Wat kost Europa ons? - Hoofdinhoud
Het geld dat de Europese Unie tot haar beschikking heeft bestaat uit middelen die de EU ieder jaar van de 27 lidstaten ontvangt. De lidstaten ontvangen op hun beurt weer geld van de EU in de vorm van bijvoorbeeld landbouwsubsidies of bijdragen uit de structuurfondsen.
Nederland droeg in 2011 ca. 5,87 miljard euro af aan de EU. In hetzelfde jaar ontvingen we 2,09 miljard aan Europese steun. Deze positie als netto-betaler bestaat voor Nederland sinds 1991. Nederland was in de periode 1981-1990 een netto-ontvanger. In de jaren daarvoor wisselde de positie regelmatig.
Veel EU-landen zijn nog ontevreden over hoe de Europese Unie haar uitgaven bijhoudt. De Europese Unie kan vaak niet goed verantwoorden waar het geld aan is besteed. Dat blijkt uit jaarlijks onderzoek van de Europese Rekenkamer. Nederland geeft als een van de weinige landen ieder jaar een verklaring af aan de Europese Unie. Die verklaring moet de EU helpen om te verantwoorden waar het geld aan is uitgegeven.
In februari 2012 bleek uit het EU-trendrapport van de Algemene Rekenkamer dat Nederland te veel landbouwsubsidies heeft ontvangen uit Brussel. Dit werd voornamelijk veroorzaakt door het niet naleven van lokale aanbestedingsregels en door tekortkomingen in het perceelregistratiesysteem. De minister had op grond van de Europese regelgeving de teveel verstrekte subsidies moeten terugvorderen, maar heeft besloten dit niet te doen en heeft het bedrag uit het eigen nationale budget gefinancierd.
Nederland is in de loop der jaren een van de grotere netto-betaler van de Europese Unie geworden. Nederland betaalde ook meer dan lidstaten met een vergelijkbaar welvaartsniveau. Het kabinet-Balkenende II heeft daarom bij de onderhandelingen voor de Europese begroting voor de periode 2007-2013 gepleit voor een lagere afdracht. Er is overeengekomen dat Nederland vanaf 2007 jaarlijks een miljard euro minder betaalt. Dit geldt voor de begrotingsperiode 2007-2013.
Hoeveel een land moet afdragen aan de Europese Unie hangt in de eerste plaats af van de totale uitgaven die de Europese Unie in een jaar begroot heeft. Deze uitgaven mogen maximaal 1,23% van het totale inkomen van de lidstaten van de Europese Unie bedragen. De gezamenlijk afdrachten van de lidstaten zullen dus nooit hoger zijn dan 1,23% van hun totale inkomen.
De afdracht van een lidstaat aan de EU bestaat uit drie delen:
-
-traditionele eigen middelen: dit zijn voornamelijk douane-heffingen en landbouwsubsidies
-
-BTW-middelen: er wordt een vastgesteld percentage van de BTW afgedragen
-
-een percentage van het nationaal inkomen: het overgrote deel van de Europese begroting
Daarnaast ondervinden veel lidstaten de gevolgen van:
-
-een correctie voor het Verenigd Koninkrijk: dit land heeft in de jaren '80 een korting bedongen voor zijn afdrachten. In die periode was de afdracht van het land te hoog in vergelijking met de welvaart die er toen in het land heerste. De korting wordt verrekend met de afdrachten van de andere lidstaten waardoor die iets meer moeten betalen
Tabel: afdracht van Nederland aan de EU in 2011 (miljoenen euro's)
Traditionele eigen middelen |
1.936 |
|---|---|
BTW-middelen |
290 |
afdracht van Bruto Nationaal Inkomen |
4.215 |
Totaal 2011 |
6.441 |
Na correcties zijn de totale EU-afdrachten van Nederland €5.869 miljoen.
De Europese Rekenkamer onderzoekt ieder jaar de verantwoording die de lidstaten afleggen over de besteding van EU-geld. Tot nu toe heeft de Europese Rekenkamer nog nooit een betrouwbaarheidsverklaring gegeven als teken van een goede verantwoording.
Nederland is in 2007 gestart met het afgeven van een lidstaatverklaring, waarin de besteding voor Nederland wordt verantwoord. Daarmee waren we de eerste in de Europese Unie. Het aantal landen dat tot nu toe meedoet is klein en bovendien doen de Europese instellingen nog maar weinig met de verklaringen van de lidstaten. Uitzondering daarop is het Europees Parlement.
Het bedrag dat lidstaten afdragen is niet volledig evenredig aan hun welvaart. Dit komt doordat de afdracht niet alleen is gebaseerd op nationaal inkomen, maar bijvoorbeeld ook op BTW-heffingen. Minder welvarende lidstaten zullen echter altijd minder afdragen dan de rijkere lidstaten. In 2005 droeg elke EU-burger gemiddeld 232 euro per jaar af aan de Europese Unie, in 2011 was dit ongeveer 250 euro. Dit betekent dat elke EU-burger ongeveer 65 cent per dag betaalt aan de EU. Het maximum bedraagt 275 euro per hoofd van de bevolking.
Als de afdrachten worden verrekend met de middelen die Nederland ieder jaar ontvangt van de EU, dan blijkt Nederland netto een paar miljard euro per jaar aan de EU af te dragen. In 2003 was dit 3 miljard euro; omgerekend ruim 180 euro per hoofd van de bevolking. In de jaren daarna is dat verder gestegen, tot zo'n 255 euro per hoofd van de bevolking in 2011. Door een harde opstelling van premier Balkenende en minister Zalm in onderhandelingen over de EU-begroting van 2007-2013 is de totale jaarlijkse afdracht verkleind met 1 miljard euro. Dit betekent een afname van ruim 62 euro per hoofd van de bevolking. De harde opstelling van Nederland heeft echter ook gezorgd voor het verslechteren van de Nederlandse reputatie ten aanzien van Europese samenwerking.
De Europese Commissie is het overigens niet eens met de gebruikte rekenmethode. Draagt Nederland volgens een boekhoudkundige definitie in 2010 203 euro per hoofd van de bevolking af, volgens de Commissie is dat slechts 95 euro. Dat verschil zit hem vooral in de manier waarop er tegen heffingen op import uit landen buiten de EU wordt aangekeken.
In de begrotingsonderhandelingen is de korting die het Verenigd Koninkrijk elk jaar krijgt onder druk komen te staan. Veel lidstaten vinden dat de situatie waarin de korting is ingesteld sterk is veranderd; het Verenigd Koninkrijk is inmiddels veel welvarender geworden. De korting zal de komende jaren geleidelijk worden afgeschaft.
In de afdrachten van Nederland aan de Europese Unie spelen enkele factoren mee die mogelijk voor een vertekend beeld zorgen. Wanneer met die factoren rekening wordt gehouden, dan valt de betalingspositie van Nederland reëel gezien positiever uit.
Nederland steunde de verschuiving van geldstromen
In de jaren '90 was Nederland ondanks zijn betalingspositie altijd één van de grote voorstanders van de Europese integratie. In die lijn heeft Nederland in die periode ook beleidsveranderingen gesteund die als gevolg hadden dat er meer middelen zouden worden aangewend voor structuurfondsen ten koste van landbouwsubsidies. Structuurfondsen zijn een belangrijk instrument in het bevorderen van de Europese integratie; de uitgaven gaan vooral naar minder welvarende lidstaten. De - door Nederland gesteunde - verschuiving heeft logischerwijs gezorgd voor een afname in de geldstroom van de EU naar Nederland en dus voor een 'verslechtering' van de betalingspositie van Nederland.
Wegvallende landbouwsubsidies kunnen een positieve ontwikkeling zijn
Een lidstaat die veel landbouwsubsidie ontvangt is niet altijd beter af dan een lidstaat zonder die subsidie. In de jaren '90 konden boeren hun producten verkopen aan de EU als de prijzen onder een vastgesteld minimum zakten. Normaal gesproken werden de producten dan opgeslagen, wat meer kost en wat zorgde voor meer geldstromen van de EU naar het betreffende land. De boer was echter beter af geweest als hij zijn product tegen een hogere prijs had kunnen verkopen; die situatie had echter minder geld vanuit de EU opgeleverd. Nederland heeft precies die verschuiving naar hogere landbouwprijzen doorgemaakt in de jaren '90, waardoor er minder geld binnenkwam van de Europese Unie, maar er een betere positie voor de Nederlandse boer ontstond.
Nederlandse afdracht wordt gedeeltelijk afgewenteld op buitenlandse consument
Bij de betalingspositie van Nederland is nog een kanttekening te plaatsen. De 'traditionele eigen middelen' die worden afgedragen bestaan uit douane-heffingen die worden toegepast op importgoederen. In 'Nederland Distributieland' komen veel goederen de EU binnen die vervolgens naar andere EU-landen worden getransporteerd. Daarom worden (bijvoorbeeld in de Rotterdamse haven) veel douane-heffingen geïnd, die vervolgens afgedragen worden aan 'Brussel'. Daardoor is de Nederlandse afdracht voor traditionele eigen middelen dus relatief hoog.
Nederlandse economie profiteert meest van interne markt
In 2008 heeft het CPB onderzoek gedaan naar de invloed van de interne markt op de Nederlandse economie. Het is voor het eerst in Europa dat een dergelijk onderzoek is gedaan naar de voordelen van de interne markt voor een individuele lidstaat. Uit de studie 'The Internal Market and the Dutch Economy: implications for trade and economic growth' blijkt dat de interne markt de individuele burger een extra inkomen tussen de 1.500 en 2.200 euro per jaar oplevert.
Dit extra inkomen is volgens onderzoeker Arjen Lejour direct toe te schrijven aan de interne markt. Door de inspanningen van Brussel om tot een vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal te komen, zijn de interne barrières verdwenen. Het verhandelen van goederen is hierdoor gemakkelijker en minder kostbaar geworden. Van alle EU-lidstaten profiteert Nederland, dankzij haar positie als distributieland, hier het meeste van.
In 2011 heeft het CPB onderzoek gedaan naar de inkomenseffecten van de euro. Uit het onderzoek bleek dat het lastig is in te schatten of de euro economische voordelen heeft opgeleverd. Het CPB schat de winst van de invoering van de euro per Nederlander op ongeveer een weeksalaris.
De kosten van de Europese schuldencrisis
Nederland heeft inmiddels 15 miljard geleend aan lidstaten die in financiële problemen zijn gekomen. In totaal staan er 134,7 miljard euro aan garanties uit. Nederland staat dus garant voor dat bedrag; het hoeft alleen te betalen als een of meer van de lidstaten met financiële problemen hun leningen niet (of niet volledig) terugbetalen. De financiële vooruitzichten zijn somber en de verwachting is dat Nederland niet al het geleende geld terug krijgt. Uit onderzoek van de Wim Drees Stichting voor Openbare Financiën is gebleken dat in het slechtste scenario de kosten van de crisis voor Nederland 12,1 miljard euro per jaar zullen zijn. In het gunstigste geval zullen de kosten 2,8 miljard euro bedragen. Het gaat in beide gevallen om de extra rentebetalingen op de overheidsschuld als gevolg van de eurocrisis. Daar staat tegenover dat de kosten nog hoger kunnen zijn als Nederland en andere EU-landen geen steun zouden verlenen, en banken failliet zouden gaan.
Uitgaande van het slechtste scenario betaalt de Nederlandse burger, omgerekend, 720 euro per jaar. Inclusief de afdrachten aan de Europese Unie kunnen de kosten van de EU per burger oplopen tot ongeveer 1.000 euro per jaar. Daarnaast zullen er nog vele andere kosten zijn, zoals dalende beurskoersen, lagere rentes voor Nederlandse pensioenfondsen of minder economische groei. Deze zijn in dit onderzoek niet meegerekend.
Een voordeel van de Europese schuldencrisis voor Nederland is de lage rente. Nederland betaalt nu een lage rente als het geld moet lenen om de staatsschuld te financieren.