgens elk jaar de bijscholing volgen waarin punt 3 voorziet.

1.2. Een examinator voor het rijbewijs van de overige categorieën:

  • a) 
    moet houder zijn van een rijbewijs van de betrokken categorie;
  • b) 
    moet de basisbekwaamheid hebben behaald waarin punt 2 voorziet en vervolgens elk jaar de bijscholing volgen waarin punt 3 voorziet;
  • c) 
    moet examinator voor het rijbewijs van categorie B zijn geweest en die taak gedurende ten minste drie jaar hebben uitgeoefend; Deze duur kan worden beperkt tot één jaar indien de examinator kan aantonen dat hij beschikt over een rijervaring van vijf jaar in de betrokken categorie..

2. Inhoud van de basisbekwaamheid van de examinatoren voor het rijbewijs:

2.1. Een grondige kennis van alle in deze richtlijn en met name in bijlage II ervan bedoelde punten. Bovendien moet de basisbekwaamheid de volgende aspecten

omvatten:

2.1.2. Kennis:

  • a) 
    grondige kennis van het verkeersreglement,
  • b) 
    didactische en pedagogische vaardigheden.

2.2. Met het oog op de basisbekwaamheid leggen de lidstaten minstens een theoretisch en een praktisch examen op betreffende alle onder deze richtlijn vallende onderwerpen, met name betreffende de in punt 2.1. opgesomde onderwerpen, die nodig zijn om de kennis, de rijvaardigheid en het rijgedrag te toetsen die vereist zijn om examinator voor het rijbewijs van de betrokken categorie te worden. Bijzondere aandacht wordt daarbij besteed aan de bekwaamheid om een voertuig van die categorie te besturen.

De examinatoren voor het rijbewijs van categorie A zijn ook gerechtigd de categorieën AM, A1 en A2 te examineren

De examinatoren voor het rijbewijs van categorie C zijn ook gerechtigd de categorieën C1, D en D1 te examineren.

De examinatoren voor het rijbewijs van categorie C+E zijn ook gerechtigd de categorieën C1+E, D+E, D1+E te examineren.

3. Bijscholing

De bijscholing heeft betrekking op dezelfde onderwerpen als de basisbekwaamheid.

De theoretische opleiding dient meer bepaald aspecten zoals wijzigingen in de wetgeving en didactische en sociale vaardigheden te omvatten. De praktische opleiding moet toelaten de vaardigheid voor het besturen van een voertuig van de betrokken categorie en de persoonlijke kennis ter zake op een zeer hoog niveau te handhaven. Een periode van toezicht van minimaal één dag per jaar moet de nodige gegevens verstrekken om de bijscholing op de persoonlijke behoeften van de examinator af te stemmen. De jaarlijkse minimumduur van de bijscholing bedraagt:

Theoretische opleiding (alle categorieën):

BIJLAGE V

Deel A

Ingetrokken richtlijn met de achtereenvolgende wijzigingen ervan

(bedoeld in artikel 18)

Richtlijn 91/439/EEG van de Raad1 (PB L 237 van 24.8.1991, blz. 1)

Richtlijn 94/72/EG van de Raad (PB L 337 van 24.12.1994, blz. 86)

Richtlijn 96/47/EG van de Raad (PB L 235 van 17.9.1996, blz. 1)

Richtlijn 97/26/EG van de Raad (PB L 150 van 7.6.1997, blz. 41)

Richtlijn 2000/56/EG van de Commissie (PB L 237 van 21.9.2000, blz. 45)

Richtlijn 2003/59/EG van het (PB L 226 van 10.9.2003, blz. 4)

Europees Parlement en de Raad, enkel artikel 10, lid 2

Deel B

Termijnen voor de omzetting in nationaal recht en toepassing

(bedoeld in artikel 18)

Richtlijn Omzettingstermijn Toepassingsdatum

Richtlijn 91/439/EEG 1 juli 1994 1 juli 1996

Richtlijn 94/72/EG - xx.xx.1995

Beschikking 96/427/EG - 16 juli 1996

Richtlijn 96/47/EG 1 juli 1996 1 juli 1996

Richtlijn 97/26/EG 1 januari 1998 1 januari 1998

Richtlijn 2000/56/EG 30 september 2003 30 september 2003, 30

september 2008 (Bijlage

II, punt 6.2.5) en 30

september 2013 (Bijlage II

punt 5.2)

Richtlijn 2003/59/EG 10 september 2006 10 september 2008

(reizigersvervoer) en 10

september 2009

(goederenvervoer)

________________

BIJLAGE VI

Concordantietabel

Richtlijn 91/439/EEG De onderhavige richtlijn

Artikel 1, lid 1, eerste zin Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 1, tweede zin -

  • Artikel 1, lid 2

Artikel 1, lid 2 Artikel 2

Artikel 1, lid 3 -

Artikel 2, lid 1 Artikel 3, lid 1

Artikel 2, lid 2 Artikel 3, lid 2, eerste zin

Artikel 3, lid 2, tweede zin

Artikel 2, lid 3 -

Artikel 2, lid 4 -

Artikel 3, lid 1, eerste alinea, inleidende woorden Artikel 4, lid 1, eerste alinea, inleidende woorden

  • Artikel 4, lid 1, eerste alinea, eerste streepje
  • Artikel 4, lid 1, eerste alinea, derde streepje

Artikel 3, lid 1, eerste alinea, eerste streepje Artikel 4, lid 1, eerste alinea, vierde streepje

Artikel 3, lid 2, eerste alinea, inleidende woorden -

Artikel 3, lid 2, eerste alinea, eerste streepje Artikel 4, lid 1, eerste alinea, tweede streepje

Artikel 3, lid 2, eerste alinea, tweede streepje Artikel 4, lid 1, eerste alinea, vijfde streepje

Artikel 3, lid 2, eerste alinea, derde streepje Artikel 4, lid 1, eerste alinea, achtste streepje

Artikel 3, lid 2, eerste alinea, vierde streepje Artikel 4, lid 1, eerste alinea, negende streepje

Artikel 3, lid 2, eerste alinea, vijfde streepje Artikel 4, lid 1, eerste alinea, twaalfde streepje

Artikel 3, lid 2, eerste alinea, zesde streepje, inleidende woorden Artikel 4, lid 1, eerste alinea, dertiende streepje

Artikel 3, lid 2, eerste alinea, zesde streepje, 1Artikel 4, lid 1, eerste alinea, dertiende streepje

ste substreepje

Artikel 3, lid 2, eerste alinea, tweede streepje, 2Artikel 4, lid 1, tweede alinea

de substreepje

Artikel 3, lid 3, inleidende woorden Artikel 4, lid 2, inleidende woorden

Artikel 3, lid 3, eerste streepje Artikel 4, lid 2, onder a

  • Artikel 4, lid 2, onder b

Artikel 3, lid 3, tweede streepje, eerste alinea Artikel 4, lid 2, onder c en d

Artikel 5, lid 1 Artikel 6, lid 1

Artikel 5, lid 2, inleidende woorden Artikel 6, lid 2, inleidende woorden

Artikel 5, lid 2, onder a Artikel 6, lid 2, onder a

Artikel 5, lid 2, onder b Artikel 6, lid 2, onder b

  • Artikel 6, lid 2, onder c
  • Artikel 6, lid 2, onder d

Artikel 5, lid 3 Artikel 6, lid 3

Artikel 5, lid 4 Artikel 6, lid 4

Artikel 6, lid 1, inleidende woorden Artikel 7, lid 1, inleidende woorden

  • Artikel 7, lid 1, onder a, eerste streepje

Artikel 6, lid 1, onder a, eerste streepje Artikel 7, lid 1, onder a, tweede streepje

Artikel 6, lid 1, onder a, tweede streepje Artikel 7, lid 1, onder a, derde streepje

Artikel 6, lid 1, onder b, eerste streepje Artikel 7, lid 1, onder b, eerste streepje

Artikel 6, lid 1, onder b, tweede streepje Artikel 7, lid 1, onder b, tweede streepje

Artikel 6, lid 1, onder b, derde streepje Artikel 7, lid 1, onder b, derde streepje

  • Artikel 7, lid 1, onder c, eerste streepje
  • Artikel 8, lid 1, onder d

Artikel 7, lid 1, onder b Artikel 8, lid 1, onder e

Artikel 7, lid 2 -

Artikel 7, lid 3 -

  • Artikel 8, lid 2
  • Artikel 8, lid 3

Artikel 7, lid 4 Artikel 8, lid 4

Artikel 7, lid 5 Artikel 8, lid 5, eerste zin

Artikel 8, lid 5, tweede zin

Artikel 7bis, lid 1 -

Artikel 7bis, lid 2 Artikel 9

Artikel 7ter Artikel 10

  • Artikel 11

Artikel 8 Artikel 12

Artikel 9 Artikel 13

Artikel 10 Artikel 14

Bijlage I -

Bijlage Ibis Bijlage I

Bijlage II Bijlage II

Bijlage III Bijlage III

  • Bijlage IV
  • Bijlage V
  • Bijlage VI

________________

EFFECTBEOORDELINGSFORMULIER

EFFECT VAN HET VOORSTEL OP HET BEDRIJFSLEVEN, MET NAME OP HET

MIDDEN- EN KLEINBEDRIJF (MKB)

TITEL VAN HET VOORSTEL

Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het rijbewijs en tot intrekking van Richtlijn 91/439/EEG

REFERENTIENUMMER VAN HET DOCUMENT

COM(2003)...

VOORSTEL

  • 1. 
    Waarom is, gelet op het subsidiariteitsbeginsel, communautaire wetgeving op dit gebied noodzakelijk en wat zijn de voornaamste doelstellingen?

De Gemeenschap is al bevoegd op het gebied van rijbewijzen krachtens Richtlijn 91/439/EEG

van de Raad, die de eerste rijbewijsrichtlijn,

Richtlijn 80/1263/EEG, heeft ingetrokken. De wijzigingen blijven binnen de bevoegdheden die aan de Gemeenschap zijn verleend krachtens artikel 71, lid 1, onder c, van het EG-Verdrag. Op grond van deze bepaling moeten het Europees Parlement en de Raad, overeenkomstig de medebeslissingsprocedure, maatregelen vaststellen om de veiligheid van het vervoer te verbeteren.

De voorgestelde wijzigingen beogen in belangrijke mate het verbeteren van de verkeersveiligheid als een aspect van de vervoersveiligheid. Zij zullen de algemene Europese norm van rijbewijsgerelateerde veiligheidsaspecten verbeteren door middel van geharmoniseerde rijbewijswetgeving. Verder is een groot aantal van de voorgestelde maatregelen bedoeld om het vrij verkeer van rijbewijshouders te verbeteren, die een grote groep Europese burgers vormen. Dit sluit aan bij de doelen van de "Agenda van Lissabon". Bovendien wordt in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen gewezen op de effecten die het rijbewijsgebeuren kan hebben op het vrij verkeer van burgers, een van de bij het Unieverdrag gegarandeerde kernvrijheden.

EFFECT OP HET BEDRIJFSLEVEN

  • 2. 
    Waarop is het voorstel van invloed:
  • welke bedrijfstakken?

Het voorstel zal van invloed zijn op alle toekomstige rijbewijshouders alsook rij-instructeurs, rijexaminatoren maar ook de overheidsdiensten die gaan over het rijbewijs alsook handhavingsautoriteiten. Er zullen indirecte effecten zijn op de producenten van rijbewijzen aangezien het papieren rijbewijs verdwijnt en enkel het rijbewijs in de vorm van een plastic kaart blijft. Het voorstel zal echter niet direct van invloed zijn op hun zaken. Er zullen ook indirecte effecten zijn op de producenten van voertuigen aangezien de zogenaamde subcategorieën van Richtlijn 91/439/EEG worden geharmoniseerd. Deze harmonisatie moet een positief effect hebben vanwege de uitgebreide markt en de geharmoniseerde definities.

  • welke bedrijfsomvang (met welk aandeel van kleine en middelgrote bedrijven)?

De voornaamste groep van kleine en middelgrote bedrijven waarop het voorstel van invloed zal zijn is de rijschoolsector. Deze bestaat overwegend uit kleine ondernemingen (voor het grootste gedeelte eenmanszaken).

  • zijn er bijzondere geografische gebieden van de Gemeenschap waar deze

bedrijven voorkomen?

Nee, de sector is in alle lidstaten gelijk vertegenwoordigd.

  • 3. 
    Wat moeten de bedrijven doen om aan de voorgestelde wetgeving te voldoen?

Rijscholen zullen zoals steeds de gelegenheid hebben opleiding aan te bieden aan kandidaten voor een rijbewijs. Dat is niets nieuws. Men kan enkel vaststellen dat de verschillende categorieën van rijbewijzen verder worden geharmoniseerd en dat er aldus meer kans is op een uitbreiding van de activiteiten in deze over het algemeen kleine bedrijfstak.

concurrentievermogen worden gesproken in een sector die zo lokaal is georganiseerd.

  • 5. 
    Bevat het voorstel maatregelen om rekening te houden met de bijzondere situatie van kleine en middelgrote bedrijven (minder zware of andere eisen, enz.)?

Het voorstel omvat geen specifieke maatregelen in dat verband.

RAADPLEGING

  • 6. 
    Geef een overzicht van de organisaties die over het voorstel zijn geraadpleegd en zet hun standpunten in grote lijnen uiteen.

Het huidige voorstel maakt gebruik van de resultaten van sinds 1994 uitgevoerde studies. De harmonisatie van rijbewijscategorieën werd besproken met de rijbewijsautoriteiten van de lidstaten (CIECA), met de federaties van rijscholen (EFA, IVV, e.a.), met vertegenwoordigers van de voertuigindustrie (ACEM, AFQUAD), met organisaties die gebruikers vertegenwoordigen (FIM, FEMA, AIT-FIA) of sectoren (IRU).

De studies en daaropvolgende discussies zijn ter kennis gebracht van het Comité voor het rijbewijs en de overheidsdeskundingen op het gebied van rijbewijzen en zijn in extenso besproken.

2.

Original view

afbeelding document
 
 

3.

More information

21 okt
'03
COM(2003)621 - Driving licences (Recasting)


2 feb
'01
COM(2001)56 - Training of professional drivers for the carriage of goods or passengers by road


25 jun
'99
COM(1999)276 - Amendment of Council Directive 92/61/EEC relating to the type-approval of two or three-wheel motor vehicles


24 jun
'98
COM(1998)380 - Procedures for the exercise of implementing powers conferred on the Commission


20 feb
'96
COM(1996)55 - Amendment of Directive 91/439/EEC on driving licences


10 mei
'95
COM(1995)166 - Amendment of Directive 91/439/EEC on driving licences


24 okt
'94
COM(1994)429 - Amendment of Directive 91/439/EEC on driving licences


3 apr
'91
COM(1990)669 - Type-approval of two or three-wheel motor vehicles


30 nov
'88
COM(1988)705 - Driving licence


21 mrt
'84
COM(1984)147 - Amendment of regulations ( eec ) no 543/69 on the harmonization of certain social legislation relating to road transport and regulation ( eec ) no 1463/70 on the introduction of recording equipment in road transport


 
 
publication date 05-12-2003
reference 15820/03

Contents