Begrotingsbevoegdheid Europees Parlement - Montesquieu Institute

Montesquieu Institute

Het Europees Parlement is samen met de Raad van Ministers de begrotingsautoriteit van de Europese Unie. Samen stellen zij elk jaar het budget van de Unie vast. De behandeling en het vaststellen van het budget neemt een half jaar in beslag en wordt gewoonlijk in december afgerond. Oorspronkelijk had het Europees Parlement een aanzienlijk zwakkere begrotingsbevoegdheid dan de Raad. Sinds het Verdrag van Lissabon in werking is getreden is hier verandering in gekomen en heeft het Parlement volledige medebeslissingsbevoegdheid.

Begrotingsbevoegdheid vóór Lissabon

Voordat het verdrag van Lissabon in werking trad, werd er bij het vaststellen van de EU-begroting onderscheid gemaakt tussen twee soorten uitgaven:

  • Verplichte uitgaven
  • Niet-verplichte uitgaven

De uitgaven in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en uitgaven die verband hielden met internationale overeenkomsten, vormden de verplichte uitgaven. Hierop had het Europees Parlement beperkte invloed. Het laatste woord lag bij de Europese Raad. De overige uitgaven werden als niet-verplicht gezien. Hier valt te denken aan uitgaven inzake het Europees onderzoeksbeleid, ontwikkelingshulp en de huishoudelijke uitgaven van de Europese instellingen. Bij deze uitgaven had het Parlement meer invloed. Die uitgaven werden in samenwerking met de Raad bepaald via de medebeslissingsprocedure, die vanaf de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon de 'gewone wetgevingsprocedure' genoemd wordt.

Begrotingsbevoegdheid na Lissabon

Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon hebben er aanzienlijke veranderingen plaatsgevonden op het gebied van de begrotingsbevoegdheid van het Europees Parlement. Het onderscheid tussen verplichte en niet-verplichte uitgaven is opgeheven. Dit betekent dat het Parlement nu samen met de Raad over alle uitgaven van de Europese Unie bepaalt. De positie van het Europees Parlement als medewetgever bij het vaststellen van het budget is dus aanzienlijk vergroot. Er mag geen jaarlijkse begroting worden vastgesteld zonder instemming van het Parlement.

Rol van het Europees Parlement bij het aannemen van de begroting

Eerst moet het Parlement een raming opmaken van zijn eigen uitgaven voor het volgende begrotingsjaar. Dit moet voor één juli klaar zijn en wordt ingeleverd bij de Europese Commissie. Uiterlijk één september ontvangt het Parlement een voorstel met de ontwerpbegroting van de Europese Commissie, die opgesteld is op basis van de eerder genoemde raming van het Europees Parlement en de ramingen van de andere instellingen. Als de Europese Raad een eerste standpunt heeft ingenomen over het voorstel met de ontwerpbegroting, wordt het Parlement op de hoogte gesteld van dit standpunt. Het Europees Parlement kan hier vervolgens drie dingen mee doen:

  • Goedkeuren: de begroting is vastgesteld
  • Geen beslissing nemen: de begroting wordt geacht te zijn vastgesteld
  • Afkeuren en een geamendeerd voorstel maken: de Raad en de Commissie ontvangen het aangepaste voorstel. De Raad en het Parlement oordelen erover. Stemmen ze er beide mee in of neemt één van de twee geen besluit en stemt de ander in, dan is de begroting vastgesteld.

Indien er niet wordt ingestemd met het aangepaste voorstel wordt in de meeste gevallen een nieuwe ontwerpbegroting opgesteld door de Commissie. Als de procedure is afgesloten, laat de voorzitter van het Europees Parlement weten dat de begroting definitief is vastgesteld.

 
 
 
 
Documentation Centre for Dutch Political PartiesFaculty of Law, Department of Public Law, Maastricht UniversityCampus The Hague Leiden UniversityCentre for Parliamentary HistoryParliamentary Documentation Centre
Stuur door