Duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen - Hoofdinhoud
Door de globalisering wordt er op wereldwijde schaal steeds meer gebruikt gemaakt van natuurlijke grondstoffen als gas, aardolie, water en hout. Duurzaamheid en economische groei lijken niet met elkaar samen te gaan. Voor landen is het daarom een grote uitdaging om de verduurzaming van hun economie te laten rijmen met andere prioriteiten, zoals economische groei en welvaart. Het milieu komt dan minder hoog op het prioriteitenlijstje.
De consequenties van klimaatverandering en de toenemende vraag naar energie en natuurlijke grondstoffen vragen om een stevige aanpak. Duurzame consumptie en productie geeft het bedrijfsleven de kans om milieu-uitdagingen te veranderen in economische kansen en betere deals voor consumenten. Dit doel wordt nagestreefd door de Europese Unie. Daarbij is het belangrijk dat volgende generaties ook nog van grondstoffen kunnen profiteren. Energiebesparing door verminderd gebruik van de hulpbronnen en alternatieve methoden om in de energiebehoefte te voorzien kunnen daaraan bijdragen.
Duurzaamheid is inmiddels doorgedrongen tot verschillende beleidsterreinen van de EU. Niet alleen het milieubeleid is verantwoordelijk; duurzaamheid moet geïntegreerd worden in alle relevante beleidsterreinen. De Europese Unie is verantwoordelijk voor de inbreng van duurzaamheid bij Europees en wereldwijd overleg.
Duurzame ontwikkeling werd voor het eerst benoemd in een rapport uit 1987 van de Wereldcommissie voor Milieu en Ontwikkeling van de Verenigde Naties. De definitie luidde: 'Duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling die tegemoetkomt aan de noden van het heden zonder de behoeftevoorziening van de toekomstige generaties in het gedrang te brengen''.
In 1992 werden tijdens een VN-Conferentie in Rio de Janeiro voor het eerst internationale afspraken gemaakt over duurzame ontwikkeling. Het bijbehorende actieprogramma werd Agenda 21 genoemd. In 2002 vond in Johannesburg de Wereldtop voor duurzame ontwikkeling plaats. Het lukte niet om nieuwe bindende afspraken te maken. Wel werd de discussie nieuw leven ingeblazen. In 2012 volgde in Rio de Janeiro de derde duurzaamheidstop onder de naam Rio+20. Ook deze eindigde teleurstellend.
Na de internationale aandacht voor duurzaamheid sprak de Europese Unie zich hierover voor het eerst uit in het Verdrag betreffende de Europese Unie uit 1993, waar het als doelstelling van de nieuwe Unie werd opgenomen. Een volgende belangrijke step werd gezet tijdens de Europese Raad in Götenburg van 2001. Daar sprak de Raad over het Commissievoorstel Een duurzaam Europa voor een betere wereld: een Europese Strategie voor Duurzame Ontwikkeling . In dit rapport werd een langetermijnstrategie voorgesteld om beleidslijnen voor duurzame economische, maatschappelijke en milieu-ontwikkelingen meer op elkaar aan te laten sluiten.
In datzelfde jaar presenteerde de Commissie het zesde Milieu Actie Programma 2001-2010, dat verlengd werd tot juni 2012. Het duurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen speelde hierin een belangrijke rol. In de eindbeoordeling voor dit actieprogramma werd geconcludeerd dat 'het gebruik van hulpbronnen [...] niet langer toe[neemt] in hetzelfde tempo als de economische groei.' Echter, 'in absolute termen neemt het gebruik van hulpbronnen nog steeds toe en dat is niet verenigbaar met de doelstelling om rekening te houden met de draagkracht van het milieu op de lange termijn.'
De Europese Commissie heeft voor de periode tot 2020 het Zevende Milieuprogramma vastgesteld. In dit programma staan betere implementatie van wetgeving door verbetering van de wetenschappelijke basis, meer investering en meer integratie van het milieu in andere beleidsterreinen centraal.
Tussen de verschillende instellingen van de EU bestaat onenigheid over de snelheid waarmee de maatregelen worden doorgevoerd en de afdwingbaarheid ervan. Dit heeft vooral te maken met de grote investeringen die moeten worden gedaan om het gebruik van grondstoffen drastisch te verminderen.
Met name het Europees Parlement is een groot voorstander van duurzame ontwikkeling. Het is bezorgd over het tempo waarin natuurlijke hulpbronnen verdwijnen en het milieu wordt belast. Daarom pleit het voor snellere invoering van de maatregelen die duurzaam gebruik bevorderen. Regelmatig spreekt het EP de Europese Commissie hierop aan. Volgens de Nederlandse Europarlementariër Kartika Liotard, rapporteur voor de Commissie Milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid, is 'het probleem van de natuurlijke hulpbronnen nú acuut en moeten er nu concrete maatregelen worden genomen.' De kern van het probleem is simpel: 'onze ecologische voetafdruk, dus het milieueffect van onze consumptie, is veel groter dan wat de aarde aan kan.'
Op 23 april 2007 presenteerde Liotard namens de EP-commissie Milieubeheer, Volksgezondheid en Consumentenbeleid een initiatiefverslag waarin het EP vaststelde dat de Thematische Strategie van de Europese Commissie over het duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen niet beantwoordde aan de doelstellingen van het Zesde Milieu Actieprogramma. In een toelichting bij het initiatiefverslag van deze commissie wordt het als volgt gesteld: 'We dienen ambitieuze initiatieven te nemen en bereid te zijn dwingende maatregelen te initiëren. Halfbakken maatregelen leiden niet tot een oplossing. Kort gezegd: we hebben het in eigen hand'. Voorstellen van de Commissie die tot dan waren gedaan stelden volgens Liotard teleur.
In het kader van de Europa 2020-strategie werd in 2011 het Vlaggenschipinitiatief voor een efficiënt gebruik van hulpbronnen in Europa gelanceerd. In dit initiatief, dat nog niet geheel is uitgewerkt, wil de Europese Commissie antwoorden formuleren ten aanzien van de volgende vraagstukken:
-
-Wat moet de EU doen om tegen 2050 een koolstofarme economie te creëren, die 80 tot 95 procent minder CO2 uitstoot?
-
-Hoe kan de EU tegen 2050 een koolstofarm, hulpbronefficiënt, veilig en concurrerend energiesysteem tot stand brengen?
-
-Hoe kan de EU tegen 2050 een modern vervoerssysteem bewerkstelligen dat voldoet aan dezelfde vier eisen als het eerder genoemde energiesysteem?
In mei 2012 schaarden vier commissies van het Europees Parlement zich achter het Vlaggenschipinitiatief. Enkele initiatieven binnen dit kader zijn reeds genomen, op de volgende gebieden:
Emissiehandel
In 2005 werd een ambitieus plan geïntroduceerd voor handel in emissierechten. Dit houdt in dat bedrijven in de zware industrie en elektriciteitssector een maximum hoeveelheid uit te stoten CO2 toebedeeld krijgen. CO2-uitstoot wordt onder andere veroorzaakt door de verbranding van fossiele brandstoffen. De uitstoot hiervan draagt in hoge mate bij aan het ontstaan van het broeikaseffect. Als bedrijven onder het toebedeelde maximum aan CO2-uitstoot blijven, dan mogen zij het niet gebruikte deel verkopen aan andere bedrijven die over hun maximum heen gaan. Hierdoor ontstaat een systeem waarbij bedrijven met een lage uitstoot financieel worden beloond ten opzichte van meer vervuilende ondernemingen. In 2008 en 2012 is het emissiehandelssysteem van de EU verder uitgebreid naar onder meer de luchtvaartsector en hebben de EER-landen zich bij het systeem aangesloten.
De Europese Commissie probeert de CO2-uitsoot van het personen- en vrachtvervoer terug te brengen door elektrisch rijden onder de aandacht te brengen. Om elektrisch autorijden te bevorderen, lanceerde Eurocommissaris Siim Kallas op 24 januari 2013 een ambitieus plan voor de standaardisering van elektrische oplaadpunten in de gehele Europese Unie.
Schadelijke subsidies
In 2007 stelde het Europees Parlement voor dat de Commissie uiterlijk in 2008 met een routekaart moest komen voor de hervormingen voor sectoren die Europese subsidie ontvangen, maar toch aanzienlijke negatieve effecten op het milieu te hebben. Volgens het EP moeten dergelijke subsidies geleidelijk worden afgeschaft.
Kernenergie
Een andere manier om het gebruik van fossiele brandstoffen te beperken is te zoeken naar een alternatief. De Europese Commissie overweegt het gebruik van kernenergie als een optie om aan de toekomstige energiebehoefte te voldoen. EU-lidstaten zijn hierover erg verdeeld. Sommigen vinden de risico's van de kernenergie te groot, met name omdat kernafval nog honderden of duizenden jaren radioactief blijft. Bovendien is het enthousiasme voor kernenergie na de ramp in Fukushima sterk teruggelopen en heeft onder meer Duitsland al aangekondigd op termijn alle kerncentrales te sluiten. Zonne- en windenergie en biobrandstoffen zijn andere, meer duurzame, alternatieven.
Biobrandstoffen
Biobrandstoffen vormen bovendien ook een mogelijkheid tot energieopwekking. In januari 2008 besloot de Europese Commissie om de inzet van biobrandstoffen aan strengere sociale en milieu-eisen te onderwerpen. Volgens verschillende milieu- en ontwikkelingsorganisaties zou het streven van de EU om in 2020 minimaal 10 procent van de brandstof uit energiegewassen te halen, kunnen leiden tot voedseltekorten. Dit werd echter tegengesproken door een in maart van dat jaar gepubliceerd rapport van REFUEL. Dit is een project uitgevoerd in opdracht van de EU. Het rapport stelde dat de bijmenging van 10 procent voor het overgrote deel gehaald kan worden, omdat er in Europa nog voldoende ruimte is (vooral in Oost-Europa) om landbouwgrond beter te gebruiken en vervolgens de huidige productie te verhogen.
Milieu- en ontwikkelingsorganisaties maken zich verder zorgen over hoge brandstofprijzen en vernietiging van natuurgebieden als gevolg van de Europese biobrandstof-doelstellingen. Ook zorgt de teelt van de biogewassen en de productie van biobrandstof zelf voor veel CO2 -uitstoot, aldus een uitgelekt rapport van het Joint Research Centre van de Europese Commissie. Volgens milieuorganisaties vergt de massale teelt van gewassen veel kunstmest waarbij CO2 vrijkomt.
De Europese Commissie denkt dit op te lossen met een keurmerk voor biobrandstoffen, waarbij rekening wordt gehouden met de uitstoot van CO2 bij het maken van de biobrandstoffen. Er wordt bij de toekenning van het keurmerk niet gekeken of er bossen gekapt worden om plaats te maken voor deze gewassen. De Commissie onderzoekt hoe ze dat alsnog mee kan nemen in het keurmerk. In 2012 gaf de Commissie aan vooral te willen inzetten op biomassa waar geen extra landbouwgrond voor in gebruik zou hoeven worden genomen.
Verduurzamen import van hout
In oktober 2010 nam de EU een belangrijke maatregel door de import van hout van illegaal gekapte bomen definitief te verbieden. Importeurs van hout moeten voortaan kunnen aantonen dat zij een vergunning hadden voor de kap van de bomen. Deze maatregel moet illegale ontbossing in landen als Brazilië en Indonesië tegengaan. Volgens het Wereld Natuur Fonds levert de EU daarmee een belangrijke bijdrage aan de strijd tegen de wereldwijde ontbossing. Uit cijfers van het WNF blijkt dat in 2008 ruim 20 procent van het geïmporteerde hout afkomstig was van illegaal gekapte bomen.
Het bedrijfsleven
Het bedrijfsleven wijst erop dat een verandering naar een (duurzame) werkwijze grote kosten met zich meebrengt. Producten zullen hierdoor duurder worden. Dit zou nadelig kunnen zijn voor de concurrentiepositie op de wereldmarkt. Consumenten zullen soms meer moeten betalen voor hetzelfde product. Ook wordt genoemd dat dit zou kunnen leiden tot ontslagen. De kennis van de huidige werknemers zou niet meer toereikend zijn wanneer het productieproces veranderd.
Volgens de EU zorgen strikte milieunormen en het aanzetten tot duurzaam ondernemen juist voor innovatie en bieden ze zo nieuwe kansen voor het bedrijfsleven. In juni 2008 hebben de EU en het bedrijfsleven een gezamenlijke organisatie opgezet om onderzoek naar de mogelijkheden van het gebruik van waterstof te stimuleren. De Europese Commissie heeft voor de organisatie 470 miljoen euro klaarliggen voor de periode t/m 2013. De bedoeling is dat het bedrijfsleven ten minste hetzelfde bedrag bijdraagt.
Op 13 juli 2010 is een rapport uitgekomen over de economische mogelijkheden van ecosystemen en biodiversiteit. Hieruit blijkt dat bedrijven zich meer bewust zijn geworden van het belang van deze zaken. Daarnaast zien steeds meer bedrijven de kansen hiervan. Rond 2050 is er namelijk een potentiële markt op het gebied van biodiversiteit van maar liefst twee tot zes biljoen dollar.
Landen buiten de EU
De Europese Unie wil het voortouw nemen in de reductie van de CO2-uitstoot. Alleen zal dat niet veel uitmaken als de rest van de wereld niet meedoet. 20 procent reductie in Europa geeft wereldwijd een effect van maar 1,5 procent volgens de Finse denktank ETLA. Veel succes heeft Europa niet met het overtuigen van de andere landen. Al is er de erkenning van het klimaatprobleem, harde ingrepen wil men vermijden. Vooral de Verenigde Staten moeten niets hebben van vastgestelde doelen. En ontwikkelingslanden eisen dat zij ruimte krijgen voor - broodnodige - groei. Zij willen niet geremd worden door een probleem dat zij niet hebben veroorzaakt.
Hieronder staan een aantal veel gehoorde argumenten, waarbij bijna altijd wel kanttekeningen te maken zijn. Dat maakt de discussie boeiend, maar een oordeel niet eenvoudiger. Europa is wikken en wegen.
Tip: Na het lezen van de argumenten kunt u zelf Uw reactie geven.
-
De EU zou bedrijven die overmatig gebruik maken van natuurlijke hulpbronnen een boete op moeten leggen
Door het uitdelen van boetes zouden bedrijven gestimuleerd worden om hun werkwijze aan te passen. Omdat niet elk bedrijf voldoende eigen middelen heeft om te investeren in duurzaam gebruik van productiemiddelen, werkt de EU liever met subsidies voor initiatieven van bedrijven op dit gebied.
-
Een efficiënter gebruik van hulpbronnen is op de lange termijn voordelig voor bedrijven zelf
Wanneer minder grondstoffen nodig zijn voor de productie van hetzelfde product, zal dit kostenbesparend werken. Het bedrijf moet dan in veel gevallen wel eerst bereid zijn te investeren in een nieuwe productiemethode.
-
Duurzame ontwikkeling kan een bijdrage leveren aan de oplossing voor het armoedeprobleem
De milieuproblemen die ontstaan door het gebruik van de natuurlijke hulpbronnen zijn het best merkbaar in armere delen van de wereld, zoals Afrika. Klimaatverandering heeft bijvoorbeeld grote gevolgen voor de landbouw. Ontbossing zorgt voor grote aardverschuivingen. Duurzaam gebruik van natuurlijke bronnen kan ervoor zorgen dat het leefmilieu van mensen in armere landen niet verder wordt aangetast. Zo kunnen zij gebruik blijven maken van de voordelen die de natuur hun kan bieden.
-
Subsidieregelingen verstoren het functioneren van de interne markt
Subsidies kunnen bedrijven stimuleren om het gebruik van natuurlijke hulpbronnen te beperken. Een subsidie kan worden gezien als een tegemoetkoming in de kosten die de nieuwe duurzame werkwijze met zich meebrengt. Als niet alle EU-lidstaten op dezelfde schaal subsidies verstrekken, zijn bedrijven in een land dat wel subsidies verstrekt in het voordeel ten opzichte van landen waar minder of geen subsidies beschikbaar zijn. Bedrijven hebben dan geen gelijke concurrentiepositie.
-
Strenge milieunormen zijn nadelig voor de concurrentiepositie van Europese ondernemingen
Om het gebruik van natuurlijke grondstoffen zoveel mogelijk te beperken, stelt de EU milieunormen vast. Bedrijven moeten zich hier aan houden. In landen buiten Europa worden vaak minder eisen gesteld aan ondernemingen. Veel Europese bedrijven wijzen er dan ook op dat zij in het nadeel zijn ten opzichte van bedrijven in niet-Europese landen. Een milieuvriendelijke werkwijze is namelijk niet altijd de goedkoopste. Europese ondernemers stellen dan ook dat de strenge Europese voorschriften nadelig zullen zijn voor hun concurrentiepositie.
Uw reactie
Door op Uw reactie te klikken kunt u laten weten, wat u van de verschillende argumenten vindt. Ook kunt u natuurlijk andere argumenten aandragen. Uw reactie wordt zeer op prijs gesteld.
- Thematische strategie inzake het duurzame gebruik van de natuurlijke hulpbronnen
- Verslag Kartika Tamara Liotard over thematische strategie inzake het duurzame gebruik van de natuurlijke hulpbronnen incl. ontwerpresolutie Europees Parlement
- Eurobarometer over Europeanen en klimaatverandering (pdf, en)