Court of Justice of the European Union (ECJ) - Hoofdinhoud
Het in 1952 opgerichte Hof van Justitie van de Europese Unie moet ervoor zorgen dat de wetten en regels die in Europa gemaakt worden, goed worden toegepast. De Europese wetten - het gemeenschapsrecht - moeten in alle landen hetzelfde worden uitgevoerd, zodat het niet uitmaakt of je in Nederland of in Polen woont. Het Hof van Justitie kijkt daarom bijvoorbeeld ook of rechters in Nederland de Europese wetten wel goed toepassen.
Het Hof oordeelt over overtredingen van Europese regels, en over het niet nakomen door lidstaten van gemaakte afspraken en verplichtingen die uit de Verdragen voortvloeien. In de loop der jaren heeft het Hof ook steeds meer zaken in behandeling gekregen die specifieke terreinen betroffen, met name op het terrein van mededinging en zaken waar de Europese instellingen als werkgever tegenover hun ambtenaren stonden.
Om de stroom zaken beter te kunnen verwerken en de rechtsbescherming van de burgers te verbeteren, zijn naast het Hof van Justitie nieuwe rechtsprekende instanties in het leven geroepen. Het Hof van Justitie van de Europese Unie omvat drie rechtsprekende instanties:
-
Het Hof van Justitie (opgericht 1952)
Het Hof ziet toe op de de eerbiediging en de toepassing van de regelgeving en de oprichtingsverdragen van de Europese Unie. Het Hof doet uitspraak in geschillen tussen lidstaten, EU-instellingen, bedrijven en individuen waarbij EU-wetgeving aan de orde is. Belanghebbenden kunnen zich tot het Hof wenden als Europese regels worden overtreden.
-
Het Gerecht (opgericht in 1988)
Het Gerecht behandelt beroepszaken ingesteld tegen instellingen, organen en instanties van de Europese Unie, met name op het gebied van het merkenrecht, kartelvorming, ongeoorloofde staatssteun en concentraties.
-
Het Gerecht voor ambtenarenzaken (opgericht in 2004)
Het Gerecht voor ambtenarenzaken behandelt geschillen tussen de Europese Unie en haar personeelsleden.
Zowel in het Hof van Justitie als het Gerecht zit een Nederlands lid.
Het Hof van Justitie vindt haar basis in het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU).
-
-Organisatie, procedures, bevoegdheden: zesde deel VEG titel I hoofdstuk 1 vijfde afdeling (artikelen 251 t/m 281).
-
-Verdere informatie staat in Protocol (nr. 3) betreffende het Statuut van het Hof van Justitie
Het Hof is opgericht in 1952 met het Europese Verdrag voor Kolen en Staal. De taak van het Hof is onveranderd gebleven: het toezien op de toepassing en uitleg van de Europese verdragen. Hiermee is de geschiedenis van het Hof er vooral een van haar uitspraken.
In 1963 stelt het Hof in het "Van Gend & Loos" arrest dat Europese burgers, bedrijven of instellingen zich bij hun nationale rechter kunnen beroepen op Europese regelgeving. Europese regels hebben rechtstreekse werking. Met de Europese verdragen dragen de lidstaten een stuk soevereiniteit over aan het Europese niveau. Er bestaat dus een Europese rechtsorde, naast de nationale rechtsordes van de lidstaten.
In 1964 volgde het arrest Costa/ENEL. Dit bevestigde wat het Hof een jaar eerder had vastgesteld, en bouwde er op voort. Als nationale regels in strijd zijn met Europese regels dan gelden de Europese. Dit is het principe van de voorrang van het gemeenschapsrecht. Dit was volgens het Hof nodig om ervoor te zorgen dat de eigen gemeenschappelijke Europese rechtsorde in alle lidstaten hetzelfde wordt uitgelegd.
In 1978 worden deze principes verder aangescherpt door het Simmenthal arrest. Ten eerste moeten nationale regels worden aangepast op het moment dat er conflicterende Europese regels van kracht worden. Verder mogen lidstaten ook geen nieuwe regels maken die in strijd zijn met geldende Europese regels.
Het correct toepassen van regels raakte de kern in een zaak tegen Nederland in 1990, over de Vogelrichtlijn. In het arrest stelt het Hof dat in het geval van richtlijnen de lidstaten de ruimte krijgen het doel naar eigen inzicht te bereiken, maar dat er grenzen zitten aan die ruimte. Hoe algemener een richtlijn van aard is, des te meer vrijheid de lidstaat heeft om deze zelf in te vullen. Gaat het om vrij specifieke regelgeving, dan moet de tekst vrij nauwgezet worden gevolgd.
In 2007 speelde een zaak tussen de Raad van Ministers en de Europese Commissie over wie het recht tot handhaving van de regels heeft. De Raad stelde dat zij in dit geval daar als enige toe bevoegd was. Het Hof oordeelde anders. Het beleid in kwestie wordt in de basis op Europees niveau geregeld, en daarmee ligt de verantwoordelijkheid van de goede uitvoering van een richtlijn die daar op gebaseerd is ook op Europees niveau. Als lidstaten overtredingen niet vervolgen, dan mag de Commissie in dit soort gevallen lidstaten dwingen overtreders van regels te vervolgen. Het Hof gaf wel te kennen dat de daadwerkelijke vervolging van een overtreder en de uiteindelijke strafmaat een zaak is van lidstaten, en niet van de Europese Unie.
Ook op meer inhoudelijke punten deed het Hof in de jaren soms zeer belangrijke uitspraken. Met die uitspraken verankerde het Hof bepaalde rechten. Voorbeelden zijn het recht op gelijke beloning van mannen en vrouwen (arrest Defrenne uit 1976), het recht dat inwoners van de ene lidstaat onder dezelfde voorwaarden van diensten gebruik moeten kunnen maken in een andere lidstaat (arresten Cowan uit 1989 en Kohll uit 1998), het recht op vakantie met behoud van loon (arrest BECTU uit 2001), het recht op vrij verkeer van goederen binnen de EU - zolang de producten aan de wettelijke eisen voldoen (arrest Cassis de Dijon uit 1979) en het recht op vrij verkeer van werknemers (Bosman arrest).
Volgens velen is het Hof één van de drijvende krachten achter de Europese integratie. Haar uitspraken zouden vooral in het voordeel spreken van de Europese, supranationale, aanpak. Dit geldt zowel waar het gaat om het formuleren van algemene rechtsprincipes, als bij veel inhoudelijke zaken. Er zijn echter ook voorbeelden waar het Hof regelgeving in de Europese Unie beperkte. Zo heeft het Hof een aantal richtlijnen naar de prullenmand verwezen omdat de Commissie niet voldoende duidelijk had gemaakt waarom iets Europees geregeld moest worden, in plaats van het over te laten aan de lidstaten zelf. Het gaat hier om het subsidiariteitsbeginsel.
Het Europees Hof van Justitie kreeg het, vooral vanwege de uitbreiding van de bevoegdheden van de EU, in de loop der jaren steeds drukker. Om het Hof te ontlasten werd in 1988 het Gerecht van eerste aanleg opgericht (nu het Gerecht geheten). In 2004 kwam daar een Gerecht voor ambtenarenzaken bij, waar Europese ambtenaren met hun klachten terecht konden.
| internet | website inlichtingen |
|---|---|
| tel. | +35 (2) 43 03 1 |
| fax | +35 (2) 43 03 26 00 |
| adres | L-2925 - Luxemburg (Luxembourg) |