Nieuws-items bij Mannen en vrouwen krijgen evenveel ...
De Europese Unie zet zich in voor de rechten van de vrouw, waaronder op de arbeidsmarkt. Zo werd al in de eerste EU-verdragen van de jaren vijftig de regel opgenomen dat mannen en vrouwen gelijk loon voor gelijk werk moeten krijgen.
Inhoudsopgave van deze pagina:
De EU heeft als doel om de ongelijkheid tussen man en vrouw uit te bannen en de gelijkheid tussen de seksen te bevorderen. Het tegengaan van een ongelijke positie van man en vrouw op de arbeidsmarkt is hier een onderdeel van.
De EU doet dit door middel van wetgeving, positieve acties en gender mainstreaming. Dit laatste betekent dat de EU bij de totstandkoming van beleid rekening houdt met de verschillen voor mannen en vrouwen en ervoor zorg draagt dat de effecten van het beleid de gelijkheid tussen man en vrouw bevorderen.
Toch is de ongelijkheid tussen man en vrouw nog altijd duidelijk zichtbaar in de Europese Unie. Europese vrouwen zijn inmiddels hoger opgeleid dan de Europese mannen, maar zij verdienen nog altijd gemiddeld 17,5 procent minder dan hun mannelijke collega's. Daarnaast is hun kans op een leidinggevende functie half zo groot als die van mannen. De werkloosheid onder vrouwen ligt ook een stuk hoger dan onder mannen: ruim driekwart van de mannen in de EU heeft een baan, van de vrouwen werkt iets meer dan de helft. Vanuit vrouwenorganisaties klinkt kritiek op de EU, omdat die geen duidelijke doelstellingen zou formuleren.
Gelijke betaling voor mannen en vrouwen valt onder het Directoraat-Generaal Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Gelijke Kansen van de Europese Commissie.
Eind 2006 is het Europees Instituut voor Gendergelijkheid (EIGE) opgericht. Dit agentschap heeft als de doel de Europese instellingen en de lidstaten te ondersteunen in het versterken van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen in de EU en het bestrijden van discriminatie op grond van geslacht. De hoofdtaak van het instituut is het verrichten van onderzoek naar gendergelijkheid in het beleid van de EU en het nationale beleid van de lidstaten. Het instituut is gevestigd in Vilnius (Litouwen).
De uitbreiding van de EU in 2004 met tien nieuwe lidstaten, waarvan acht voormalige Oostbloklanden, leidde tot bezorgdheid. Met de positie van de vrouw was het in veel van deze landen namelijk slechter gesteld dan in de andere EU-landen. Men vreesde voor een achteruitgang van de algemene positie van de vrouw in de Europese Unie. In de nieuwe lidstaten zorgde de aansluiting bij de EU juist voor een grote vooruitgang op het gebied van vrouwenrechten, omdat die landen zich voortaan moesten houden aan de Europese wetten over gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
Ondanks de positieve vooruitgang in de nieuwe lidstaten, heeft de uitbreiding in 2004 problemen met zich meegebracht voor de Europese besluitvorming met betrekking tot gelijke rechten. Nieuwe wetten op bijvoorbeeld het gebied van arbeidsdiscriminatie komen moeilijker tot stand, doordat grote conservatieve landen als Polen een belangrijke stem hebben gekregen in de Raad van Ministers en het Europese Parlement.
Een ander negatief gevolg is de ondervertegenwoordiging van vrouwen in het Europese Parlement. Voor de EU-uitbreiding in 2004 was 29,7 procent van de Europarlementariërs vrouw. Bij de toetredende landen lag dit percentage op 14 procent, wat een flinke daling van het totale aantal vrouwelijke Europarlementariërs betekende. Het percentage vrouwelijke Europarlementariërs was in 2004 toegenomen tot 30,3 procent (222 van de 732 leden), maar na de toetreding van Roemenië en Bulgarije in 2007 daalde dit percentage weer tot 30,2 procent (237 van de 785). Meteen na de verkiezingen in 2009 lag het aandeel vrouwen in het Europees Parlement op 35 procent (258 van de 736 leden). In de in 2004 en 2007 toegetreden nieuwe lidstaten was dat aandeel ruim 29 procent.



